KERKELIJKE RONDSCHOUW
De Reorganisatie-Voorstellen van de hand gewezen (1)
Men kent de situatie. Aan de Synodale Commissie was opgedragen in samenwerking met de zes Kerkelijke Hoogleer aren, het Reorganisatie-Ontwerp 1938 nog eens onder handen te nemen. Dit is gebeurd, maar voorspoedig is alles niet gegaan. Ten slotte is er niet één, maar zijn er drie Voorstellen in de Synode gekomen ; misschien zou men zelfs kunnen spreken van vier, want prof. de Vrijer schijnt, in afwijking van zijn collega's, nog met een afzonderlijke nota te zijn gekomen.
De vier Voorstellen waren : 1. van de Hoogleeraren ; (2. van prof. de Vrijer) ; 3. van ds. K. H. E. Gravemeijer (lid van de Syn. Commissie) en 4. van dr. G. Oorthuys (lid van de Synode).
Het Voorstel van de Hoogleeraren kon heelemaal geen genade vinden in de oogen van de leden van de Synode, want er waren maar liefst 17 stemmen tegen, en slechts 2 stemmen vóór.
Het Voorstel van dr. Oorthuys werd verworpen met 12 st. tegen en 7 st. vóór.
Het Voorstel van ds. Gravemeijer (een voorstel van „Groote Synode") werd verworpen met de bekende en fatale stemverhouding : 10 stemmen tegen en 9 stemmen vóór.
Het Voorstel van dr. Oorttiuys kan als volgt omschreven worden :
Dr. Oorthuys stelde voor eene reorganisatie-commissie te benoemen, die tot taak heeft, rekening houdend met het historisch gewordene, uitgaande van het rapport der zes hoogleeraren en, acht gevend op de beschouwingen, geuit in den brief van prof. dr. M. J. A. de Vrijer, een Kerkorde te ontwerpen, die in overeenstemming is met het wezen der Nederlandsche Hervormde Kerk, gelijk dit ligt uitgedrukt in de Drie Formulieren van Eenigheid en in de Dienstboeken der Kerk ; en dit ontwerp in te dienen in de Synode van 1940.
Van het Voorstel van ds. Gravemeijer lezen we in het verslag :
Volgens ds. Gravemeijer kan worden gezegd, dat de huidige organisatie aan de Kerk de bevoegdheid ontzegt iets ten aanzien van de Belijdenis te doen. Zij wijst in art. 11 Algemeen Reglement immers uitdrukkelijk op de handhaving der leer. Maar de organisatie van thans geeft hiertoe geen middelen en wegen aan, terwijl ook de mogelijkheid van beroep op Gods Woord ontbreekt. Het ging den vaders der reorganisatiebeweging — zoo gaat hij voort — ook inderdaad niet in de eerste plaats om chirurgie, maar om therapie.
Het ging dr. Hoedemaker juist niet om uitzetten. Hij heeft ernstig gewaarschuwd, dat een centrumpartij de uitersten van links en van rechts zou afsnijden.
Om menschenzielen te behouden, heeft Christus dwalingen verworpen. Dan gaat 't niet om gewelddadige uitdrijving van bepaalde groepen, maar om tucht van- Gods Woord, waardoor wij tezamen moeten worden terecht gebracht. Dit sluit echter gelijkstelling van allerlei menschelijke meeningen uit. Anderer en ook onze meeningen moeten worden gebracht onder de tucht van Gods Woord.
Daar ligt in opgesloten, dat de nood der Kerk niet allereerst is de organisatie, waaronder wij leven, maar de nood der prediking.
Met het aanvaarden van het ontwerp „Groote Synode" zou, gezien den tegenwoordigen toestand der prediking en der Kerk, een eerste stap worden gezet, om te komen tot losmaking van de strakke bestuursbanden, waarin de Kerk gebonden ligt.
In de Voorstellen der Hoogleeraren lezen we in het verslag der Synode :
De commissie ad hoc stelt aan de Synodale Commissie voor :
dat deze zich wende tot de Algemeene Synode met het verzoek, een zoodanige wijziging van reglementen voor te bereiden of te doen voorbereiden, dat de organisatie der Kerk in haar geheel, d.w.z. van de Kerkeraden af tot de Algemeene Synode toe, op bevredigende wijze worde geregeld. Bij „bevredigend" wordt 'gedacht aan velerlei, en daaronder niet in de laatste plaats aan een zoodanige regeling, dat de Kerk kan voldoen aan haar roeping om niet, zooals art. 11 Algem. Reglement het uitdrukt, „hare leer te handhaven", d.w.z. deze buiten functie en onveranderd te laten, zonder mogelijkheid van beroep, persoonlijk en ambtelijk, op het Woord van God, doch veeleer om de zorg voor de belijdenis der Kerk te behartigen in dien zin, dat de belijdenis der Kerk, zooals deze in hare belijdenisschriften is uitgedrukt, slechts kan worden gehandhaafd onder voorbehoud van bovengenoemd beroep. Daarbij zouden ook in de plaats van vaste besturen vergaderingen van ambtsdragers moeten komen.
Zoo zoude, volgens het gevoelen van de commissie ad hoc, vóór alles de Algemeene Synode zich moeten uitspreken over de algemeene, praealabl'e vraag, wat zij ten aanzien van de reorganisatie noodig en oirbaar acht, c.q. of zij volgens de bovengenoemde richtlijnen een wijziging van de reglementen wil voorbereiden.
Hierbij zou dus vóór alles een betere organisatie der Kerk worden voorbereid, zonder vooruit te grijpen op hetgeen de Kerk, eenmaal onder de nieuwe organisatie levend en zich kerkelijk beradend, t.a. van den inhoud van hare belijdenis zou besluiten. Het zou er ten slotte om gaan voor de Kerk opening te maken om als Kerk beter te functionneeren en hare roeping, als belijdende Kerk, naar buiten beter te vervullen.
(Slot volgt.)
DE KINDERDOOP VERBOND EN DOOP (15)
„De doop vermaant en verplicht tot nieuwe gehoorzaamheid" ; waarbij de geloovigen worden geroepen tot een wandel van de verloste kinderen Gods, die hun sterkte vinden in Gods genadeverbond, dat onwankelbaar vaststaat in Christus Jezus. Die geestelijke zegeningen in Christus moeten als een regen der genade uit den hemel telkens nederdalen over degenen, die God liefhebben tot vertroosting, blijdschap en sterkte.
En dat — zegt Wormser — ontbreekt helaas !; maar al te veel, omdat men wel met het subject bezig is, het onderwerp, dat is dus met den mensch, maar men leeft niet uit het voorwerp, uit Gods genadeverbond, dankende den God en Vader van onzen Heere Jezus Christus.
En zoo komt het, dat velen niet terecht weten met „die nieuwe gehoorzaamheid" en er allerlei wetten, geboden en inzettingen van gaan maken, om die met angstige nauwgezetheid te vervullen, missende de blijdschap van de liefdedienst Gods. „Hoevelen zijn er" — aldus Wormser — „die de woorden : wet, gebod, verbod, plicht, gehoorzaamheid, niet verdragen kunnen en ze althans niet met de verlossing en zaligheid willen in verband gebracht zien", (blz. 46)
„De Vaderen waren voor die woorden zoo schuw niet. Omdat zij het eerste deel van het Verbond krachtig en ten volle erkenden, waren zij voor het tweede niet bevreesd. Die de afwassching hunner zonden door Jezus Christus waarlijk gelooven, behoeven niet beangst te zijn voor de Wet. Het wordt van de ongeloovigen gezegd, dat „het bedenken des vleesches vijandschap is tegen God". En waarom? „Want het onderwerpt zich aan de Wet Gods niet ; want het kan ook niet". (Rom. 8:7).
Het is juist de aard van het geloof : zich aan de wet van God te onderwerpen ; en de woorden wet, gebod, plicht, gehoorzaamheid, zijn den geloovige, staande in de vrijheid der verlossing van Christus, en niet meer in het werk-, maar in het genadeverbond, bij uitstek liefelijke woorden geworden. Het geloof toch bereikt zijn toppunt in het doen, waardoor uitgedrukt wordt wat de geloovige door de genade geworden is ; het nieuwe wezen, dat hij heeft ontvangen".
„Een nieuwe gehoorzaamheid — voortspruitende uit het eeuwig verbond der genade, waarin wij met God staan. Niet de oude gehoorzaamheid, die het gevolg was van het werkverbond, en welke in een voortdurende ongehoorzaamheid bestond, omdat de gevallen mensch zich niet meer aan de wet van God onderwierp of onderwerpen kon. Niet de gehoorzaamheid van het werkverbond, dat altoos tot gehoorzaamheid aandrijvende, echter, vermits het door den mensch verbroken* was, tot uitkomst niets had den den dood, en daarom den mensch als een slaaf in gedurige vrees en dienstbaarheid hield, zonder dat hij door al zijn pogen kon ophouden slaaf te zijn, of er in slagen kon den dood te ontgaan". „Een nieuwe gehoorzaamheid, omdat God ons in den doop betuigt en verzegelt, dat Hij ons tot Zijne kinderen en erfgenamen aanneemt.
Een nieuwe gehoorzaamheid, , die aanvangt en ontspringt, bij ouden en bij jongen, uit het leven der opstanding van Christus, nadat Hij in onze plaats en voor onze zonden Zich had overgegeven in den dood. Een nieuwe gehoorzaamheid, die ontstaat, wanneer wij den Heiligen Geest in ons laten werken (Catechismus vr. 103) „om ons toe te eigenen hetgeen wij in Christus hebben, namelijk de afwassching onzer zonden en de dagelijksche vernieuwing onzes levens".
Alzoo staat de gedoopte, die zijn doop erkent en waardeert, op een nieuwen, op een geestelijken grondslag. Het oude is voorbijgegaan, zie, het is alles nieuw geworden. Van het werkverbond ziet hij af ; zijn oude mensch gaat in den dood. Hij staat in het genadeverbond ; hij doet den nieuwen mensch aan. Hij leeft voor God ; doch niet uit Adam, maar uit Christus ; niet uit de natuur, maar uit den Heiligen Geest".
Niets wordt van de doopelingen begeerd, dat zij zullen meebrengen, dan dat zij zullen mogen gelooven de beloften des Evangelies, om dan uit den doop te mogen leven. Schuldig en ellendig in zichzelven, mogen zij dan gelooven en belijden in een eeuwig verbond der genade met den Vader en den Zoon en den Heiligen Geest te staan, om te ontvangen vergeving, verlossing en heiliging, in Christus Jezus. Wat zij in Christus hebben, komt de Heilige Geest hun dan toepassen in de toeëigening. En zoo wordt er niets van hen verlangd, dan dat zij begeeren van genade te leven ; dat zij verlangen vergeving, verlossing en heiliging van den Vader, den Zoon en den Heiligen Geest te ontvangen. En wat velen ons dan willen terughouden met zoo angstvallige voorzichtigheid, wordt ons in het genadeverbond verzegeld, om er ons geheel en al aan over te geven en ons daarin te verdiepen. Zoo men omtrent vergeving, verlossing en genade karig is, is nieuwe gehoorzaamheid volstrekt onmogelijk. Nieuwe gehoorzaamheid ontspruit alleen uit de volle overgave van zichzelven in de verlossing, zooals die bestaat in vergeving en heiliging. Dan zullen we ook vrij leeren roemen in de verlossing van schuld, maar dan óók in de verlossing van zonde ; want Christus verwierf niet alleen vergeving, maar óók heiliging.
Zoo komen we tot den eisch van het genadeverbond in een weg van nieuwe gehoorzaamheid : „namelijk, dat wij dezen eenigen God : Vader, Zoon en Heiligen Geest, aanhangen, betrouwen en liefhebben van ganscher harte, van ganscher ziele, van ganschen gemoede en met alle krachten ; de wereld verlaten, onze oude natuur dooden en in een nieuw, godzalig leven wandelen".
Maar dit geloof, rakende den inhoud van onzen doop, is dikwijls zwak en werkeloos ; de vergeving en verlossing verdwijnen somtijds uit onze schatting ; alsdan herneemt de oude natuur, ontdaan van haar tegenwicht, nieuwe kracht, en — de zonde ligt aan de deur. Doch ook dan, zegt ons Doopsformulier, als wij uit zwakheid somtijds in zonden vallen, moeten wij aan Gods genade niet vertwijfelen, noch in de zonde blijven liggen" (alsof er geen vergeving bij God ware) „overmits de doop een zegel en ongetwijfeld getuigenis is, dat wij een eeuwig verbond der genade met God hebben".
Zij, die het geloof in de verlossing, vergeving en genade niet vrij en onbeperkt durven verkondigen, hebben geen enkelen grond tot het doen van eenige vermaning aan goddeloozen of gevallenen. Zij moeten hen in hun vertwijfeling en in hun zonden laten liggen ; want om zondaren tot heiligheid te leiden, is vergeving noodig, die haar grond heeft in de verlossing door Christus, (blz. 49)
(Wordt voortgezet.)
DE ZONDAG EEN DAG VAN RUST!
Mac Donald, toenmaals Engelsch Premier, heeft in het jaar 1924 voor den Raad der Vrije Kerken in zijn land een redevoering gehouden, waarin hij het pleit voerde voor den ouderwetschen Schotschen Zondag.
„Wij zijn thans" — zoo zei hij — „overladen met ontspanning. Wij zijn onbekwaam om den Zondag goed door te brengen. Ik ben verbaasd, dat zoovelen van mijn vrienden den ouden Schotschen Zondag een last vinden. Ik zou willen, dat in onze samenleving iedere man en iedere vrouw den ouden Schotschen Zondag boven den nieuwen Franschen Zondag stelde"
„Overladen met ontspanning" — we kunnen het Mac Donald in onzen tijd nog volmondig nazeggen — aldus het Comité voor Zondagsrust van de Christelijke organisaties in publieken en semie-publieken dienst in Nederland.
„Wie het leven in onze groote steden na gaat, zal het moeten toestemmen, dat hel allerminst in onzen gejaagden, rusteloozen tijd ontbreekt aan ontspanning op allerlei terrein.
Deze zucht naar genot heeft al reeds voor de werkdagen haar schaduwzijden. Maar ze wordt bedenkelijk, als op den Zondag de ontspanning wordt aangeboden in een overloopende maat.
En het is al even bedenkelijk, dat het „uilgaande publiek" maar al te gretig zich werpt op deze ontspanningsmogelijkheden. Want 't kan niet anders of deze overlading schaadt. Ze brengt schade voor het zieleleven, want ze verwijdert van God en Zijn dienst. Ze brengt óók schade voor den dagelijkschen arbeid en als gevolg daarvan voor het geheele maatschappelijke leven.
Immers Gods gebod wordt niet straffeloos overtreden. De rust van den, Zondag wordt door deze overlading omgezet in onrust. Onrust-in het eigen persoonlijk leven, dat steeds om nieuwe prikkels vraagt, onrust in hel gezinsleven, onrust van binnen en van buiten, onrust van menigeen, die door het egoïstisch zoeken naar genot genoodzaakt wordt tot vaak harden arbeid op den Zondag.
Waarlijk, in dat opzicht kunnen we niet roemen, dat de tijden er beter op geworden zijn.
De verzuchting van den Engelschen premier in het jaar 1924, blijft in 1939 nog haar volle beteekenis behouden. „Terug tot den rustdag" zij dan ook de onverzwakie roep van allen, die nog vasthouden aan den Christelijken Zondag.
Moge het eigen voorbeeld daartoe allereerst opwekken.
Maar daarnaast — aldus schrijft bovengenoemd Comité voor Zondagsrust — steune ons Christelijk volksdeel en voorts ieder die op het handhaven van den Zondag als „rustdag" nog prijs stelt, alles wat gedaan wordt om de Zondagsrust in Nederland te bevorderen. Opdat de Zondag weer meer en meer worde de dag des Heeren, een dag van rust". Wij nemen dit woord van het Comité voor Zondagsrust, van de Christelijke Organisaties uitgaande, hier gaarne over.
„Opdat de Zondag weer meer en meer worde de 'dag des Heeren, een dag van rust"
DE PREDIKING DES WOORDS IS MET GEZAG BEKLEED.
Hoe dikwijls wordt het niet door vrijzinnigen gezegd en geschreven aan het adres van de rechtzinnigen : Gij zegt wel, dat het gaat om Gods Woord, maar in feite gaat het dan bij u om uw eigen meening, die ge hebt omtrent den Bijbel. Het gaat om een bepaalde uitlegging van zekere Schriftuurplaatsen ; en die eigen meening en eigen uitlegging wordt dan gegeven als „het Schriftwoord".
Hier zit inderdaad een groote moeilijkheid. Want komt het wel niet eens voor, dat deze of gene komt met een „eigen" kijk, een „eigen" inzicht, een „eigen" opvatting, een „eigen" verklaring en een „eigen" uitlegging ? Wie zal het durven ontkennen ?
En toch staan de zaken zóó, dat het ons niet te doen is — en niet te doen mag zijn -- om een „eigen" meening en „eigen" uitlegging, maar dat het ons eerlijk te doen is — en te doen moet zijn — om wat de Schrift zelve zegt en leert. Waarom ook vanouds bij de Gereformeerden de oude, beproefde regel is geweest : Schrift moet met Schrift vergeleken worden ; en de meer duistere en moeilijke plaatsen, die zwaar zijn om te verstaan, moeten vergeleken worden met de plaatsen, die helderder en duidelijker zijn ; waarbij de Schrift nooit zichzelf tegenspreekt !
Onze leer, onze prediking, moet aan de Schrift zelve ontleend zijn.
En wanneer men ons verwijt, dat wij er een „eigen" meening en „eigen" uitlegging op na houden, moet men dat — Schrift met Schrift vergelijkend — uit de Schriften aantoonen. Die uitlegt en die tegenspreekt, moeten beide één en dezelfde bron en autoriteit erkennen, en wel : de Heilige Schrift. De Schrift zelve moet ons bewijs zijn. Prof. Grosheide schrijft in dat verband in N.-Hollandsch Kerkblad : „Hebben wij hel zelfgetuigenis van de Schrift verkeerd verstaan, men toone dat aan en wij zullen daarvan gaarne kennis nemen. Wij zijn van te voren bereid ons te laten overtuigen, indien men bewijst, dat wij, wat de Schrift van zichzelf zegt, verkeerd hebben begrepen of onder woorden gebracht".
Ons dunkt, daaraan moesten voor- en tegenstanders zich méér houden.
De Schriften zijn onze rechters. De Schriften zullen moeten beslissen.
En natuurlijk kan de uitlegging verkeerd zijn. Schriftverklaren blijft menschenwerk. En al hebben wij de belofte, dat de H. Geest de Kerk in alle waarheid leiden zal, die belofte houdt niet in : onfeilbaarheid.
De Roomsche Kerk heeft in den Paus, wanneer hij op de heilige Stoel zit, zoo'n onfeilbare macht inzake de waarheid, ook inzake de verklaring en uitlegging. Maar dat heeft het Gereformeerd Protestantisme altijd afgewezen. Alle menschen zijn leugenachtig ; alleen God is waarachtig en Zijn Woord is de waarheid !
En zoo is het dan ook juist, dat niet ónze uitlegging en verklaring autoriteit heeft (die Roomsche hoogste autoriteit erkennen wij niet en begeeren wij niet).
Maar nóg eens : de onjuistheid van de uitlegging en verklaring bij ons, moet dan aangetoond worden uit de Schriften.
Men is niet klaar, door te beschuldigen : Gij vraagt gezag voor uw uitlegging, en dat recht komt u niet toe.
Zoo iets zegt in het algemeen niets.
Wij moeten de dingen concreet nemen — aldus prof. Grosheide verder —, zooals zij zich in de practijk voordoen. En dan is het natuurlijk mogelijk, dat een bepaalde uitleg ging van een bepaalde Schriftuurplaats onjuist is. Maar, alweer, dat moet dan worden aangetoond uit de Schriften zelve.
Bovendien hebben we de belijdenisschriften der Kerk-; die zeer zeker niet boven Gods Woord staan ; maar waarin wel uitkomt, dat de Kerk in den loop der eeuwen zóó de Schriften heeft gelezen en zóó het Woord Gods heeft verkondigd, uitgelegd, verklaard, en nader heeft omschreven.
Willen we dus weten hoe de Gereformeerde Kerk, de Kerk der Reformatie, de Schriften gelezen heeft, de Schriften onderzoekend naar het bevel van den Heiland, dan moeten we de Drie Formulieren van Eenigheid opslaan en lezen. Dat is onze gemeenschappelijke uitlegging, als we lid van de Kerk zijn, waarbij wel uitkomt, dat de Heilige Geest woning komt maken in de Gemeente des Heeren, om haar te leiden in alle waarheid. Wat machtig, heerlijk, helder getuigenis hebben we in de taal van de Kerk van alle eeuwen in de Twaalf Geloofsartikelen of Apostolische Geloofsbelijdenis ; in de Confessie van Nicea en in de belijdenis van Athanasius (zooals deze behooren te staan in alle kerkboeken !) En dan bovendien hebben we als Kerken der Reformatie in Nederland : de Nederlandsche Geloofsbelijdenis, de Heidelbergsche Catechismus en de Vijf Leerregels van Dordt tegen de Remonstranten !
Neen, wij staan in onze Schriftbeschouwing, in onze Schriftverklaring en uitlegging, in onze prediking en bediening des Woords, gelijk ook bij de Sacramentsbediening, niet als een eenling, of als een zonderling, alles maar „origineel" en „op eigen houtje" doende. Wij behooren bij die groote gemeenschap, wij voelen ons verwante zielen met de Kerk van zooveel eeuwen.
En daarom, als onze uitlegging, de uitlegging van een „zonderling" is, dan heeft men recht ons aan te vallen en ons onze „zonderlingheid" te verwijten. Maar als wij in goede orde met al de gemeenten der heiligen leven (1 Cor. 14 vs. 33b), dan moet men ons met de Schriften aantoonen, dat wij — en anderen — fout gaan ; en dat wij — en anderen — gezag vragen voor onze eigen, particuliere en verkeerde meening en opvatting en uitlegging en verklaring.
Want om in 't algemeen dat te zeggen en te blijven zeggen : „Gij eischt gezag niet voor de Schrift maar voor uw uitlegging van de Schrift", zegt niets. Dat zijn en blijven groote woorden. En uit die nietszeggende redeneering moeten we nu eens bevrijd worden.
Hierbij komt de laatste jaren van zekere zijde nog een andersoortige redeneering, die het dan over hetzelfde onderwerp heeft. Dat is ongeveer deze redeneering : „gij, mensch, die komt met uw uitlegging en verklaring van het Woord, gij kunt niet anders dan het Woord in den weg staan en verduisteren en bederven". En men wil dan ook wel dézen kant uit : „dat het niet gaat om wat wij bederven inzake het Woord, maar dat het gaat om wat God tot ons spreekt op een bepaald oogenblik, dat dan als het echte Woord Gods tot ons komt in de ziel".
Wat lijkt dat mooi ! Het gaat dan om het levende, sprekende Woord, dat op een bepaald oogenblik tot ons komt.
Maar bemerkt gij het niet, dat dan het beschreven Woord van God, dat dan de Heilige Schrift, dat dan de Bijbel het weer afleggen moet ? Die Bijbel is dan eigenlijk maar een dood, onbenullig, nietszeggend boek. En het z. g. n. levende, sprekende Woord Gods, dat op een bepaald oogenblik tot ons komt en in onze ziel valt, is het een en.het al ! Men wil dan z.g.n. zorgvuldig waken tegen „het vermengen van het Goddelijke en het menschelijke woord", om het alleen te verwachten van het echte, zuivere, sprekende Woord, dat uit den hemel rechtstreeks in ons hart valt. Maar het is duidelijk, dat het beschreven Woord van God, dat we juist moeten hebben, het loodje moet leggen en eigenlijk op non-activiteit komt te staan.
Iets, wat de Anabaptisten of de Wederdoopers in de dagen van Luther en Calvijn óók wilden. Men leefde bij „het inwendig licht" (lumen internum) en verachtte de Schriften, het ambt, de Kerk, enz. „Vrije vroomheid" lijkt zoo mooi. Maar het is de ongebondenheid zelve !
Alle gezag van de prediking als bediening des Woords is dan wég !
En als men nu eens Schrift met Schrift wilde gaan vergelijken, dan zou men zien, dat het voor de Kerk des Heeren en voor al de geloovigen gaat om : „onderzoekt de Schriften". Terwijl de opdracht aan de Gemeente is, dat haar herders en leeraars het Woord zullen prediken, de Schriften zullen verklaren, het Woord Gods zullen brengen, en dat de Gemeente daaraan dan gebonden is. De Heere geeft in Zijn Woord de opdracht om Zijn Woord te prediken, en Hij wil daar gezag aan verbinden.
Natuurlijk moeten we ook hier weer voorzichtig zijn. Alleen die goed onderscheidt, kan goed onderrichten. Want we moeten niet gaan zeggen, dat de predikers van vandaag precies dezelfde menschen zijn en dezelfde macht; hebben, als de Apostelen en de Profeten in den beginne. We weten beter ! Alles was toen zoo echt „bijzonder", zoo echt „zeldzaam", en zoo „éénmalig". Die Apostelen hadden een bijzondere 'roeping en een bijzondere macht. Door hen sprak God de Heilige Geest.
Zóó geschiedt het thans niet meer.
En toch lezen we in de Heilige Schrift dat Jezus Christus aan Zijn dienaren, de herders en leeraars, die gebonden zijn aan het Woord van de Apostelen en Profeten, een opdracht geeft, om het Woord te bedienen, waarbij Hij, het Hoofd der Gemeente, dan de Zijnen komt binden aan die prediking van Zijn dienaren, tot opbouw der Gemeente en tot volmaking der heiligen.
Aan de prediking des Woords is in de Gemeente van Christus gezag verbonden. Is het Paulus niet, die er voor zorgt, dat in alle de Gemeenten de ambten worden ingesteld ; en is hij het niet, die de Gemeente dan aan die ambten bindt, opdat de Gemeenten zullen worden opgebouwd in het allerheiligst geloof ?
1 Cor. 16 VS. 16 : „ dat gij ook u aan de zoodanigen onderwerpt en aan een iegelijk die medewerkt en arbeidt".
Dat ziet kennelijk op de Gemeente en op de prediking. (Er is sprake van de Gemeente, die op den eersten dag der week samenkomt, 1 Cor. 16 VS. 2 ; en van Timotheüs, die „het werk des Heeren werkt, gelijk als ik, 1 Cor. 16 VS. 10, enz.).
En de bekende Schriftuurplaats Efeze 4 vs. 11—16 spreekt niet alleen van roeping van Apostelen, profeten en evangelisten, als de velerlei manier waarop de Heere in den aanvang werkte, maar ook van herders en leeraars, die van plaats tot plaats kwamen, tot de volmaking der heiligen, tot het werk der bediening, tot opbouwing van het lichaam van Christus, opwassende in Hem, die het Hoofd is, namelijk Christus, (vers 15). God Zelf heeft hen daartoe gegeven. Gelijk we dan ook voortdurend lezen van de verkiezing van ouderlingen, die ook in de leer hebben te arbeiden.
Wanneer wij nagaan wat in de brieven van Timotheüs en Titus over deze ambtsdragers gezegd wordt, dan blijkt telkens, dat zij optreden met gezag. Zij moesten anderen leeren. „Gij dan, mijn zoon, word gesterkt in de genade, die in Christus Jezus is ; en hetgeen gij van mij gehoord hebt onder vele getuigen, betrouw dat aan getrouwe menschen, welke bekwaam zullen zijn om ook anderen te leeren". 2 Tim. 2 VS. 2. „Een opziener moet vast houden aan het getrouwe woord, dat naar de leer is, opdat hij machtig zij beide om te vermanen door de gezonde leer en om de tegensprekers te weerleggen. Titus 1 vs. 9. En in Hebr. 13 vers 17 lezen we : „Zijt uwen voorgangeren gehoorzaam en zijt hun onderdanig, want zij waken voor uwe zielen".
„Aarzeling kent de Schrift niet", zegt prof. Grosheide. „Zondigen menschen wordt opgedragen het Woord Gods te brengen en aan die zondige menschen in hun hoedanigheid vara predikers is de Gemeente Gods gehoorzaamheid schuldig. Hier is de opdracht des Heeren. En dit moet ons genoeg zijn".
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 augustus 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 augustus 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's