De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCHOUW

24 minuten leestijd

DE OUDE- EN DE NIEUWE VERBONDSBESCHOUWING
In de Gereformeerde Kerken heeft men het druk over de oude- en de nieuwe Verbondsbeschouwing en het boek van prof. Aalders heeft hierbij weer wind in de zeilen gebracht. Prof. Dijk prijst het zeer, prof. Schilder laakt het, en zoo staat men over en weer in de gevechtslinie, vooral waar de Synode van Sneek op komst is.
Ds. Th. Delleman van Kralingen, wiens Doopboekje pas verschenen is, die zich daarin een geestverwant van ds. Woelderink toont te zijn, zooals ook prof. Schilder — terwijl prof. Dijk hierom ds. Delleman een reprimande geeft ! — schrijft ook over het boek van prof. Aalders en zegt dan in de Geref. Kerkbode van Kralingen :
„Prof. Aalders" (van de V.U. n.l.) „zegt : dat Christus het hoofd is van het genadeverbond, is voor geen bestrijding vatbaar.
Dit laatste is wel wat al te sterk uitgedrukt, want stel nu daartegenover eens de uitspraak van den ouden dominé T. Bos (waarbij ook de namen van prof. Lindeboom, Kreulen, J. van Andel e.a. genoemd kunnen worden), „die in 1904 schreef : „In den waren, eigenlijken zin des woords" kan men niet zeggen, dat God het genadeverbond met Christus opgericht heeft, want dan zoiu daaruit volgen, dat God in dat verbond werd de God van Christus, en dat Christus uit vrije genade het eigendom geworden is van God".
Het verbond is opgericht met menschen, die geworden waren „zonder God in de wereld" en door dat verbond genadiglijk weer aangenomen werden tot een volk van God. Blijkbaar zijn er dus altijd theologen geweest, die er anders over dachten dan prof. Aalders. Prof. Schilder wijst daar ook op in „De Reformatie".
Het is erg jammer, dat prof. Aalders op de van hem verschillende opvattingen niet dieper is ingegaan. Ook zijn critiek op Woelderink heeft mij allerminst overtuigd".

DE DOOP VERZEGELT DE BELOFTEN GODS.
Ds. Woelderink is de man, die weer onder onze menschen gebracht heeft de gedachte, dat de Sacramenten, met name het Sacrament van den Heiligen Doop, de beloften Gods, de belofte des Evangelies, beteekenen en verzegelen.
In „de Reformatie" wordt er aan herinnerd, hoe dat onder de oude Afgescheidenen ook geschied is, waarbij dan met name „de Wachterbond" genoemd wordt met de namen van prof. Lindeboom en ds. T. Bos e.a. We lezen daar :
„Zij, die in onze Kerken dachten in deze richting, hebben er dan ook steeds, evenals de Chr. Geref., nadruk op gelegd, dat de Sacramenten de beloften Gods beteekenen en verzegelen, terwijl de anderen allen nadruk hierop leggen, dat de doop de weder-geboorteaanwezig-in-het-hart verzegelt, en bij de wedergeboren kinderen het geloofsvermogen zou worden versterkt". (Men spreekt dan van de leer der veronderstelde-wedergeboorte").
„Sterk is hiertegen opgekomen door den „Wachterbond" (prof. Lindeboom, ds. Bos e.a.), die in zijn vierde stelling het volgende uitsprak :
„Volgens de belijdenisschriften is de H. Doop wezenlijk één met de Besnijdenis. Hij beteekent en verzegelt niet wat in den doopeling aanwezig is of voorondersteld wordt aanwezig te zijn, maar de beloften van liet Genadeverbond, in het Evangelie geopenbaard. En hij geschiedt niet op grond van de vooronderstelde wedergeboorte, maar op grond van des- Heeren bevel, aan hen, die van hun geloof belijdenis doen, èn aan hunne kinderen, omdat ook hun de beloften des Verbonds zijn toegezegd. Naar den aard der Sacramenten dient hij tot versterking van het geloof ; welke heilsweldaad niet slechts onder en bij, maar ook vóór en na den Doop ontvangen kan worden".
En in de toelichting op deze stelling lezen we nog :
„Het is derhalve in strijd met onze belijdenisschriften, te stellen : dat niet de belofte des Verbonds, maar de inwendige wedergeboorte, het wedergeboren-zijn, van den doopeling in den Doop verzegeld wordt".
Jammer, dat de Gereformeerde Kerken in 1905 op de Synode te Utrecht deze kwestie van „de leer der vooronderstelde wedergeboorte" niet grondiger heeft behandeld en niet flinker heeft verworpen.
Het is en blijft een van de belangrijkste verschilpunten tusschen de Chr. Gereformeerden en de Herv. Gereformeerden eenerzijds en de Gereformeerde Kerken anderzijds.

De Reorganisatie-Voorstellen van de hand gewezen (2)
In de 18de zitting was de Reorganisatie aan de orde. Ter tafel waren 3 voorstellen : één van de zes kerkelijke hoogleeraren Aalders, Korff, Sevenster, Berkelbach van den Sprenkel, Haitjema en Semmelink (met een minderheidsnota van prof. De Vrijer) ; één van ds. K. H. E. Gravemeijer en één van dr. G. Oorthuys.
Wij willen nog even terugkomen op de minderheidsnota van prof. De Vrijer. Die schrijft : dat hij voorstander is van de reorganisatie conform het Ontwerp-1938. Maar zijn bezwaar gaat tegen de woorden van het rapport van één van de kerkelijke hoogleeraren, waar deze schrijft : „ zonder vooruit te grijpen op hetgeen de Kerk ten aanzien van den inhoud harer belijdenis te besluiten". Hiermede kan prof. De Vrijer zich niet vereenigen, omdat hij van oordeel is, dat deze woorden hét meest de nadruk leggen op een aangenomen waarschijnlijkheid van hervorming der belijdenisschriften. Maar dat hebben allen, die nu een eeuw gestreden hebben voor reorganisatie, niet bedoeld. Ze hebben wèl bedoeld de handhaving van de belijdenisgeschriften, waarmee zij dan bedoelden de quintessence van deze kerkelijke geschriften, die naar hun overtuiging door de predikanten van eenige theologische- en kerkelijke richtingen niet werd verkondigd.
Wie reorganisatie zegt — aldus prof. De Vrijer — moet weten, dat de belijdenisgeschriften a priori norm zullen zijn bij de samenkomsten der ambtsdragers. Het „gesprek" op die samenkomsten moet als grondslag hebben : de aanwezige belijdenisgeschriften. De kern van deze kerkelijke geschriften geeft de demarcatie of scheidingslijn aan, die de twee groote fracties in de Kerk scheidt.
De slapende belijdenisgeschriften moeten wakker worden ! En daarom zet, volgens prof. De Vrijer, het schrijven van de hoogleeraren de grondscheidingslijn niet genoegzaam in het daglicht. En dat moet toch, want anders blijft men samen spreken, terwijl men niet tezamen hetzelfde bedoelt.
Niet hervorming is het eerste probleem, maar handhaving van de belijdenisgeschriften.
En zóó wil hij de zaak der reorganisatie brengen op het centrale punt !
Het voorstel van dr. G. Oorthuys hield nauw verband met het schrijven van prof. De Vrijer. We laten het hier — en nu letterlijk — nog eens volgen. Dr. Oorthuys had reeds aan het begin van de Synode het volgende voorgesteld :
De Synode van 1939,
constateerend op grond van de beginselen en van de feiten, inzonderheid van de reorganisatie-geschiedenis der laatste jaren, dat eene reorganisatie der Hervormde Kerk, die alle in die Kerk op den voorgrond tredende richtingen bevredigt, niet kan worden tot stand gebracht ;
als hare overtuiging uitsprekend, dat het de roeping der Hervormde Kerk is hare vigeerende, haar van hoogerhand opgelegde, organisatie te reorganiseeren en daardoor in overeenstemming te brengen met haar eigen wezen als Kerk van Christus, als Protestantsche, als Gereformeerde Kerk, besluit eene Reorganisatie-Commissie te benoemen, die tot taak heeft, rekening houdend met het historische gewordene, uitgaande van het Rapport der zes hoogleeraren op blz. 175 en 176 der Bijlagen dezes jaars, acht gevend op de beschouwingen, geuit in het schrijven van prof. dr. M. J. A. de Vrijer, aid. blz. 177 en 178, eene Kerkorde te ontwerpen, die in overeenstemming is met het wezen der Nederlandsche Hervormde Kerk, gelijk dit ligt uitgedrukt in de Drie Formulieren van Eenigheid en in de Dienstboeken der Kerk ;
en dit ontwerp in te dienen in de Synode van 1940.
Volledigheidshalve laten we ook nog hier volgen wat we lezen van de minderheidsnota van ds. Gravemeijer (dus niet van zijn voorstel, daarna ingediend, maar van zijn minderheidsnota :
„In zijn minderheidsnota zegt ds. Gravemeijer : Het voorstel van de hoogleeraren is in strijd met de consideraties, de meerderheid heeft het ontwerp 1938 stellig verworpen en heeft zich uitgesproken voor een niet nader bepaalde reorganisatie. Zeer velen hadden bezwaar, dat de belijdenis in de nieuwe Kerkorde werd betrokken. De huidige organisatie ontzegt niet de bevoegdheid aan de Kerk, iets ten aanzien van de belijdenis te doen. Ook mag niet gezegd worden, dat een groote meerderheid wenscht dat de organisatie in overeenstemming gebracht worde met het presbyteriaal-synodaal karakter der Kerk, hoe wenschelijk dit ook zou zijn. Het ontwerp 1'938 bevorderde een overschatting van het ambt. Niet de ambtsdragers maken uit wat waarheid is, maar Gods Woord is de waarheid. Het zal er om moeten gaan, dat de gelegenheid geopend wordt om als Gereformeerde Kerk kerkelijk te gaan leven en om de belijdenis te handhaven en voort te zetten.
De voorgestelde richtlijnen zijn in strijd met wat de voormannen van de reorganisatie steeds hebben nagestreefd. Want zoo is verandering der belijdenis mede de inzet geworden van de nieuwe richting in de reorganisatie-beweging. Het ging oorspronkelijk niet om chirurgie, maar om theraphie. Bij goed functioneeren van het lichaam wordt wat er niet bij behoort, vanzelf verwijderd, terwijl de kranke deelen met het geheele lichaam gezond moeten worden. Het gaat niet om uitdrijving, maar om de tucht van Gods Woord, waardoor wij tezamen moeten worden terecht gebracht. Dit sluit echter gelijkstelling van allerlei menschelijke meeningen uit. Alle meeningen moeten worden gebracht onder de tucht van Gods Woord. De nood der Kerk is niet de organisatie, maar de nood der prediking.
Het ontwerp „Groote Synode" van 1927 voldoet aan het verlangen van velen in de Kerk. En dat zal kans van slagen hebben. En door het aanvaarden daarvan zou de eerste stap gezet worden om te komen tot losmaking van de strakke bestuursbanden, waaraan de Kerk gebonden ligt".
In de Synodale Commissie, die deze zaken voorbereid heeft voor behandeling in de vergadering van de Synode, is over een en ander gestemd, met resultaat, dat 4 stemmen zich vóór de meerderheidsnota van de zes hoogleeraren verklaarden en 4 st. tegen. De secretaris, ds. Den Breems, adviseerde tegen. Daarna is er in de Syn. Commissie gestemd over het schrijven van ds. Gravemeijer, waarbij zich 1 stem vóór en 7 st. tegen verklaarden ; ook hier adviseerde de Secretaris tegen.

Voorstel ds. Gravemeijer.
Daarna diende ds. Gravemeijer het volgende nie_uwe voorstel in : om aan het slot van zijn nota te lezen, dat de Synode een commissie benoeme, die een voorstel voorbereide om te komen tot een Groote Synode, opdat deze breedere vertegenwoordiging der Kerk op den weg van reorganisatie zal kunnen voortgaan. Maar ook dit voorstel werd verworpen met 3 stemmen tegen 5, terwijl de Secretaris vóór adviseerde.
Op de breede discussie, die op deze voorstellen volgde in de vergadering van de Synode, komen we volgende week terug. We laten hier alleen volgen de stemverhoudingen, waarmede al de voorstellen verworpen zijn.
Het voorstel Oorthuys wordt verworpen met 12 stemmen tegen 7. Vóór stemden : ds. de Bruijn, Karres, Oorthuys, Hoekstra, Stelma, Addink en de heer Prisse ; tegen de heer De Roon Swaan, ds. Boer, de heer Hardenberg, ds. V. d. Kieboom, dr. Van Weeda, ds. Van Zwet, de heer Wolffensperger, de heer Bolt, ds. Bruch Cleveringa, Boonstra, de heer Fetlaar, ds. Blommaerts ; prof. De Vrijer adviseerde vóór ; prof. Korff en de Secretaris tegen.
Het voorstel der zes hoogleeraren wordt daarna verworpen met 17 tegen 2 stemmen. Alleen dr. Weeda en ds. Van Zwet stemden voor ; prof. Korff adviseerde vóór.
Het voorstel ds. Gravemeijer wordt daarna verworpen met 10 tegen 9 stemmen. Vóór waren ds. de Bruijn, Karres, de heer De Roon Swaan, ds. Boer, dr. Oorthuys, ds. Hoekstra, Steema, de heer Prisse, ds. Addink. De Secretaris adviseerde vóór. Tegen waren : de heer Hardenberg, ds. v. d. Kieboom, dr. Weeda, ds. Van Zwet, de heer Wolffensperger, ds. Bruch Cleveringa, ds. Boonstra, de heer Bolt, de heer Fetlaar en ds. Blommaerts. Tegen adviseerde prof. Korff; prof. De Vrijer blanco. Het meest hebben wij ons verbaasd over het tegen stemmen van ds. Boer en ouderling Hardenberg van Scheveningen tegen het voorstel van dr. Oorthuys. En het tegen stemmen van ouderling Hardenberg tegen het voorstel van ds. Gravemeijer (ds. Boer was toen vóór) !
(Slot volgt.)

ZIJN DE RIJKEN VERVLOEKT?
Op vergaderingen — en dan zijn het lang niet altijd Christelijke samenkomsten —, wordt nogal eens aangehaald, wat Jacobus gezegd heeft in zijn brief aan het adres van de rijken. Men vindt het dan soms zoo „fijn" met den Bijbel te kunnen komen aandragen (dien men anders niet zoo veel gebruikt), om z'n beschuldigingen in de lucht te kunnen slingeren aan 't adres van „die kapitalisten". De taal, waarmee Jacobus de rijken aanspreekt, is ook lang niet malsch. Hij kondigt hun het oordeel aan. En dat oordeel zal zóó ontzettend zijn, dat ze nu alvast maar moeten gaan weenen en jammeren.
„Wee u, gij rijken !"
Zij zullen dan worden getroffen juist in hun geld en goed, waar ze zoo trotsch op waren. „Uw rijkdom is verrot !" Waardeloos zal het alles zijn. Ja, erger. Het zal tegen hen getuigen in het oordeel. Als een corpus delicti (het voorwerp, waarmee de misdaad is gepleegd), zal het straks in de gerechtszitting worden binnengebracht. En God zal als een rechtvaardig Rechter oordeelen. „Wee u, gij rijken !" Het geld zal een bezwarend getuigenis zijn in den dag des gerichts !
Nu komen we voor de vraag te staan : is geld dan altijd zóó levensgevaarlijk, dat we wel waarschuwingen er bij moeten plaatsen als bij de huisjes van het hoogspanningsnet „aanraken doodelijk" ?
Is rijkdom dan in ieder geval onvoorwaardelijk te veroordeelen ?
„Zoo is het niet", lezen we in het mooie boek over den Brief van Jacobus, dat pas verschenen is onder den titel „Om het goud des geloofs", geschreven door dr. P. Prins en ds. H. A. Wiersinga (Uitgave J. H. Kok, Kampen).
Neen, zóó is het niet. „Het hangt alles af van de vraag : waar komt de rijkdom vandaan ? En wat voer ik er mee uit ?
Voor iederen rijke is het een consciëntievraag : hoe kwam ik aan mijn bezit en wat doe ik er mee ? Ontvang ik het alles uit.Gods hand ? Ben ik rentmeester er over ? Sta ik er mee in den dienst des Heeren, dagelijks biddende : Uw wil geschiede ? Wil ik er God èn den naaste dankbaar en getrouw mee dienen?
Wie op deze vragen geen oprecht „ja" kan antwoorden, die is in de gevaarlijke zone en kan elk oogenblik tot een diepen val komen en Gods vonnis ontvangen. Die mag en moet zich de woorden van Jacobus over de rijken persoonlijk aantrekken. Voor hem zijn ze geschreven ter waarschuwing. Die is van de waarheid afdwalende en die moge door deze woorden worden bekeerd. Dan zal zijn ziel van den dood behouden"^ worden en een menigte van zonden worden bedekt (vers 19, 20)".
Wat nu de rijken betreft, waaraan Jacobus denkt en waarover hij schrijft, is het duidelijk, dat hij dezulken op 't oog heeft, die hun rijkdom misbruiken. Het was gestolen geld bij hen. En nog wel gestolen van de armsten. Het was geld, waaraan het bloed en het zweet kleefde van anderen. En wel in die mate, dat het geld zelf begint te schreeuwen vanwege het onrecht. Maar het geweten van die rijken was blijkbaar toegeschroeid als met een brandijzer.
„Wat toch was het geval ? Hoewel de wet voorschreef, het verdiende geld der daglooners aan den avond uit te betalen, wisten de landheeren met allerlei gezochte redenen een deel van het loon in te houden, of met eenigen schijn van recht de betalingen uit te stellen. Kwam de arbeider thuis, dan kon hij de noodzakelijke levensbehoeften voor zichzelf en zijn gezin niet koopen.
Vervoegde hij zich hierover bij den rechter, daa moest hij nog oppassen ook. Hij werd veroordeeld — daar zorgden de rijken wel voor. Het geld maakte dan recht, wat krom was !
Straffeloos konden de rijken, die God niet vreesden en geen mensch ontzagen, al de geweldplegingen en rechtsverkrachtingen doorzetten. Geen mensch kon tegen hen op (vs. 6).
Al dit namelooze, stomme leed onder menschen, is gehoord bij God en zal worden thuis gezocht door God. Door den Heere Zebaóth, den Heere der heirscharen. Wiens alle dingen zijn en die straks komt ten gerichte te midden van. Zijn Engelen-scharen. Dan is het uit met het onrecht, den armen aangedaan. Dan is het gedaan met de pret der rijken
Er is echter voor den Christen, die aardsche schatten van God verkreeg, een andere weg om waarlijk te genieten. Die weg heet : rentmeesterschap.
Dan gaat men niet lekkerlijk leven op de aarde, en zijn wellusten volgen. Dan gaat men dienen op aarde, ook met zijn geld.
Geld en goed te hebben, is wel een zeer zware verantwoordelijkheid in Gods Koninkrijk. Maar het is ook een rijk genot, den Heere van zijn goederen te mogen dienen.
Gij rijken, die Christus kent en dient, huilt en jammert niet over de ellendigheden, die over u komen, maar verblijdt u en zingt over het loon, dat God u als getrouwe dienstknechten geven zal, wanneer Hij komt !"

ZIJN ALLEN IN DE KERK GELIJK?
Hoe dikwijls is daarover reeds gesproken en geschreven — ook in verband met het kerkelijk leven — dat alle menschen toch eigenlijk gelijk zijn en dan ook als gelijken gelijk moeten worden behandeld. Bij de zitplaatsen-kwestie in de kerk komt het telkens ter sprake, bij de huwelijks-bevestiging in de kerk, bij de neen, bij de collecte hoort men er niet van ; ook niet bij de hoofdelijke omslag of kerkelijke bijdragen. Want — en dit is de realiteit, de werkelijkheid, waarbij ook de Kerk moet leven — de menschen zijn niet allen gelijk en kunnen en moeten ook niet allen gelijkelijk behandeld worden. In de Kerk verandert niet, dat de een man en de ander vrouw is ; de genade wischt de natuur niet uit en vernietigt de scheppingsordinantiën Gods niet. De genade schaaft ook in de maatschappij — ook in de Kerk —niet alles gelijk.
Wij lazen onlangs in een Roomsch boek over het huwelijk, hoe de inzegening daarvan in de Roomsche Kerk plaats grijpt. En daarbij werd ook de vraag en de opmerking van velen behandeld : waarom maakt de Kerk onderscheid tusschen armen en rijken, en waarom gaat het alles veel luisterrijker toe bij degenen, die betalen, dan bij degenen, die weinig of niets kunnen (of willen) geven daarvoor ?
't Antwoord luidt dan ongeveer als volgt :
„Een veel verbreide moeilijkheid is : waarom bij huwelijksinzegeningen in de kerk dikwijls z.oo'n onderscheid wordt gemaakt en dit nu eens in alle soberheid en eenvoud, en dan weer met de grootste pracht en luister geschiedt.
't Is niet lastig, hierop een bevredigend antwoord te geven.
Eerst moet worden opgemerkt, 't geen men zeker niet uit het oog mag verliezen dat het wezenlijke der huwelijksplechtigheden, dus de voorgeschreven liturgische vorm, altijd en overal en bij alle personen plaats heeft. De ceremoniën van de huwelijksvoltrekking zijn steeds dezelfde en gebeuren immer wanneer twee roomschen gaan trouwen, onverschillig van welke staat of stand zij zijn. Dezelfde zegeningen worden uitgesproken over armen of rijken, dezelfde genade wordt voor hen afgesmeekt, dezelfde goddelijke steun hun toegebeden.
Ook wanneer het bruidspaar de huwelijksvoltrekking bekroond wil zien met huwelijksmis en huwelijkszegen, is bij allen alles hetzelfde. Dezelfde Christus offert zich voor hen aan den hemelschen Vader op, dezelfde gebeden worden daarbij uitgestort, dezelfde liturgische handelingen verricht, of die H. Mis nu al een stille, gelezene is, of een plechtig gezongene, met veel staatsie opgedragen. Het wezenlijke is dus altijd eender, daaraan wordt nooit iets veranderd, daarbij wordt geen verschil van stand gemaakt.
Slechts in het zuiver bijkomstige heeft dit plaats en gebeurt het derhalve, dat de huwelijksplechtigheden van meer gegoeden onder grooter uiterlijk vertoon geschieden, dan die van minder gesitueerden. Een ieder kan dat krijgen volgens eigen persoonlijke verlangens, mits men geneigd is de onkosten te dragen, welke een grootere luister noodzakelijk met zich brengt.
Gezegd wordt verder :
„Dat men in de kerk z'n huwelijk met praal en luister wil omgeven zien, is niet af te keuren, maar zelfs aan te raden. Zóó immers wordt die dag tot een onvergetelijke gemaakt, waaraan men de herinnering steeds zal meedragen, welke een steun en troost kan worden in de zware en droeve oogenblikken \an het leven. Natuurlijk moeten uitwassen, die leiden kunnen tot een onsmakelijk vertoon van menschelijke praalzucht en ijdelheid, vermeden worden".
En dan wordt nog even op de eigenlijke kwestie ingegaan op de volgende manier :
„Het is dwaasheid, te verlangen, dat de Kerk hier een volkomen gelijkvormigheid in acht zal nemen. Zeer duidelijk wordt dit betoogd in de apologetische roman van C. de Jong van Beek en Donk : „Bij de waskaar­sen". Daar weerlegt een der hoofdfiguren de opgeworpen moeilijkheid aldus : „De Kerk, in al hare instellingen, is realist en psycholoog. Vergeet niet, dat zij een traditie draagt van eeuwenoude wijsheid. Zij heeft over het vraagstuk van rijkdom en armoede haar klare oordeel : van haar kloosterlingen eischt zij volkomen armoede, afstand van elk persoonlijk bezit. In de maatschappij daarentegen, erkent zij rijken en armen en tusschen die twee in, de ontelbare menigte, die noch arm, noch rijk is. En zij weet, dat dit altijd zoo blijven zal. De wanen en utopieën op dit gebied, laat zij aan anderen over. Jezus Zelf heeft immers gezegd: „Armen zult gij altijd met u hebben". De Kerk gelooft niet in de gelijkheid. Zij kan er niet in gelooven, omdat niets in de schepping op gelijkheid berust. Heeft iemand ooit, op welk gebied ook, gelijkheid ontmoet ? U kunt menschen, dieren, planten, precies onder dezelfde omstandigheden plaatsen, hun dezelfde kansen geven, terstond zult u krachtige en zwakke wezens hebben, schoone en minder schoone, vruchtbare en onvruchtbare. In de natuur is overal ongelijkheid, rangorde, hiërarchie ! Tijdens onze groote omwenteling, die in naam van den afgod „Gelijkheid" tot stand kwam, heeft men ergens een kwartier lang gelijkheid tusschen menschen gekend ? Geen seconde. Zooals in streken, waar het onderaardsche vuur woedt, heeft men hooge toppen zien neerzinken en uit afgronden bergen zien rijzen. Veel waarden zijn verplaatst. Dat is alles. Nergens was gelijkheid. Dit woord is door Satan de wereld ingeworpen, om te zien hoever de domheid der menschen wel gaan zou. Als u het hoort uitspreken, luistert dan goed : ergens in de verte klinkt het lachen van demonen.
U begrijpt dus, dat de plechtigheden der Kerk zich aanpassen bij de toestand der maatschappij : zij zijn of heel eenvoudig of gesierd met wat luister, ofwel omkleed met schitterende pracht. Maar deze verschillen bestaan uitsluitend in het uiterlijk vertoon. De kern blijft precies dezelfde voor allen. Dat, wat de essentiëele vaarde geeft, blijft onveranderd. Het is als de zonnestralen, die dezelfde genezende en vreugdebrengende kracht bezitten, of zij vallen door kostbare kanten gordijnen, door een gewoon vitrage of door een arm naakt venster".

KERK EN STAAT (1)
Men moet zoowel jurist als theoloog zijn, om over dit onderwerp te kunnen schrijven ; en dan bovendien de gansche historie van de verhouding tusschen Kerk en Staat bestudeerd hebben, om zich een bepaalde meening over dit vraagstuk te kunnen vormen.
Wie is dan eigenlijk tot deze dingen bekwaam ?
Twee theologen — voor zoover we weten, geen jurist zijnde — hebben dezer dagen over dit onderwerp geschreven (en niet voor het eerst). We bedoelen ds. Van Niftrik en ds. de Graaf, de eerste Ned. Herv., de tweede Geref. predikant ; beiden geven in vogelvlucht een historisch overzicht ; de eerste in Algem. Weekblad voor Christendom en Cultuur, de tweede in zijn referatenbundel, pas verschenen bij Kok in Kampen („Christus en de Wereld"). Uit de brochure van ds. De Graaf nemen we een stukje over (blz. 132—134).
„Een kort overzicht over de geschiedenis der verhouding tusschen Kerk en Staat mag niet ontbreken, omdat dit verhelderend kan werken" — aldus ds. De Graaf. En hij schrijft daar: „Wanneer de Kerk in het begin van het N. T. als wereldkerk optreedt, is de houding van den Romeinschen Staat eerst een vijandige. Dat verandert na de troonsbestijging van Constantijn de Groote in 323, wanneer bet Christendom eerst als „toegelaten" en daarna als „bevoorrechte" religie wordt erkend. Dan worden de geloovigen van vervolging ontslagen, tegelijkertijd legt echter de Keizer aan de Kerk het juk van den Staat op. Dan begint de z.g.n. Caesaropapie.
In het Westen van het Romeinsche rijk droomt in dien tijd de bisschop van Rome reeds over een hiërarchische macht over de Kerk, hij weigert dan ook zich aan het juk van den Staat te onderwerpen. De zelfstan­digheid van de Kerk ten opzichte van den Staal werd in het Westen bewaard. Daardoor werd echter de vraag naar de verhouding van Kerk en Staat eerst recht aan de orde gesteld, vooral toen de Staten in het Westen werden opgesmolten in het groote Westersche rijk onder Karel de Groote.
Dan worstelt de Staats-Kerk-gedachte van de Karolingen met de Kerkstaat-gedachte van de pausen.
Het merkwaardige van dien strijd is, dat noch de eene, noch de andere partij de Kerk en den Slaat als twee grootheden van eigen orde en beleekenis naast elkander kan erkennen, maar dat ze ieder op eigen wijze naar een zekere éénheid tusschen die beide streven. De Karolingen gaan van de gedachte uit, dat zij het Koninkrijk Gods in hun rijk hebben te bevorderen. Dat zien zij dan als van deze beleekenis, dat óok de zorg voor de Kerk een zaak is van den Slaat en van den Keizer. Op hun manier beschouwen zij zich evenzeer als stedehouders van Christus, als de pausen dat op hun wijze doen. De pausen streven naar onderwerping van den Keizer aan hun heerschappij.
Wel wordt eerst uitgegaan van de gedachte, dat in het corpus christianum, d.i. de Christenheid als rijkseenheid gezien, priesterschap en koningschap hebben samen te werken. In verband echter met de leer van de twee zwaarden treedt de paus als de leenheer van den Keizer, als de gebieder der vorsten op.
De reformatie, zooals die eerst door Luther geleid werd, maakte den verkeerden band tusschen Kerk en Staat, gelijk die door de roomsche hiërarchie gedacht was, los, zonder dat echter door de Luthersche reformatie de oplossing van het vraagstuk geboden werd. In verband met zijn beschouwing over wet en genade, deelde Luther het leven in twee hemisferen. In de ééne hemisfeer heerscht de wet, in de andere de genade. De laatste is de sfeer van het geloof, waarin men van de wet vrij is. Tot de sfeer van de wet behoort de Staat en óók de Kerk als hiërarchie, lot de sfeer van genade behoort de gemeente. De regeermacht in de Kerk werd echter aan de landsoverheid opgedragen.
Zóó was wéér een uitwendige band tusschen Kerk en Staat gelegd, in dien zin, dat de Overheid óók de Kerk regeerde.
Calvijn poneerde de zelfstandigheid van Kerk en Slaat tegenover elkander.
Door hem is de poging, om tusschen die beide op de een of andere wijze een éénheid te forceeren, verworpen. Hij zag ze beide aan hel Woord Gods onderworpen, maar ze hadden dan ieder een eigen, van elkander onafhankelijke bestemming.
Toch heeft hij anderzijds naar een zeker verband tusschen Kerk en Staat gezocht. De Overheid had de Kerk te beschermen en te bevorderen, de Kerk moest door haar ambtsdragers het Woord Gods aan de Overheid bekend maken.
Bovendien ging hij van de gedachte uit, dat er in den Staal slechts voor één Kerk plaats was.
In Nederland werkten de gedachten van Calvijn door, met name die van den nauwen band tusschen Kerk en Staat. Ook mocht in Nederland slechts de Gereformeerde religie geduld worden. Evenzeer trachtte men de zelfstandigheid van de Kerk ten opzichte van den Staat te handhaven.
Het kwam echter anders uit, dan men zich bij het begin der vrijheid gedacht had. Ook in ons land greep de Overheid in de zaken der Kerk in en beroofde haar van haar zelfstandigheid. Evenals in Duitschland en in Engeland, ontstond hier in die dagen een Staatskerk.
Deze periode duurde tot de Fransche revolutie en den Napoleonlischen tijd, toen de band tusschen Kerk en Staat werd doorgesneden.
Opnieuw legde Willem I aan de Kerk zijn juk op. Willem II trok zich wel terug uit het bestuur der Kerk, maar een definitieve regeling voor de verhouding van Kerk en Staat werd niet gevonden, de kwestie van de zilveren koorde blijft nog een moeilijk op te lossen probleem".
Dat is het korte overzicht van de geschiedenis der verhouding van Kerk en Staat — zooals ds. S. G. de Graaf, Geref. predikant te Amsterdam, dat geeft in zijn boek : Christus en de Wereld (enkele referaten).
De volgende week geven we het korte overzicht van ds. G. C. van Niftrik, zooals hij dat schreef voor het Algemeen Weekblad voor Christendom en Cultuur.
(Wordt voortgezet).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 augustus 1939

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 augustus 1939

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's