De Raad Gods.
Calvijn.
Calvijn.
We wezen er u op in ons vorig artikel, dat Gods kind bij tijden mag leven in het vertrouwen, dat de Heere alles leidt en bestuurt. Dit wordt wel menigmaal aangevochten en bestreden, zoowel van de zijde van satan als van de zijde der goddelooze wereld. Maar die bestrijding zal ook weer ophouden, zegt Calvijn, als zij troost mogen putten uit de wetenschap, dat de duivel en het gansche rot der goddeloozen in alle deelen zoo door de hand Gods wordt betoomd en bedwongen, dat ze niets kunnen ondernemen tegen Gods kinderen, ja zelfs geen vinger kunnen verroeren, als de Heere het niet toelaat. Duivel en wereld worden niet alleen door Zijne boeien vastgehouden, maar ook door des Heeren toom en breidel bedwongen om Hem dienst en gehoorzaamheid te bewijzen.
Want gelijk het des Heeren werk is om hunne razernij te wapenen en te keeren en te sturen, waarheen Hij wil, alzoo komt het ook Hem toe om hun paal en perk te stellen, opdat ze naar hun moedwil niet al te dartel en brooddronken zouden zijn.
Calvijn wijst nu op een voorbeeld in het leven van Paulus. In het tweede hoofdstuk van den eersten brief aan de Thessalonicenzen zegt hij in het 18de vers : Daarom hebben wij tot u willen komen (immers ik, Paulus) eenmaal en andermaal, maar de satan heeft hel ons belet.
Indien hij echter alleen gezegd had dat het beletsel van den satan was voortgekomen, zou het geschenen hebben, dat hij hem al te veel macht toeschreef, alsof satan ook de besluiten en raadslagen van God te niet kon doen. Daarom schrijft hij b.v. aan de gemeente van Corinthe in 1 € or. 16 vs. 7 : Want ik wil u niet zien in 't voorbijgaan, maar ik hoop eenigen tijd bij u te blijven, indien het de Heere zal toelaten.
En hiermee stelt hij niet satan, maar God tot rechter, van wiens toelating al zijn reizen en wegen afhangen. Hoe satan ook raast en werkt, hij kan niets verkrijgen dan hetgeen God hem toestaat.
Voorts wijst Calvijn op David, die het uitspreekt in den Sisten Psalm, dat zijne tijden in Gods hand zijn.
En de profeet Jesaja noemt Rezin en den Koning Israels, die als brandende fakkels het land van Juda in brand wilden steken, slechts rookende vuurbranden.
En uit Ezechiël 29 blijkt het duidelijk, dat ook de koning van Egypte, die zoo machtig scheen, maar een instrument in de hand Gods is : „Zie, ik wil aan u, o Farao, koning van Egypte, dien grooten zeedraak, die in het midden zijner rivier ligt, die daar zegt : Mijne rivier is mijn en ik heb die voor mij gemaakt ; maar Ik zal haken in uwe kaken doen en de visschen uwer rivieren aan uwe schubben doen kleven en Ik zal u uit het midden uwer rivieren optrekken en alle visschen uwer rivieren zullen aan uwe schubben kleven.
Calvijn meent, dat hij nu over de voorzienigheid Gods genoeg gesproken heeft. Alleen acht hij het noodig om nog een paar tegenwerpingen te wederleggen.
We lezen in Genesis 6 vs. 6, dat God berouw heeft gehad, omdat Hij den mensch geschapen had, en in 1 Sam. 5 vs. 11 staat opgeteekend, dat de Heere berouw heeft gehad, omdat Hij Saul tot koning had gemaakt, en in Jeremia 18 vs. 8 staat geschreven, dat het kwaad, hetwelk Hij had voorgenomen over Zijn volk te zenden. Hem berouwen zal, zoodra Hij maar gewaar zal worden dat ze zich eenigszins tot Hem zullen bekeeren.
Ten andere spreekt de Heilige Schrift van schijnbare veranderingen in Zijn besluiten. Hij had aan de Ninevieten door Jona laten aanzeggen, dat Nineveh na verloop van veertig dagen zou vergaan, maar toen de inwoners van Nineveh in zak en asch nederzaten, werd Hij terstond bewogen tot afwending van het oordeel, hetwelk Hij had uitgesproken.
Aan Hiskia was door Jesaja aangekondigd, dat hij weldra zou gaan sterven, maar toch heeft de Heere vijftien jaren aan de levensjaren van Hiskia willen toevoegen.
Uit deze en andere voorbeelden willen velen de conclusie trekken, dat er eigenlijk geen eeuwig onveranderlijk besluit des Heeren is, maar dat God elk jaar, iedere dag en elk uur, dit of dat verordineert, naardat een ieder verdient.
Op deze bedenking antwoordt- Calvijn, dat er in den eigenlijken zin bij God evenmin sprake kan wezen van berouw als van onwetendheid, dwaling en onmacht.
Met recht lezen we dan ook in 1 Sam. 15 VS. 29 : Ook liegt Hij, die de overwinning Israels is, niet, en het berouwt Hem niet, want Hij is geen mensch, dat Hem iets berouwen zoude.
Het is wel opmerkelijk, dat in het zelfde hoofdstuk uit het boek Samuel, in het 11de vers gezegd wordt, dat God berouw had, terwijl in het 29ste vers gezegd wordt, dat er bij God geen sprake kan wezen van berouw.
Zelfs de vijanden van God hebben het laatste tegen hun wil moeten beamen. Lees slechts wat Bileam heeft getuigd in Numeri 23 VS. 19 : „God is geen man, dat Hij liegen zoude, noch eens menschen kind, dat het Hem berouwen zoude ; zoude Hij het zeggen en niet doen, of spreken en niet bestendig maken ? "
Calvijn zegt er met recht van, dat op menschelijke wijze in de Schrift aan God berouw wordt toegekend.
Vanwege de zwakheid van het menschelijke verstand kan de mensch de goddelijke hoogheid niet bereiken. Nu moet de beschrijving van de natuur van God wel naar ons begrip gematigd worden, opdat ze door de menschen kan verstaan worden. Daarom laat God zich zoo in Zijn Woord beschrijven, zooals Hij van ons gevoeld en vernomen wordt.
Hoewel Hij door geen hartstochten wordt beroerd, zoo getuigt Hij toch, dat Hij tegen de zondaars verbolgen is.
Als we uit de Schrift hooren, dat God vertoornd is, dan moeten we onszelf niet verbeelden, dat er eenige beweging of ontsteltenis in God is, maar veelmeer bedenken, dat deze manier van spreken aan ons menschelijk zieleleven ontleend is.
Neen, Gods Raad en Wil wordt nooit omgekeerd en Zijne gezindheid verandert nimmer. Hetgeen Hij van eeuwigheid af voorzien en besloten had, dat volvoert Hij immer, alhoewel het in de oogen der menschenkinderen een schielijke verandering schijnt te wezen. Nu ziet Calvijn de tweede tegenwerping onder de oogen, n.l. de verandering in Zijn besluiten.
Hiskia's leven wordt met vijftien jaar verlengd, terwijl hem eerst de dood was aangekondigd. Maar men vergist zich danig, als men meent, dat hiermede de voorverordineeringen en besluiten Gods zouden zijn afgeschaft.
Waarom Iaat God aan Nineveh den ondergang en aan Hiskia den dood aanzeggen door Zijne knechten, de profeten ? De Heere had Nineveh kunnen verderven en Hiskia kunnen wegnemen, zonder het hun aan te zeggen. Neen, Hij heeft juist niet gewild, dat ze zouden omkomen, maar dat ze zich zouden beteren, opdat ze het verderf zouden ontvlieden.
Jona kondigt het oordeel aan Nineveh, juist opdat de stad zou behouden worden. Dat aan Hiskia de hoop op een langer leven ontnomen werd, is juist geschied, opdat hij nog langer gespaard zou worden.
Wie moet nu niet erkennen — zoo vraagt Calvijn — dat de Heere juist door zoodanige dreigementen tot bekeering heeft willen leiden?
Hezelfde blijkt uit een ander voorbeeld, n.l. dat van Abimelech, toen deze Abrams huisvrouw tot zich genomen had. Dan zegt de Heere tot hem : Ziet, gij zijt dood, om de vrouw, die gij hebt weggenomen, want ze is met een man getrouwd.
Dan begint Abimelech zich te verontschuldigen, en roept het uit : Heere, zult gij ook een rechtvaardig volk dooden ? Heeft hij zelf mij niet gezegd : : Zij is mijne zuster ? en ook heeft zij gezegd : Hij is mijn broeder. In oprechtheid mijns harten en in reinheid mijner handen heb ik dit gedaan.
En na deze verontschuldiging van Abimelech spreekt de Heere : Zoo geef dezes mans huisvrouw weder, want hij is een profeet en hij zal u voor u bidden, opdat gij leeft ; maar zoo gij ze niet wederom geeft, weet, dat gij voorzeker sterven zult, gij en al wat het uwe is.
Ziet ge nu wel — zegt Calvijn — dat God door de eerste uitspraak des konings gemoed heftig heeft willen verschrikken om hem op te wekken tot bekeering.
Men ziet dus, zoo besluit Calvijn, dat de Heere door het aankondigen van straf tot boetvaardigheid vermaant degenen, die Hij verschoonen en sparen wil. Juist zóó baant Hij een open weg voor Zijn eeuwig besluit en verordineering.
Het woord van Jesaja zal waar blijven : Want de Heere der heirscharen heeft het in Zijn raad besloten : wie zal het dan breken ? En Zijn hand is uitgestrekt : wie zal ze dan keeren ?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 augustus 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 augustus 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's