WAT DE PERS TE LEZEN GEEFT
Over de Uitverkiezing.
In „de Gereformeerde Kerk", Hervormd weekblad van de Confessioneele Vereeniging, vonden we dezer dagen een antwoord van wijlen ds. Lingbeek (in „De Vragenbus") over de Uitverkiezing, waarvan we hier een gedeelte overnemen. Het is de stem van den gestorvene, die vooral in „De Vragenbus" zoo dikwijls gesproken heeft over allerlei theologische, dogmatische, kerkelijke, staatkundige vragen, onderwijsaangelegenheden, enz. enz.
De vraag was ongeveer : Droeg Christus aan het kruis de zonden der geheele wereld ? En kan, als Hij alleen maar gestorven is voor de Zijnen, wel een vol Evangelie gepredikt worden op onze kansels ? En het antwoord van ds. Lingbeek luidde :
Antwoord. Onze Kerk leert zeer beslist, dat Christus alléén voor de uitverkorenen Zijn leven heeft gegeven. In het tweede hoofdstuk der Dordtsche leerregels, paragraaf 8, leest ge : „dit is geweest de gansch vrije raad, de genadige wil en het voornemen Gods des Vaders, dat de levendmakende en zaligmakende kracht van den dierbaren dood Zijns Zoons zich uitstrekken zou tot alle uitverkorenen, om die alleen met het rechtvaardigmakend geloof te begaven en door hetzelve onfeilbaar tot de zaligheid te brengen".
En in de verwerpingen der dwalingen, daarna voorkomende in dat hoofdstuk, leest ge een verwerping van de leer van hen, „die leeren, dat Christus door Zijne genoegdoening voor niemand zekerlijk de zaligheid zelve en het geloof, waardoor deze genoegdoening van Christus krachtig toegeëigend wordt, verdiend heeft, maar (dat Hij) alléén voor den Vader verworven heeft de macht om opnieuw met de menschen te handelen en nieuwe voorwaarden, zulks als Hij zou wiUen, voor te schrijven, welker volbrenging aan den vrijen wil van den mensch hangen zou ; en dat het derhalve hadde kunnen geschieden, dat of niemand of alle menschen die zouden vervullen". Dat noemt de belijdenis een oprakeling van de oude Pelagiaansche doling".
Daarom staat in het aangehaalde artikel onder i : „want deze leer strekt tot versmading van de wijsheid des Vaders en van de verdiensten van Jezus Christus ; ze strijdt ook tegen de Schriftuur, want zoo zegt onze Zaligmaker ; „Ik stel mijn leven voor mijne schapen en ken dezelve n". (Joh. 10 VS. 15, 27), en de profeet Jesaja zegt van den Zaligmaker : „Wanneer Zijne ziel zich tot een schuldoffer zal gesteld hebben, zoo zal Hij zaad zien ; Hij zal de dagen verlengen en het welbehagen des Heeren zal door Zijne hand gelukkiglijk voortgaan". (Jesaja 53 : 10).
Genoeg ; dit was het groote strijdpunt tusschen onze oude Gereformeerden en de Remonstranten : de Gereformeerden leerden, dat Christus zichzelven een volk had gekocht en h a d verlost, en dat die gekochten te Zijner tijd, door Zijne genade, ook zeker tot geloof zouden komen, zich bekeeren en '1 het 'einde behoudenis vinden.
De Remonstranten leerden, dat Christus voor niemand de geheele zaligheid had verworven, maar alleen voor alle menschen in zoover de schuM had voldaan, dat hun daardoor nu de mogelijkheid was geopend om behoudenis te vinden.
Tegen die leer hebben onze Vaderen op leven en dood gestreden. En waarom, ? Omdat daardoor ten slotte de geloovige mensch de eer verkreeg van zijne zaligheid. Want indien Christus voor allen, hoofd voor hoofd, ware gestorven, en indien toch sommigen wèl, anderen niet daardoor behoudenis vonden, en indien dat verschil hier aan lag, dat die eenen van de aangeboden gelegenheid een geloovig gebruik maakten, terwijl de anderen evengoed hadden kunnen behouden worden, maar van de gelegenheid geen gebruik verkozen te maken, dan waren die eersten veel uitnemender dan die anderen, en dan zou van hen terecht gezegd kunnen worden : Christus heeft voor hen (evenals voor alle anderen), véél gedaan ; Hij heeft hun zondeschuld gedragen en verzoend, maar zij hebben daar dan ook het hunne bijgevoegd ; zij hebben van die algemeene verzoening gebruik gemaakt ; zij hebben geloofd en zijn daardoor behouden geworden.
Zoo verkreeg Christus de ééne helft van de eer der behoudenis dergenen, die zalig werden. Dat nu ontneemt aan Christus Zijn kroon als den volkomen Zaligmaker, en het geeft aan den verloren zondaar een onverdiende kroon, want het maakt hem, als hij behoudenis vindt, tot een zondaar, die lang niet zoo verloren was als de rest, want die in zichzelf nog den wil en het vermogen had om te gelooven, zich te bekeeren en langs dien weg zalig te worden.
Een gruwelijke verheerlijking van den zondigen mensch.
De Bijbel leert ons anders, want „het is niet desgenen die wil, noch desgenen die loopt, maar des ontfermenden Gods". En alle oprechte geloovigen zullen met Da Costa belijden :
„Zijt Gij, o mijn Heiland, Gij, tot mij gekomen? Hebt Gij gezocht, die naar U niet en vroeg? "
In waarheid, indien wij één streep tot onze zaligheid moesten toebrengen, dan was alle kans verkeken. De Heere Jezus heeft het al gedaan. Hij heeft niet maar de mogelijkheid van een schuldvergeving voor alle menschen verkregen ; neen. Hij heeft de geheele verlossing voor de Zijnen verworven en verkregen ; dus : hun schuld betaald, maar óók de genade van den Heiligen Geest, Die het geloof werkt, voor hen verkregen. Want de Heere doet geen half werk. Het is zooals de Apostel schrijft : Zij zijn „geschapen in Christus Jezus tot goede werken". De Heiland noemt Zichzelf niet alleen de Schuldverzoener, maar óók de levende Wijnstok, waarin levenssap is voor alle ranken, en zonder Welken zij zelf niets kunnen doen, dus óók niet gelooven en zich bekeeren.
Het is dus, zooals de Psalmist zegt : „Het heillot, dat rechtvaardigen verkregen, vloeit af van God".
Tegen deze leer is te allen tijde van allen kant opstand gekomen en ze is voor het vleesch ook aanstootelijk. Een mensch wil van zijn zaligheid althans een stukje in eigen handen hebben, en als hij dat zou moeten prijsgeven, zou hij wanhopig worden en uitroepen : „nu kan ik er heelemaal niets meer aan doen !" Daarom houdt hij het vast met alle kracht en verdedigt het met hand en tand.
Eerst als de Heere God hem er van overtuigt : neen, gij kunt er ook niets aan doen ; gij van uw kant kunt de zaak wel alle dagen erger maken, maar nooit op eenige manier herstellen, dan zal die mensch bereid worden om de geheele zaligheid als een gave om niet te ontvangen, hem, tegen zijn verdienste in, verworven door zijn Zaligmaker.
Bedenk toch, lezer, dat de Heere Jezus het Hoofd van Zijn lichaam genoemd wordt, die zich daartoe vernederd heeft, opdat Hij als overwinnaar, het geheele lichaam verhoogen en verheerlijken zou.
Welnu, die weldaden gelden alleen het lichaam, maar dan ook voor alle leden,
groot en klein, van dat lichaam.
Nu is er echter geen schadelijker ding, dan dat de menschen elk leerstuk los maken uit het verband met de andere stukken, en het stuk op zichzelf gaan nemen. Want dan wordt het daardoor wat anders dan het in het verband met het geheel beteekende. Wij hebben de leer der verkiezing en der bijzondere verzoening, maar we hebben óók evengoed de leer van het genadeverbond, waarin van al de weldaden, die Christus voor de uitverkorenen verkregen heeft, een zichtbaar pand wordt gegeven aan allen, die in het verbond zijn begrepen.
En wat wil dat pand zeggen ?
Wil het zeggen, dat Christus nu voor alle menschen gestorven is ? Neen, want alle menschen omvangen het pand niet. En zelfs zij, die het wèl ontvangen, kunnen in het einde verloren gaan.
Maar wat is dan nog de beteekenis van dat pand ?
Dat God de Heere, Die alleen zalig maakt, maar Die ons Zijn eeuwigen Raad heeft verborgen, aan allen, die in het Verbond zijn ingelijfd, de vrijmoedigheid geeft om, als zij in zichzelf geen enkele reden zouden zien, waarom God hen zou hebben verkoren, te gelooven : de Heere Zelf heeft toch betuigd, dat Hij ook mijn God is en mijn Zaligmaker. En in dien weg wil Hij ons er toe brengen, niet om aan onszelf de eer te geven van ons geloof en van onze zaligheid (verre van dat), maar om zonder redeneeren en zonder in Gods eeuwigen Raad een blik te willen slaan, zich met een kinderlijk geloof te houden aan Zijn genadebelofte.
En dan maakt Hij het waar : „Wie tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen".
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 augustus 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 augustus 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's