NIENKE
EEN VERHAAL UIT HET FRIESCHE VOLKSLEVEN
Met toestemming Uitgever J. H. Kok te Kampen
Toen heeft zijn vrouw een sterk stukje uitgehaald, 't welk hij eerst later gewaar werd. In stilte is zij naar den Kapitein van het Heilsleger gegaan, om dezen te zeggen, dat het zoo niet langer kon en dat Gurben zijn eigen zaken te veel verwaarloosde, 't Leger was best, zij had er niets tegen en men had er werkelijk ook veel aan te danken, maar een mensch had toch ook eene roeping voor deze wereld, en haar man was knap op weg deze te veronachtzamen. Daarom verzocht zij de hulp van den Commandant of de Officieren of hoe men dan heeten mocht om haar man dit aan het verstand te brengen en in elk geval niet meer van hem te vragen, dan hij nevens het verrichten van zijn plichten tegenover het huisgezin doen kon.
't Werd gevoeld, dat vrouw Huitema een waar woord sprak, 't welk diende geëerbiedigd te worden. Daar staat óók geschreven, dat wie zijn huis niet verzorgt, erger is dan een ongeloovige ; alleen het werd de vraag, hoe haar man op zachte wijze hiervan te overtuigen, omdat hij altijd zoo voortvarend was en met zijn geheele hart leefde in de geestelijke dingen.
Een onverwachte gebeurtenis zou hiertoe evenwel den weg banen. Eenige dagen later, 't was weer na afloop eener samenkomst, waarin Gurbe als gewoonlijk „getuigd" had, vroeg de Kapitein hem om raad in een ernstig geval. Van uit een der Hollandsche reddingshuizen was bericht gekomen, dat plaats gezocht werd voor een meisje van enkele maanden, kind van een ongehuwde moeder, die hiervan, desverlangd geheel afstand wilde doen, wanneer dit laatste althans beslist mocht worden geëischt en dat men 't liefst zou zien, dat een der Noordelijke afdeelingen van het Leger zich over dit kind ontfermde. „Of het misschien ook iets voor Gurbe en zijn vrouw was, " vroeg de Kapitein.
Dat was eene vraag ! Om daar zoo maar aanstonds een antwoord op te geven, dat ging niet en in elk geval vroeg hij bedenktijd en gelegenheid om thuis hierover te spreken. Zoo werd dit een onderwerp van ernstig overleg in de schoenmakerij. Meermalen had het gemis van kinderen het leven hier gedrukt en was uitgezien naar de grootste aller gaven, welke voor dit leven aan een gezin geschonken kan worden. Echter tevergeefs.
De weg scheen hier anders te loopen. Daar kwam Gurbe thuis met die boodschap uit 't Leger. Een kind van eenige maanden was te krijgen, en dan nog wel een meisje ! Altijd de hoogste begeerte van vrouw Huitema, als zij daarover iets te zeggen zou hebben. Desverlangd kon het geheel hun eigendom worden en zoo'n kleine zou later niet beter weten, of het was bij haar ouders thuis, 't Werd een weelde, daarover te denken. Hoe langer het gesprek van beiden ging over het kind, 't welk men nog nooit gezien had, hoe grooter het verlangen werd. Oude, sluimerende begeerten werden weer opgewekt. De tijd vloog dien avond om. Men dacht niet aan naar bed gaan. Zij zag de kleine in hare gedachten al liggen in de wieg, daar, in dien hoek van de kamer, waar de meeste gelegenheid was, of op haar schoot, grapjes makend en de eerste kindergeluiden stamelend en haar vriendelijk toelachend ; en hij dacht zich in, dat het kind het huis doorliep en van voren tot achteren met vroolijkheid ging vullen en andere kinderen meenam, speelgenooten of die mee in de klas zaten, en dat zij groot werd en dat hij voor haar werken zou en voor hare toekomst, gelijk voor zijne vrouw ; en dat dan nóg later Maar neen, verder wilde hij maar niet denken, want dat alles duurde nog zoo lang !
Natuurlijk waren er ook schaduwzijden aan dit bezit verbonden. Wat zouden de menschen er van zeggen, dat zij zoo maar een vreemd kind in huis namen ; en als het nu eens bij het opgroeien dezelfde neigingen van de moeder toonde te hebben ? De appel viel gewoonlijk niet ver van den boom. En dan dat andere nog, het ergste van alles, de aanspraak, die men op het kind kreeg. Want de moeder wilde er desnoods afstand van doen, maar de wijze, waarop daarvan mededeeling gedaan werd, bewees welk een offer daarin gebracht werd. 't Scheen, dat zij niet tot de gewone lichtekooien uit de groote stad gerekend moest worden. Wellicht een dier velen, die in een onzalig oogenblik op een gladde plaats van het leven uitgegleden, voor de verleiding bezweek, maar met den drang in haar ziel, om te worden opgericht en een nieuw leven te beginnen. Mocht men die jonge moeder haar kind ontnemen, waarvoor zij toch evenveel scheen te gevoelen als elke andere moeder voor haar zuigeling voelt ? En, indien men dit niet deed, indien zij aansprakelijkheid op haar hield, zou men dan wellicht later het bezit weer moeten verliezen, waaraan men zoo gehecht werd ? „'k Had liever, dat het meisje aanstonds van al hare rechten op het kind afzag, " zei vrouw Huitema, na zich ernstig ingedacht te hebben, wat dit worden kon. 't Gebeurde meer, dat pleegouders, na jarenlange opoffering, plotseling geroepen werden om de hun toevertrouwde kinderen weer af te staan, en beiden zouden wenschen, in zoo'n geval haar nooit te hebben bezeten.
't Einde van het nachtelijk gesprek werd, dat men eerst maar eens slapen zou, om dan den volgenden dag te beslissen. Maar van slapen-kwam niet veel. Beiden zagen altijd maar weer dat kind in hun huis ; soms meende vrouw Huitema het reeds te hooren schreien en schrok dan uit een onrustige sluimering wakker ; en toen de morgen aanlichtte, was Gurbe reeds vroeg uit de veeren, zoodat Jochem, de knecht, er niets van begreep. Maar toen hij zijne vrouw het eerste kopje thee bracht, was zijn besluit genomen.
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 augustus 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 augustus 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's