NIENKE
EEN VERHAAL UIT HET FRIESCHE VOLKSLEVEN
Met toestemming Uitgever J. H. Kok te. Kampen
„'k Geloof, dat God dit onbekende kind op onzen weg geplaatst heeft, " zeide hij, „en nu moeten wij het aanvaarden, blind voor de toekomst." Waarmede zijn vrouw volkomen accoord ging, echter onder deze voorwaarde, dat hij zich meer dan den laatsten tijd bij het vak bepalen ging. Want hij wist zelf ook wel, dat de zaak niet meer floreerde als een jaar geleden. Soms moest voor den knecht werk gezocht worden, en dat, waar zij het samen voorheen ternauwernood afkonden. Gurbe was een beste vakman, maar moest zich hier dan ook geheel op toeleggen. De concurrentie was in de stad wel zóó groot, dat, wanneer men bij hem niet of niet op tijd terecht kon, een ander hier wel voor zorgde. Wanneer hij, 't zij hier of ergens elders, evenals vroeger, met hart en ziel zich aan het ambacht gaf, dan geloofde zij ook wel, in dezen weg den zegen Gods te mogen inwachten over hun besluit ten opzichte van dat aangeboden kind.
Daarop is hij stil geworden. Daar lag in die woorden zijner vrouw een zacht verwijt. In waarheid was hij de laatste tijden niet op zijne plaats. Soms kwam die gedachte verwijtend bij hem op, doch dan troostte hij zich hiermede, dat hij immers geestelijk werk deed en in dienst van den Heiland was. Nu wees zijne vrouw hem op hetzelfde en op zijn verwaarloozen van zijn huis. Zij had gelijk, 't Ging niet goed zoo en 't moest anders. Niet allen hebben de roeping het Evangelie te prediken en men had ook de taak, om getrouw te zijn in den arbeid voor dit Ieven. Hé, daar had de Kapitein, kort op elkaar, herhaaldelijk op gewezen. Den vorigen avond ook nog. Zou hij dat opzettelijk gedaan hebben ? Wonderlijk, dat dit nu pas tot hem doordrong, 't Was alsof plotseling hem de oogen geopend werden. Gurbe zag wat. Hij zag zijn bloeiende schoenmakerszaak, zooals die geweest was, maar ook, hoe deze thans verliep. Verbazend, wat miste hij een klanten, die voorheen trouw kwamen !
Mijnheer A. liet zich nooit meer zien en mevrouw B. had in geen tijden iets laten repareeren en de familie C. zag je hier nooit meer. Hij wilde zijn boeken eens raadplegen. Wat een namen, die vroeger veel daarin voorkwamen en nu nooit meer. En dan, wat weinig jaarrekeningen, die hij uit te schrijven had, als Januari straks weer in het land was. Als het zoo doorging, dan verliep de heele zaak, en dan ? Zijne vrouw had gelijk. Vrouwen hadden veel gelijk, als de mannen het maar wilden erkennen. Hij had dat bij de klanten dikwijls opgemerkt, als hij zoo rondging om 't schoenwerk thuis te brengen of om nieuwe aan te meten.
Even kwam een tweestrijd in hem. Zou hij zich laten terecht wijzen door zijn vrouw ? En dan het Leger ? Men mocht hem graag hooren spreken, even lief als de Kapitein en soms nog liever, omdat hij de dingen zoo juist zeggen kon. Als hij er niet was, zou er eene leegte zijn ; en als hij bad, was het altijd zoo stil in de zaal. Onlangs hadden een paar grondwerkers, die in een kroegje onder een biertje zaten, ruzie over hem gekregen, maar waren het samen hierin eens geworden, dat hij zoo „machtig mooi" bidden kon. Later had een van hen, toen hij blijkbaar ook nog wat anders gedronken had dan koud water, het hem op straat verteld, en hoewel Gurbe er zich eensdeels aan geërgerd had, dat de man met zijn beneveld brein zóó over heilige dingen sprak, was het duiveltje van den hoogmoed toch in zijn hart geslopen om hem te zeggen, dat hij op weg was een man van beteekenis te worden, voor wien kroegloopers zelfs respect hadden.
Stil ging hij dien mogen naar de werkplaats en zonder veel praats klopte hij het zooileer en sneed de modellen, en prikte met de els de gaatjes, waarin de puntige pluggen met groote vaardigheid en vlugheid gedreven werden, als in geen tijd geschied was, zoodat Jochem nu en dan een nieuwsgierigen blik naar den baas wierp, alsof hij zeggen wilde : wat beteekent dit alles en waartoe die haast ?
Daarop is hij plotseling opgestaan, hing het schootsvel aan den spijker, waar het in rust zijne plaats had, zocht zijne vrouw op, die druk in het achterhuis bezig was, en zei toen : „'k Geloof, dat je gelijk hebt, Gelske ; 't moet anders en 't zal ook anders. Als het je goed is, ga ik aanstonds naar den Kapitein om te zeggen, dat wij die arme wurm daar uit Holland voor onze rekening nemen, zoolang en voor zoover de echte moeder ons dat' kind wil afstaan ; maar meteen om hem te vertellen, dat ik voortaan niet zoo geregeld de samenkomsten zal kunnen bijwonen, om mij meer toe te leggen op mijn arbeid."
Dat was voor Gelske eene openbaring en een uitkomst tevens. Voorheen zou hij ook zelfs zoo'n zachte terechtwijzing niet hebben aangenomen ; nu had zij alle hoop op betere tijden. Want als Gurbe dat wilde, konhij uit zijn vak halen, wat een ander niet vermocht.
En dan nog het uitzicht op het krijgen van.een kind in huis ! Wel niet een eigen kind, maar dan toch zoo goed als haar zélf toebehoorend.
„Mooi, daar ben ik blij om ; en je zult eens zien, hoe goed het je bevallen zal, " was haar antwoord. „Hier is je Zondagsche jas en broek en maak nu maar vlug, dat je de boodschap brengt, voor een ander ons de kleine meid nog voor den neus wegneemt."
Dat laatste, daar schrok Gurbe bijna van. Dat zou de grootste teleurstelling worden, die hij zich denken kon. Hij zag reeds een lief, aanvallig meisje in zijn huis, en zijne vrouw verlangde d'r naar ; hij had het heel goed begrepen, al sprak zij dat zoo niet uit. En nu nog dé kans, dat die kleine hun ontkwam !
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 augustus 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 augustus 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's