MEDITATIE
Welgelukzalig zijt gij, o Israëli wie is u gelijk? gij zijt een volk, verlost door den Heere, het Schild uwer hulp, en Die een Zwaard is uwer hoogheid; daarom zullen zich uwe vijanden geveinsdelijk aan u onderwerpen, en gij zult op hunne hoogten treden ! Deut. 33 vers 29.
Van nature zijn wij, menschen, gelukzoekers, aanbidders van hetgeen wij beschouwen als onze gelukzaligheid. Die gelukzaligheid meent de één te vinden in de genietingen dezer wereld, in het eten en drinken en vroolijk zijn; de ander in het vergaren van geld en goed; een derde in het voldoen aan iedere opkomende begeerte. Weer een ander meent de volheid van geluk te kunnen bereiken in zijn werk, terwijl juist in dezen tijd des jaars menigeen meent het hoogst geluk te ontvangen in het „zalig niets doen". Gewis, de natuurlijke mensch zoekt zijn gelukzaligheid in de streelingen van het eigen „ik".
Hoe gansch anders is het met Mozes en met het volk van God. Ongelukkige zondaars in zichzelve, mogen zij in Hem hun heil, hun hoogst geluk beschouwen. Zij mogen het uitroepen, vol schaamte over eigen zonden en ongerechtigheden : „Welzalig zijt gij, o Israël! wie is u gelijk ? gij zijt een volk, verlost door den Heere". Want Israël was het bondsvolk Gods. Uit dat volk zou voortkomen de zaligheid voor alle volkeren, de Verlosser, de Messias, de Slangvertreder, die het geweld des Satans zou te niet doen. Dat volk had de Heere der heirscharen zich verkoren om. Zijn volk te zijn. Niet, dat Israël deze genadige verkiezing waard was geweest. Hoevele malen had Mozes, de man Gods, zich wel over dat volk moeten verdrieten ; hoevele malen had het zich waardig gemaakt door Gods toorn te worden verdorven, maar de Heere had zich over het onwaardige Israël ontfermd uit vrije genade. Het was Zijn welbehagen, dat Hij het geslacht der aartsvaders had uitgebreid tot een groote menigte in het land van Egypte, dat Hij dit zaad had verlost uit het diensthuis. Hij had het verlost en zou het nog verder verlossen, omdat het Zijn volk was. Door U, door U alleen, om 't eeuwig welbehagen, mocht later eens de Psalmdichter zingen, en het gansche volk des Heeren van alle eeuwen, het geestelijk Israël, moet het hem nazeggen.
Welgelukzalig zijt gij, o Israël. Is dat volk Gods dan welgelukzalig ? Hoort een van dat volk" spreken. Het is Asaf, de dichter-zanger : „Ik word den ganschen dag geplaagd en mijn bestraffing is er alle morgens". Wilt gij Davids klacht vernemen : „Ik ben gezonken in grondeloozen modder, waar men niet kan staan; ik ben gekomen in de diepte der wateren, en de vloed overstroomt mij".
In de wereld kan het volk des Heeren niet gelukkig zijn, want het heeft God, de wereld en het eigen hart leeren kennen. Het heeft God leeren kennen als een verterend vuur, want Hij kan de zonde niet verdragen. Het is als een Saulus van Tarsen neergevallen onder de verpletterende hand van het machtig Opperwezen, dat neerslaat in Zijn grooten toorn over de zonde. Hoe diep ongelukkig gevoelt zich zulk een menschenkind, dat zich bewust wordt voor God te moeten verschijnen en Hem in Zijn heiligheid heeft leeren kennen.
Het volk des Heeren heeft de wereld leeren kennen. De wereld leek zoo.schoon en zoo begeerenswaard, maar als de Heilige Geest in het hart is gaan werken begint de wereld haar aantrekkelijkheid te verliezen. Zij raakt met al haar genoegens haar waarde kwijt en die mensch gaat betreuren, dat het hart nog zoo aan de wereld blijft hangen. Want zij is als een beker met zoeten wijn, maar de nasmaak is als bittere alsem.
Ongelukkig is ook het kind des Heeren, omdat het een blik heeft leeren werpen in eigen hart, dat zoo vol is van haat en vijandschap tegen God, dat dié mensch schrikt van zichzelve. Zoo slecht had hij zich niet gedacht. Hij wist wel dat hij een liefhebber was van het eigen ,,ik", doch meende ook wel voor den dienst van God iets te willen doen. Hij stelde zich voor, zijn naaste toch ook lief te hebben. Maar als de stralenbundels van de zonne der gerechtigheid over zijn leven opgaan en zelfs de meest duistere plaatsen van zijn hart in het scherpste daglicht worden gesteld, blijkt de haat tegen God en den naaste een natuurlijke neiging te zijn en de zekerheid wordt geboren, dat hij zichzelve niet kan veranderen. Onmogelijk, voor God te kunnen verschijnen zooals hij is, niet in staat eenig goed te verrichten. Is het geestelijk Israël geen ongelukkig volk ? God een verterend vuur, het eigen hart in zonde en ellende en geen troost te vinden in de wereld, terwijl diezelfde vroeger lokkende wereld nu een booze vijand is geworden. Hoe kan dit rampzalige volk nu welgelukzalig geprezen worden. En toch heeft het Woord zich niet vergist. Welgelukzalig zijt gij o Israël, wie is u gelijk ? gij zijt een volk verlost door den Heere. Tot dat ongelukkige volk heeft de Heere zich in Zijn gunst gewend. Het is Zijn eeuwig welbehagen, dat Hem naar hen heeft doen omzien. Om hen heeft de Vader in de stille eeuwigheid het verbond der verlossing gesloten met Zijn Zoon en den Heiligen Geest, om hen heeft zich de Zoon in de volheid des tijds opgeofferd als het Lam Gods, om hen zit Hij als de Voorbidder ter rechterhand des Vaders, en om hen daalt de Heilige Geest neer tot toepassing aan het hart. De engelen in den hemel zijn begeerig in te zien in het heilgeheim van de verlossing der Zijnen en zij kunnen niet. Als het mag gebeuren, dat God naar recht hen niet wil. schuldig keuren, zitten zij soms sprakeloos neer in verwondering hoe God zulk een afgesnedene zaak kan doen. Maar zooals bij Zacheüs zich groote vreugde openbaarde toen de Heere hem toevoegde : „Ik moet heden in uw huis zijn, zoo stroomt een groote gelukzaligheid in hun hart en zij moeten het uitjubelen:
Een stroom van ongerechtigheden, Had d' overhand op mij. Maar ons weerspannig overtreden, Verzoent en zuivert Gij. Welzalig dien Gij hebt verkoren, Dien G' uit al 't aardsch gedruisch, Doet naad'ren en Uw heilstem hooren Ja wonen in Uw huis.
Verlost te zijn, welk een gelukzaligheid voor hen die rampzalig waren geworden in zichzelve. Ontslagen van de zonde en de schuld, vrijgesproken van de straf en dat niet door een mensch, maar door den Heere, den oppersten Rechter, terwijl Hijzelf door Zijn Heiligen Geest dat aan het hart komt bevestigen. Gods Geest getuigt met hunnen geest dat zij kinderen Gods genaamd mogen worden. De vreugde om de verlossing gaat zich nu uiten in het voortbrengen van vruchten der dankbaarheid. De Heere wordt hun lief, de Verlosser wordt hun dierbaar en onmisbaar, Gods lieve Geest ondersteunt hen, Gods wet, Gods dag, Gods volk krijgt de genegenheid van hun hart. Een heerlijk leven is het in den tijd der eerste liefde, een voorsmaak van het volzalig hemelleven als zij immer met God zullen mogen verkeeren.
Maar de machtige vijanden van Zijn volk sluimeren niet. Verre daarvan. De duivel sluipt aan, zoekende hen te overvallen als zij zijn macht niet gedenken. Hij doet ben struikelen, terwijl de wereld lokt en roept met vriendelijke of booze woorden en het eigen hart zich bij de tegenstanders voegt, als de zonde in hen gaat werken en zij met Paulus moeten uitroepen: „Ik ellendig mensch, wie zal mij verlossen van het lichaam dezes doods."
God laat echter niet varen het werk Zijner handen. Hij is het Schild van hun hulp en het Zwaard hunner hoogheid. Hij zal hun vijanden aan hen onderwerpen en zij zullen meer dan overwinnaars zijn. Het geestelijk Israël is zwak in zichzelve, ook na ontvangene genade, aan zichzelve overgelaten dwaalt het rond als een schaap, dat onbedacht zijn herder heeft verloren, maar de Heere kent de Zijnen. Hij beschermt hen tegen de booze vijanden. Hij leidt hen in Zijn wegen. Hij trekt hen en zij loopen Hem na. Hij is hun schild, maar Hij leert hen ook strijden, nu niet in eigen kracht. Hij de Almachtige strijdt voor hen, de Zoon regeert hen door Zijn Heiligen Geest. Hij heeft den duivel overwonnen, de hel en den dood gevankelijk weggevoerd toen Hij het uitsprak : „Het is volbracht". Hij geeft Zijn volk telkens weer deel aan Zijn overwinning. Als zij struikelen, richt Hij hen weer op, totdat zij eindelijk in het huis des Vaders met de vele woningen eeuwig met Hem mogen zijn. Dan zijn alle vijanden voorgoed onderworpen, de duivel en de wereld hebben geen macht meer over hen en het eigen hart gaat uit tot God, die alles is en in allen.
Welgelukzalig zijt gij, o Israël'! wie is u gelijk ? Wie onder de machtigen dezer wereld is aan dit Israël gelijk. Als zij daartoe niet behoor en zullen zij eens hun oogen Koeten opslaan zijnde in de pijn. De rijken in geld en goed, in goede werken, zijn zij Israël gelijk; immers neen, want al deze dingen zijn ijdelheid en hebben geen waarde voor God. Als dus Mozes deze woorden uitspreekt roepen zij een ieder onzer toe onszelve te onderzoeken of wij deel hebben aan dit onvergelijkelijke volk. Laat ons onszelve niet bedriegen. Niet onze godsdienst, niet onze goede werken, niet onze tranen zijn een grond voor het verderven der zaligheid. Als er geen geestelijke kennis is van zonden, is daar ook geen roepen om den Verlosser en zonder dien Christus is het een eeuwig zielsverderf. Het gaat op een eeuwigheid aan. Weest dan niet zorgeloos, maar roept Hem aan, opdat Hij u verlichte oogen des verstands geve en gij uzelve moogt zien in al uw ellende, maar ook Hem aanschouwen in Zijne barmhartigheid en genade, dat gij dien Borg moogt ontvangen als uw deel. En als gij dan moet klagen : „ik kan niet bidden, zooals het behoort, ja mijn gebed is als een stank in Zijn neusgaten, smeek dan dien Heiligen Geest Gods of Hij u leere bidden met onuitsprekelijke zuchten.
Zijt gij in duisternis gezeten vanwege uwe zonden, dan is er maar één weg die ten leven leidt n.l. Jezus Christus, de Zaligmaker, de Gezalfde Gods. Hij is de weg, de waarheid en het leven, bidt dat u die weg geopend moge worden, want ongelukkig is de mensch, die buiten dien verschen en levenden weg moet sterven, maar welgelukzalig is het Israël dat in Hem zijn borg heeft gevonden. Wie is aan dat Israël gelijk ? het is een volk verlost door den Heere, het Schild hunner hulp, en Die een Zwaard is hunner hoogheid; daarom zullen zich hunne vijanden geveinsdelijk aan hen onderwerpen, en zij zullen op hun hoogten treden.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 augustus 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 augustus 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's