De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

6 minuten leestijd

DE LANDSVERDEDIGING (3)
Vallen er alzoo tegen het stelsel van den Minister van Defensie, dat van het denkbeeld uitgaat om de eerste oef en tijd onder normale omstandigheden niet te verlengen en dus af te zien van het vergrooten van de legersterkte in vredestijd, heel wat bezwaren in te brengen, toch heeft het systeem van den Minister één lichtzijde.
Minister Van Dijk is een voorzichtig man. Deze bewindsman zal niet spoedig vaststellen, dat de normale omstandigheden weer zijn ingetreden ; en zoolang dit niet gebeurt, blijven de lichtingen twee jaren onder de wapenen, zoodat dan op voldoende wijze in de grensen kustbeveiliging zal zijn voorzien.
Doch bestaat de zekerheid, dat ook opvolgende Kabinetten van éénzelfde gevoelen zullen zijn als de tegenwoordige Minister van Defensie en uit hoofde van allerlei overwegingen, sociale, financieele en andere, de machtiging aan de Kroon, om den eersten oefentijd te verlengen, niet tot een doode letter zullen maken ?
Daarin schuilt een groot gevaar.
En zoó de zaak bezien, zal aan de verlenging van den eersten oefentijd tot twee jaar, niet die beteekenis zijn te hechten, die anders aan den maatregel zou kunnen worden toegekend.
Staat het nu intusschen zoo goed als vast, dat onder het regiem van den tegenwoordigen Minister van Defensie, om door het blijvend verlengen van den eersten oefentijd de vredessterkte van het leger te vergrooten, dan rijst de vraag — en daarmede komen wij tot het 2de punt : de keuze van het stelsel — of die grootere vredessterkte moet worden verkregen door verlenging van den eersten oefentijd, dan wel door uitbreiding van het contingent.
Nu is de verlenging van den eersten oefentijd niet zonder bedenking. Daaraan kleven vele bezwaren.
Een eerste bezwaar is, dat bij verlenging van den eersten oefentijd tot twee jaar, de persoonlijke last, die de verlenging op de schouders van de ingelijfden legt, voor dezen onevenredig zwaar drukt. De goede geest onder de troepen zal onder zulk een maatregel ernstige schade lijden. Het eene deel der mannelijke bevolking wordt in gelijfd, terwijl het andere deel vrij uitgaat. Het gevolg daarvan zal zijn, en dit is een tweede bezwaar, dat zij, die niet dienen, zich een werkkring; kunnen verzekeren, terwijl dit bij hen, die dienstplichtig zijn, niet het geval is. De dienstplichtige staat alzoo bij den niet-dienstplichtige ten achter, wat van nog grootere beteekenis zal worden, zoo de eerste oefentijd tot twee jaar wordt verlengd.
werkgevers zullen zich er voor wachten om iemand, die dienstplichtig is, in het bedrijf op te nemen.
Daarover schreef nog onlangs „De Nederlandsche Werkgever" in de volgende woorden :
„In een interview met „Het Vaderland", heeft de secretaris van ons verbond, mr. B. C. Slotemaker, hierover (over de moeilijkheden, waarin het bedrijfsleven door de verhooging van den eersten oefentijd komt te verkeeren) een en ander gezegd. Hij wees er op, dat reeds de verlenging van den eersten oefentijd van 5'/^ tot 11 maanden voor het bedrijfsleven bezwaren heeft opgeleverd. De moeilijkheid zit voor een groot deel in het feit, dat degenen, die opgeroepen worden voor de vervulling van hun dienstplicht, juist de jongelui zijn, die nog in opleiding zijn of deze opleiding juist voltooid hebben. Juist in die periode raakt de werkgever ze dan voor een jaar kwijt, waardoor een deel van het resultaat van de opleiding verloren gaat. Bij een verlenging tot maximaal twee jaar wordt deze moeilijkheid natuurlijk nog belangrijk vergroot. Deze kant van het vraagstuk moet zeker niet verwaarloosd worden. Daarbij komt dan nog, dat, indien jongelieden van 19 a 20 jaar, twee jaren lang aan hun opleiding worden onttrokken, zij in dien tijd zooveel verleerd zijn, dat, wanneer zij in het bedrijfsleven terugkeeren, een grondige herhaling van hun opleiding noodzakelijk is. Hier komt bij, dat, wanneer arbeiders, die in opleiding waren, worden opgeroepen en na twee jaar als werkkrachten, die opnieuw moeten worden ingewerkt, terugkeeren, deze personen inmiddels op een leeftijd zijn gekomen, waarop zij zich volwaardig voelen, ofschoon zij geen volslagen bruikbare arbeidskrachten zijn".
Ook voor den dienstplichtige zelf is er aan de zaak nog een onaangename kant, wijl hij niet weet, waaraan hij toe is, zoowel met betrekking tot zijn studie, als ten aanzien van de plaats, die hij in bet bedrijfsleven inneemt. Zal hij 11 of 24 maanden moeten dienen ? Hij weet het van te voren niet. Zoo wordt een onzekerheid voor de betrokkenen in het leven geroepen.
Een derde bezwaar, waarop wij nog willen wijzen, loopt over het verblijf onder de wapenen van de dienstplichtigen, die langer dan 11 maanden zullen moeten dienen.
Daarover maakte de Nieuwe Rotterdamsche Courant van 12 Mei deze juiste opmerking :
„dat wij in beginsel den duur der eersle opkomst tot het strikt noodzakelijke willen beperken, opdat de soldaat niet langer dan om redenen van landsbelang noodzakelijk is, zal gevoelen, dat zijn eigenlijke oefening reeds voltooid is. Een te langdurige eerste oefentijd moet onvoorwaardelijk leiden tot 't onnoodig rekken van oefenprogramma's, het vervallen in herhalingen en het bezighouden van den troep met alle daaraan onverbrekelijk verbonden bezwaren van rondhangen, malengeren en verslapping van de tucht.
De Nederlander is een uitstekend soldaat, tot hij op een gegeven oogenblik „het wel gelooft" en zienderoogen achteruit gaat. Onze ervaring is, dat eigenlijk een , eerste oefentijd van 11 maanden, zooals wij dien thans hebben, lang genoeg is om den man te leeren wat hij moet kennen".
Inderdaad, dit is zoo. Het onder de wapenen houden van personen, die uit hun bedrijf of studie gehaald werden, zonder dat zij daarvan de noodzakelijkheid gevoelen, leidt tot slechte verhoudingen bij de onderdeden van het leger, waartoe deze menschen behooren.
De verlenging van den eersten oef en tijd komt dan de weermacht niet ten goede, maar is voor haar in hooge mate nadeelig.
Daarom behoort bij het doen van een keuze ten aanzien van het stelsel, dat moet gevolgd worden, om tot een vergrooting van de vredessterkte van het leger te geraken, niet het oog worden geslagen op de verlenging van 'den eersten oefentijd, maar op de vergrooting van het contingent.
Deze laatste maatregel verdient al dadelijk hierom de voorkeur boven de eerste, omdat hij in de wet zelve de voorzieningen vastlegt voor de grootere vredessterkte, wat bij een machtiging van de Kroon, om de eerste oefentijd tot twee jaar te verlengen, niet het geval is. (Wordt vervolgd.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 augustus 1939

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 augustus 1939

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's