De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

WAT CALVIJN ONS LEERT

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

WAT CALVIJN ONS LEERT

10 minuten leestijd

De belofte der verzoening.
Niemand zal God eerbiedig vreezen, dan die vertrouwt, dat God hem genadig is. Niemand zal zich geven tot de onderhouding der Wet dan hij, die verzekerd is, dat hij Gode behaagt.
De vergeving der zonde is een bewijs van Gods vaderlijke gunst. Komt, en kan ons wederkeeren tot den Heere, want Hij heeft verscheurd en Hij zal ons genezen : Hij heeft geslagen en Hij zal ons verbinden. (Hosea 6 vs. 1).
De hope der vergeving wordt daarbij gevoegd als een prikkel, opdat de mensch niet ongevoelig zal worden in zijn zonden. Doch daarom heeft het geen schijn van waarheid, eerst de menschen te willen bekeer en, opdat zij daarna tot de gemeenschap der genade worden toegelaten.
Calvijn heeft daarmede het oog op Wederdoopers, voornamelijk op diegenen, die voor geestelijke menschen willen worden aangezien. Voorts ziet hij op de Jezuïeten en dergelijken. Hij noemt dezulken tuimelgeesten en nog erger, omdat zij de boetvaardigheid tot een kleinen tijd willen beperken en niet weten, dat de boetvaardigheid het gansche leven der Christenen zal kenmerken.

De boetvaardigheid of bekeering.
Volgens sommige geleerden bestaat deze in twee stukken, t.w. in de dooding en in de levendmaking. Door de dooding wordt dan verstaan de droefheid der ziel, welke uit de kennis der zonde en uit het gevoel van Gods oordeel gekend wordt.
Wanneer iemand tot de waarachtige kennis der zonde komt, begint hij de zonde Waarlijk te haten en te vervloeken. Dan begint hij een mishagen aan zichzelf te hebben, hij 'bekent rampzalig en verloren te zijn en begeert een ander mensch te zijn.
Daarbij komt de kennis van het oordeel Gods, waardoor hij wordt vernederd en Verslagen. Hij geeft den moed op en wanhoopt. Hij ziet zijn verlorenheid.
Dat is het eerste stuk der boetvaardigheid of bekeering.
Door de levendmaking wordt dan verstaan de vertroosting, welke uit het geloof voortkomt.
Deze bestaat daarin, dat de verslagene door de barmhartigheid van Christus wordt opgericht, adem schept, den moed herneemt en als uit den dood tot het leven komt.
Calvijn geeft hierin de meening weer van oude theologen. Hij is het echter niet geheel eens met deze mannen. Wanneer het maar Schriftuurlijk wordt verstaan, vindt hij de beschrijving der boetvaardigheid zoo kwaad niet. Hij acht het echter niet juist, dat zij de blijdschap, die het gemoed ontvangt, wanneer het uit de verslagenheid wordt opgericht, voor levendmaking houden.
Daarentegen houdt Calvijn de levendmaking veeleer voor de begeerte om heilig te leven, die uit de wedergeboorte ontstaat. Calvijn wil tegen misverstand waken, alsof de mensch zich zelf zou kunnen doen sterven om te beginnen Gode te leven.
Nog een andere meening haalt Calvijn naar voren.
Er zijn er ook, die zeggen, dat in de Heilige Schrift boetvaardigheid in tweeërlei zin wordt genomen.
Men wil deze onderscheiden als boetvaardigheid der Wet en boetvaardigheid des Evangelies.
Onder de eerste wordt dan verstaan de verslagenheid over de zonde en de schrik voor den toorn Gods. De ziel blijft daarin steken en weet geen raad of uitkomst.
De boetvaardigheid des Evangelies is ook wel een toestand van benauwdheid, doch niet zonder hope. Hij klimt hooger op tot Christus den grooten Medicijnmeester en prijst Hem aan als een Troost en een Haven ter ontkoming.
Zij geven als voorbeelden van de boetvaardigheid der wet: Kaïn, Saul, Judas. Deze mannen hebben den last der zonde gekend, het oordeel Gods gevreesd en zijn er in bezweken.
Zulk een boetvaardigheid is niet anders dan een voorhof der helle. Zij zijn reeds de hel binnen gegaan in dit leven, aangezien zij de straf begonnen te lijden voor het aangezicht van Gods Majesteit en Zijn gramschap hebben gezien.
De evangelische boetvaardigheid zou men dan bij Hiskia aantreffen. Zoo ook bij de inwoners van Ninevé.
Verder David, toen hij het volk liet tellen, en toen hij zondigde in overspel. (2 Sam. 24 : 10 en 2 Sam. 12 : 13).
Voorts de mannen op den Pinksterdag, toen Petrus was begonnen te spreken, als zij vroegen : Wat zullen wij doen ? en Petrus zelf als hij na de verloochening de zaal verliet.
In al deze voorbeelden was er een droefheid der zonde, nochtans hielden zij vast aan de goddelijke barmhartigheid, waarop zij gepleit hebben.
Dat is alles wel waar, zegt Calvijn. En toch gaat hij niet mede met deze redeneering, omdat hij meent, dat de boetvaardigheid geheel anders moet worden verstaan volgens de leer der Heilige Schrift.
Hij acht deze voorstelling in strij4 met Handelingen 20 : 21, waar Paulus zegt, dat hij Joden en Heidenen betuigd heeft de bekeering tot God en het geloof in Christus.
Hier worden bekeering en geloof twee zaken genoemd als
De zoo even aangevoerde meening omtrent de boetvaardigheid, neemt deze zoo breed, dat zij het geloof daarbij omvat. En nu vraagt Calvijn : kan de boetvaardigheid bestaan zonder geloof ? Neen.
Geloof en boetvaardigheid kunnen niet worden gescheiden, maar zij dienen toch te worden onderscheiden.
Hij wijst daarbij op de onderscheiding van geloof en hope. Ook de hope wordt van het geloof niet losgemaakt, maar toch wel onderscheiden.
Zoo is het ook met boetvaardigheid en geloof.
Zij hangen te zaam en kunnen niet van elkander worden losgemaakt en toch is het geen vermenging. Het zijn twee zaken.
Het woord boetvaardigheid komt van een Hebreeuwsch woord, dat zooveel als bekeering of wederkeer beduidt. Het Grieksche grondwoord heeft den zin van verandering van gezindheid.
De zaak komt daarmede vrijwel overeen: n.l. van ons zelf afgekeerd worden en ons tot God bekeeren ; ons vorig gemoed afleggen en een nieuw aandoen.
Men kan de boetvaardigheid dus als volgt beschrijven : Zij is een waarachtige bekeering van ons leven tot God, welke uit een oprechte vreeze voortkomt, en in de dooding van onzen ouden mensch en de opstanding van den nieuwen mensch gelegen is.
Zoo moet men haar verstaan volgens Calvijn, en zoo hebben de profeten en apostelen het verstaan.
Calvijn wil alzoo eenerlei beteekenis van bekeering tot den Heere of boetvaardigheid. (Matth. 3 : 2. 1 Sam. 7:3).
Johannes en Paulus spreken van vruchten voortbrengen der bekeering of boetvaardigheid waardig. (Luc. 3 : 8. Hand. 26 : 20. Rom. 6 : 4).
Nader uitlegging van de gegeven omschrij­ving.
Calvijn wil drie dingen opmerken :
1. De bekeering of poenitentie is niet alleen een verandering in de uitwendige levensopenbaring, maar ook in de ziel zelve, d.i. de vernieuwing des gemoeds. Ezech. 18 : 31 : „Werpt van u weg al uw overtredingen, waardoor gij overtreden, hebt, en maakt u een nieuw hart en een nieuwen geest: want waarom zoudt gij sterven, o, huis Israels !"
Geen plaats wijst zoo duidelijk op de kenmerken der boetvaardigheid als Jeremia 4:1 vv. ,,Zoo gij u bekeeren zult, Israël, spreekt de Heere, bekeer u tot Mij. Braakt ulieden een braakland en zaait u niet onder de doornen. Besnijdt u den Heere, en doet weg voorhuiden uwer harten".
De profeet verklaart duidelijk, dat Israël met een uitwendige bekeering niet verder komt, doch ook de goddeloosheid moet worden uitgeroeid uit het binnenste.
Daarom vermaant hij Israël, dat het met God van doen heeft, die de dubbelhartigheid haat. Evenzoo vermaant oók Jesaja de hypocrieten, die het in een uitwendige bekeering zochten en in een uitwendige godsdienstigheid. Intusschen werden de banden der goddeloosheid en zonde niet losgemaakt, waarin zij de armen verstrikt hielden. (Jesaja 58 : 6).
2°. De boetvaardigheid komt voort uit een ernstige vreeze Gods.
Haar eerste eisch is, dat wij den toorn Gods zullen bedenken en door Zijn oordeel worden opgewekt. Eenmaal zal God op Zijn rechterstoel zitten en rekenschap vragen van alle woorden en werken.
Wanneer dit ernstig wordt voorgeno­men, kan de ziel geen rust hebben, noch adem scheppen, maar die, gedachte zal hem aansporen om een ander leven te leiden, opdat hij gerust moge zijn in het gezicht van het oordeel Gods.
De Heilige Schrift wijst daarop veeltijds, als zij tot boetvaardigheid opwekt: Opdat Mijn grimmigheid niet uitvare als een vuur, en brande, dat niemand blusschen kunne vanwege de boosheid uwer handelwijze. (Jer. 4 : 4).
Zoo ook Paulus tegen de Atheners : En God dan de tijden der onwetendheid overzien hebbende, verkondigt nu allen menschen alom, dat zij zich zullen bekeeren. Daarom dat Hij een dag gesteld heeft op welken Hij den aardbodem rechtvaardig zal oordeelen. (Hand. 17 : 30, 31).
De bekeering begint met den haat der zonde. Daarom stelt Paulus de droefheid naar God tot een oorzaak der boetvaardigheid. (2 Cor. 7 : 10). Hij verstaat daardoor niet. alleen afkeer van de straf, maar afkeer van de zonde, omdat zij Gode mishaagt. En zoo de Heere den geesel tegen de zonde niet deed gevoelen, zouden wij niet tot zulk een haat kunnen komen vanwege de traagheid des vleesches en de hardigheid des harten.
Een mensch is halsstarrig en moet als met hamers gebroken worden. Zoo dringen wij door de boosheid van ons hart God tot gestrengheid, want Hij zou tevergeefs lieflijk aanlokken degenen, die in hun zonden slapen.
Met deze en dergelijke uitdrukkingen teekent Calvijn den zondaar en inderdaad heeft hij geen moeite de Heilige Schrift tot een getuige te roepen.
De vreeze Gods is het begin der boetvaardigheid zelfs al zouden wij om onze deugden door de menschen geprezen worden en de vreeze Gods werd bij ons niet gevonden, wij zouden in den hemel een gruwel voor Gods aangezicht zijn. Het voornaamste deel der rechtvaardigheid zou ontbreken n.l. dat men Gode Zijn recht en eere geeft. Hij wordt daarvan beroofd, als wij ons niet aan Zijn macht onderwerpen.
3°. Zal Calvijn uiteenzetten, hoe hij het opvat als de boetvaardigheid in twee deelen wordt onderscheiden, t.w. de dooding des vleesches en de levendmaking des geestes.
Heel eenvoudig vindt hij dat in het woord: wijkt af van het kwade en doe het goede. (Spr. 3:7) Wascht u, reinigt u, doet de boosheid uwer handelingen van voor Mijn oogen weg, laat af om kwaad te doen. (Jes. 1 : 16). Leert goed doen, zoekt het recht, helpt dén verdrukte.
Wanneer de profeten het volk terugroepen van de boosheid, eischen zij den ondergang van het gansche vleesch, hetwelk boos is.
Het is een harde en moeilijke zaak ons uit te schudden van ons zelf en van onzen aangeboren aard af te staan. Het vleesch is niet eerder afgestorven dan wanneer alles wat wij van ons zelf hebben is te niet gedaan.
Toch is dit eisch, omdat ons vleesch is vijandschap tegen God. De verzaking van onze eigen natuur is de eerste stap in de gehoorzaamheid der Wet.
Daarna stellen de profeten het volk de vernieuwing voor, die gekend wordt uit de vruchten als gerechtigheid, oordeel, barmhartigheid.
Zulke vruchten kunnen eerst dan worden voortgebracht, als het hart een nieuwe gezindheid van gerechtigheid, oordeel en barmhartigheid heeft aangedaan.
Dit geschiedt, als de Heilige Geest ons hart bedeelt met nieuwe gedachten, nieuwe genegenheden.
Daarom wordt ons zoo dikwijls bevolen den ouden mensch uit te doen, de wereld en het vleesch te verlaten, en in den geest onzes gemoeds vernieuwd te worden. Het woord dooding is dan ook duidelijk genoeg, want het zegt, zoo eindigt Calvijn, dat wij door het zwaard van den Geest gedood moeten worden, alvorens de beginselen der godzaligheid te leer en kennen.
Hiermede heeft Calvijn de drie dingen uiteengezet, waarop hij de aandacht wilde vestigen. Thans vervolgt hij nog omtrent het derde punt, de onderscheiding der boetvaardigheid in twee deelen.
Deze twee dingen worden verkregen, indien wij deel hebben aan Christus. (Rom. 6 : 5 en 6). Want, indien wij waarlijk met Hem gemeenschap hebben, wordt onze oude mensch door de kracht van Zijn dood gekruist, het lichaam der zonde versterft, opdat de verdorvenheid van de eerste natuur geen kracht meer hebbe.
Indien wij Zijner opstanding deelachtig zijn, worden wij daardoor opgewekt tot een nieuw leven, hetwelk met Gods gerechtigheid overeenkomt.
Om het in één woord te zeggen, zoo gaat Calvijn door : Ik versta onder boetvaardigheid de wedergeboorte. En deze heeft geen ander oogmerk dan het beeld Gods, hetwelk door Adams overtreding verontreinigd werd en bijna uitgewischt, weder op te richten.
Zoo leert ons ook de apostel Paulus: En wij allen met ongedekten aangezichte de heerlijkheid des Heeren als in een spiegel aanschouwende, worden naar hetzelfde beeld veranderd in gedaante, van heerlijkheid tot heerlijkheid, als van des Heeren Geest. (2 Cor. 3 : 18).
 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 augustus 1939

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

WAT CALVIJN ONS LEERT

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 augustus 1939

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's