UIT DE HISTORIE
ANTONIUS WALAEUS 1639 - 9 Juli - 1939
ANTONIUS WALAEUS 1639 - 9 Juli - 1939
III.
Walaeus als hoogleeraar.
Toen na afloop der Dordtsche Synode de Remonstrantsche hoogleeraren schadelijk geacht werden voor 's Lands belang, en er omgezien werd naar mannen, die de opengevallen plaatsen konden bezetten, viel ook het oog op onzen Walaeus.
De gemeente van Middelburg voelde er niet veel voor, haar geliefden herder af te staan, maar het algemeen belang ging nu eenmaal boven het plaatselijke. Een schrijven van Prins Maurits ondersteunde mede het verzoek, om den predikant aan de academie niet te onthouden.
In een brief aan den Prins, schreef Walaeus :
hebbe Godt de Heere neerstich ghebeden, op dat hy de geheele saecke wilde richten, tol stichtinge sijnder Ghemeynte, ontlastinge van mijn eygen conscientie : my geheelic remitterende in het goei vinden van die gene, die in dese saecke over my hadden te spreken".
Het afscheid van Middelburg op 10 September 1619 werd een aandoenlijke plechtigheid.
Terstond na zijn aankomst te Leiden, viel Walaeus een eere-doctoraat ten deel : een bewijs van erkentelijkheid, en tevens een erkenning van zijn bekwaamheden.
Uit onderscheidene werkzaamheden is het bekend, dat' Walaeus ook als professor zich bond „aan de Heilige Schrift en aan de Formulieren van Eenigheid, omdat hij deze in alles aan Gods Woord conform achtte".
Walaeus' collega's te Leiden waren : P.olyander, Rivet en Thysius. Ten einde hun eenstemmigheid met opzicht tot de voornaamste leerstukken te toonen, kwamen deze vier theologen overeen, geen geschriften uit te geven, noch advies te verleenen, dan met aller goedkeuring.
Niet onwaarschijnlijk werd hier gehandeld in navolging van Calvijn c.s., die evenzeer in bewogen tijden waren overeengekomen, niets te leeren of op den kansel te brengen, wat niet na onderling overleg gewikt en gewogen was.
Wanneer deze maatregel het persoonlijk initiatief niet doodt, (wat werkelijk niet hét geval behoeft te zijn), — dan kan zij zegenrijk werken.
Zoo zou de Theologische Faculteit van Leiden in het vervolg spreken en adviseeren. Als vrucht van' deze solidariteit verscheen e- in 1625 een dogmatisch handboek, dat in 52 hoofdstukken de geheele geloofsleer behandelde onder den naam : „Synopsis Purioris Theologiae". Het werk is opgedragen aan de Staten van Holland en West-Friesland als een blijk van erkentelijkheid voor hun medewerking aan de uitroeiing der Remonstrantsche beginselen.
Van dit boek, dat nog steeds wordt geraadpleegd, verschenen zes drukken. De laatste werd in 1881 door dr. H. Bavinck bezorgd.
Sepp heeft er over gezegd :
„Werkelijk is deze Synopsis een voortreffelijk boek ; wie met haren inhoud kennis maakt, spreekt nooit meer over de dorre dogmatiek der Dordtsche Vaderen ; integendeel : de Synopsis is een model van ontwikkeling der kerkelijke leerbegrippen, naar den inhoud der Heilige Schrift en den consensus der oude kerk opgemaakt uit de schriften der voornaamste kerkvaders ; de polemische toon is gematigd ; de taal en stijl onberispelijk".
Had Walaeus vroeger zich wel eens minder scherp uitgelaten over de strijdpunten tusschen de Remonstranten en Contra-Remonstranten, — als hoogleeraar nam hij steeds meer stelling tegen afwijkingen van de leer der rechtzinnigheid. Had Walaeus vroeger wel eens aanleiding gegeven, te denken, dat de „zieke", onrechtzinnig aandoende Remonstranten nog wel genezen zouden kunnen worden, — later kwam hij tot het inzicht, dat de kloof tusschen beide partijen te diep was, om overbrugd te kunnen worden. Toen de fronten zich steeds scherper gingen afteekenen, heeft Walaeus nimmer geaarzeld, een zuiver geluid te doen hooren, te meer, daar het hem ook vroeger nimmer om onschriftuurlijke soepelheid te doen was geweest. In meegaandheid wilde hij heel ver gaan, maar niet tè ver ! Driemaal heeft Walaeus het rectoraat bekleed der academie te Leiden. Wanneer hij voor de derde maal deze periode met een rede zou hebben mogen besluiten, dan had hij gaarne gesproken „Over de eeuwigheid, waarnaar ik verlangend uitzie", zoo sprak hij eens; tot zijn zoon.
Weldra zou de theoloog echter tot zijn vaderen verzameld worden.
Al waren zijn krachten reeds geruimen tijd minder geworden, — niettemin heeft Walaeus gewerkt, zoolang het dag was.
Op 9 Juli 1639 ontsliep hij, na de vrouw, , waarmede hij vele jaren gelukkig in het huwelijk was verbonden geweest, te hebben aanbevolen in de hoede van zijn oudsten zoon, die doctor in de medicijnen was.
In de Pieterskerk werd Walaeus enkele dagen later bijgezet.
In het Groot Auditorium heeft men Walaeus' verdiensten omstandig herdacht. Polyander merkte bij deze gelegenheid o.m. hel volgende op :
„Gij, Curatoren, Burgemeesteren en Raden, hebt hèm verloren, die een sieraad was van uwe stad en Academie. Wij, Professoren, verliezen in hem een beminnelijken, wijzen en voorzichtigen ambtsbroeder. Gij, leden dezer Academie, een Rector Magnificus, die uw aandenken waardig is. Gij, leerlingen der Latijnsche school, een Curator, die voor hare belangen waakte".
Niettemin kon de spreker met blijdschap gewagen van de geloofskracht des overledenen, die hij een voorbeeld noemde voor hen, die achterbleven.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 augustus 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 augustus 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's