De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

9 minuten leestijd

En Jezus verwonderde zich over hun ongeloof. Marcus 6 vers 6.

Verwondering is het begin en het eind van alle wijsheid. Het moet ons daarom ook niet verbazen, dat van den Heere Jezus, die het Woord Gods en de Wijsheid Gods is, zoo menigmaal opgeteekend werd, dat Hij zich verwonderde.
Niemand heeft zich zóó verwonderd als Hij, van Kribbe tot Kruis. Want niemand verkeerde in zoo'n ontwrichte en uit elkaar gerukte wereld als Hij. Dat wil zeggen: Niemand voelde dat alles zoo diep en smartelijk als Hij, die kwam van alzoo Hooge, van alzoo ver.
De Heere Jezus verwonderde Zich heel Zijn leven. Over Maria, die maar niet begreep, dat Hij moest zijn in de dingen Zijns Vaders. Over Nicodemus: zóó geleerd en toch zóó onwetend. Over Philippus, die maar niet verstond, dat wie den Heere Jezus gezien heeft, den Vader heeft aanschouwd.
Zoo ging het Zijn leven lang door : Jezus verwonderde Zich, zooals alleen de Wijsheid zich verwonderen kan.
En die verwondering ging aanstonds naar den wortel. Lees onze „tekst" maar : Jezus verwonderde Zich over hun ongeloof.
Er is inderdaad geen verwonderlijker ding dan het ongeloof, de moeder van al onze kwalen en nooden. Het ongeloof, dat is het, dat heel de wereld, met mijn en uw leven ontwricht heeft en nóg ondergraaft, zoodat we wel eiken dag onze oogen moesten uitwrijven en met verwondering vragen : Is deze wereld, is dit mijn leven dan werkelijk voortgekomen uit de hand van God den Vader, den Schepper van hemel en aarde ?
Ja, het is die zelfde wereld en het zelfde leven, alleen tot niet-herkennens, tot verwonderens toe misvormd en verstorven door ons ongeloof.
Zoo verwonderlijke kracht en vrucht heeft ongeloof, ons ongeloof. We moesten onze verwondering niet óp kunnen, eiken dag weer, over ons ongeloof en over onze ongeloovigheid en kleingeloof. Want is er wel iets schadelijkers en doodelijkers, iets, dat den Heere zoo Zijn eer, den Heere Jezus Zijn heerlijkheid en ons den vrede met hen rooft, dan juist ons ongeloof ?
Wat is ongeloof immers ook weer ? We hebben dat woord zoo vaak in onze mond, dat het als versleten munt z'n scherpe trekken zoo licht verliest. Ongeloof is dit, dat wij leugen voor waarheid en waarheid voor leugen houden. Ongeloof is, dat wij Satan's leugenwoord indronken en drinken, als was het milde medicijn, en de Waarheid Gods, die toch vrijmaakt, in haar lokken en dreigen niet achten, alsof ze ijdelheid was.
Dat was het ongeloof van ons aller vader en dat is nog het onze. Dat ongeloof is de meest gewone zaak ter wereld geworden en toch blijft het immer verwonderlijk, onnatuurlijk en tegen-natuurlijk. Die menschen daar in Jezus' vaderland, hebben door hun ongeloof zich afgekeerd van Hem, die hun krankheden dragen kwam en liefderijk genezen. Ze hebben Hem, die hen het leven wilde teruggeven, willen afwerpen van de steile rotsen.
Dat is en dat doet ons ongeloof: Christus Jezus met vuisten slaan en mede een behagen hebben in Zijn dood. Het meest tegen-natuurlijke en tegen ons heil ingaande.
Hoe verwonderlijk is dus ons ongeloof en wat zijn we er toch, helaas, aan gewend geraakt!
Het kan wel niet anders, of Adam, pas in ballingschap, heeft zich dagelijks moeten verwonderen over de bittere vrucht van zijn zoo steile val: zijn ongeloof. Hij moet zich wel keer op keer voor 't dwaze hoofd geslagen hebben, zeggend : Hoe heb ik 't kunnen doen? Wat overvloed kende ik, door het geloof, en nu — ik verga van honger — door mijn val in ongeloof !
Wie weelde gekend heeft, draagt armoede dubbel moeilijk. Wie de oefening en de harteklop van het geloofsleven gekend heeft, (en wie kende het, na den Heere Jezus, zóó als ons aller Vader ? ), die kan er toch niet los van komen : Het geloof, het leven uit en onder Gods Waarheid, is mijn hart, mijn wezen, mijn ziel. Hoe kan ik dan leven in het ongeloof, buiten God, buiten den Heere Jezus Christus ?
Zóó móét wel in den beginne de verwondering over eigen ongeloof geleefd hebben onder Adam's kinderen. Juist omdat het geloof gekend en gesmaakt was als rijkste gave Gods, daarom moest het ongeloof een bron zijn van verontrustende verwondering, uitdrijvend tot terugkeer naar het verlaten en verloren deel.
Maar alles went zoo ! Ook verwondering gaat zoo wennen en afstompen. Het kind loopt met groote verwonderde oogen het leven in en kan al z'n wonderen niet aan. En worden we ouder, dan ook, helaas, zóó kouder, dat we de verwondering verleeren en met dichte oogen voorbij gaan aan alle wonderlijke dingen, zelfs aan ons ongeloof.
In die wereld, die we teekenden, onder zulke menschen, van toen en van nu, is de Heere Jezus ingedaald. Hij kwam en Hij komt als een Eénige : niemand was of is met Hem gelijk te schatten.
Een Eénige : zie het in onze tekst uitgesproken : Hij verwonderde Zich over hun ongeloof. In een wereld van menschen, zoo gewend en afgestompt door de leugen, komt Hij getuigen van de Waarheid, komt Hij Zich verwonderen over ons ongeloof, opdat wij die verwondering weer zouden leeren en wijs worden tot zaligheid.
Jezus verwonderde Zich over hun ongeloof. Wat moet dus, ook en juist in Zijn vernedering, de oefening des geloofs met den Vader Zijn kracht en licht geweest zijn! Hoe verwonderlijk was het Hem daarom, dat een volk, en nog wel Zijn verkoren volk, daar zoo- onaandoenlijk voortleefde, voortstierf, zich over niets meer verwonderend, zelfs niet over Zijn Liefde voor hen en over hun ongeloof, dat die Liefde, sterker dan dood en kruis, toch durfde versmaden ?
Jezus verwonderde Zich over hun ongeloof.
Wonderlijk woord ! Want Hij wist toch, wat maaksel zij (en wij) zijn en Hij wist toch wat er in het hart van den mensch leeft. En toch verwonderde Jezus Zich. Hij kon er a.h.w. niet bij, dat menschen, die in en tot geloofsoefening geschapen zijn, daar nu zóó buiten en tegenin stonden en naar het verloren deel zelfs niet meer taalden. Hoe anders was Hij het gewend, hoe verstikkend was voor Hem deze bedorven lucht!
Jezus verwonderde Zich. Voelt ge nu, waarom dat ons opgeteekend werd ? Neen, niet opdat gij en ik ons over Hem zouden verwonderen, vragend : Hoe kan dat nu : Gods Zoon — alwetend, en toch zoo verwonderd ? Maar opdat wij ons weer zouden gaan verwonderen over ons zelf en over onze kinderen, zeggende : Wat moet het erg met ons zijn, wat moeten we diep wèg zijn, dat de Zone Gods, de Alwetende, er niet bij kan, er het hoofd over schudt, ja, tranen om stort en het ons toespreekt: Och, dat gij bekendet, wat tot uw vrede dient. Maar het is verborgen voor uw oogen!
Kent ge die verwondering over u zelf, lezer, lezeres, wanneer ge daar staat tegenover den Zich verwonderenden Jezus ? Hij verwondert Zich over u en over mij, dat we het niet bij Hem zoeken, en niet vuriger, hartelijker, onafscheidelijk aan Hem hangen en verbonden zijn. Hij verbaast Zich over ons ongeloof en misschien nog meer over onze ongeloovigheid en kleingeloovigheid, die toch daarop neerkomen, dat ze Hem, de Weg, de Waarheid en het Leven, zoo telkens weer verlaten en smarten.
De Heere Jezus verwondert Zich over ons met smartelijke verwondering. Waarom kunnen Zijn liefste kinderen nog niet één uur met Hem waken? Waarom moet juist Zijn oogappel Hem zóó verloochenen ? Waarom komen er van de tien, die geholpen werden, niet méér terug om Hem dank te brengen ? Waar heeft Hij het aan verdiend, dat Hij, die ons, door ons het geloof weer te geven, als aan Zijn hart getrokken heeft, den ganschen dag Zich smartelijk verwonderen moet over een ongehoorzaam en tegenstrevend volk ?
Lezer, lezeres : Kent ge die verwondering over uw ongeloof, ongeloovigheid en kleingeloof ?
Ja, daar bedoelen we óók mee : kent ge de verwondering daarover, dat de Heere Jezus u tot het geloof wilde terugbrengen, herscheppen, u wilde omringen met Zijn genade en Waarheid ? Maar juist omdat het levend geloof gave en werkstuk Gods is — (met volle nadruk op gave en Gods), juist daarom moet gij, die het geloof kennen leerdet in zijn kracht en licht en troost, u ook zoo verwonderen, dat gij zoo licht daarvan afgeleid en afgetrokken wordt. Wat zijn wij toch een ontrouwe rentmeesters, die ons de paarlen Gods en de rijkdom der genade van Christus zóó licht laten ontfutselen op de ijdelheidskermis dezer wereld.
En waarvoor ? Voor wat glaskralen en hetgeen dief, mot en roest verteren!
Jezus verwondert Zich over ons. Word daar maar klein onder, gij, die dit leest, wie ge ook zijt. Gij, die zelf wilt tobben, zorgen en uw weg vinden, die daardoor u al dieper voelt wegzinken van de vastigheid, die ge weleer in den Heere Jezus leerdet kennen en smaken : Jezus verwondert Zich over uw ondank en zegt u : Kleingeloovige, waarom zóó gewankeld, gedwaald ?
Hoe beschamend en toch, hoe verwarmend is nog dat stil verwijt! O, 't drijve u uit tot nieuwe verwondering over Zijn Liefde en lankmoedigheid met u, tot die bede, die de discipelen opnieuw aan den Heere Jezus bond, na hun mislukking buiten Hem : Heere, och vermeerder ons toch het geloof!
De Heere Jezus verwondert Zich ook nog over u, lezer, lezeres, die nog immer Zijn genade en liefde versmaad hebt. Hij verwondert er Zich over, hoelang het nog duren zal dat ge uw hart verharden zult, de verzenen tegen de prikkels slaand, al ouder, al kouder ?
Wanneer ge dan niet geleerd hebt u over uw eigen doodstaat te verwonderen, verwonder u dan daarover, dat Eén, die u zoo missen kan, maar dien gij zoo zielsnoodig hebt. Zich over uw lot zóó bewogen toont. De Heere erbarme Zich uwer en leide u van die verwondering over Christus' Liefde tot de verwondering over uw verlorenheid, ondank en ongeloof.
Verwondering is het begin der Wijsheid, In dien weg der verwondering zult ge wijs worden. De Heilige Geest wil het voor verwonderde oogen waar maken: De Liefde van Christus gaat het alles te boven. Zij dat, zij die wijsheid het voorwerp van uw gebed, uw verootmoediging. Ge zult het daarin met steeds groeiende verwondering ervaren : Meer dan Salomo is hier.
 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 augustus 1939

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 augustus 1939

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's