WAT CALVIJN ONS LEERT
Paulus spreekt vaak over de vernieuwing des levens. Wij, eindigden den vorigen keer met 2 Cor. 3 vs. 18. Dat is echter niet de eenige plaats. Dat gij zoudt vernieuwd worden in den geest uws gemoeds en den nieuwen mensch aandoen, die naar God geschapen is in ware rechtvaardigheid en heihgheid. (Ef. 4 vs. 23 en 24).
Aangedaan hebbende den nieuwen mensch, die vernieuwd wordt tot kennisse naar het evenbeeld desgenen, die hem geschapen heeft. (Coloss. 3 vs. 10). Door de wedergeboorte krachtens de weldaad van Christus worden wij wederom opgewekt tot Gods gerechtigheid, van welke wij door A'dam afgevallen waren. Zoo behaagt het Gode op deze wijze wederom terecht te brengen degenen, die Hij tot de erfenis des levens aanneemt.
Deze wederoprichting wordt niet volbracht in een oogenblik, een dag, of een jaar. God doet de verdorvenheid in Zijn uitverkorenen. te niet bij bestendigen voortgang en dat kan soms heel lang duren.
Hij reinigt hen van hun ongerechtigheden. Hij heiligt hen tot tempelen en woonplaatsen van Zijn Geest. Hij zuivert de zinnen en gevoelens, zoodat zij zich zelf oefenen in boetvaardigheid. Daaruit wordt ook verstaan, dat deze strijd eerst eindigt met den dood.
Intusschen heeft Calvijn aanleiding om de misvatting van zekeren Staphylus aan de kaak te stellen. Deze man had n.l. beweerd, dat Calvijn het hemelsche leven en den staat van het tegenwoordige leven door elkander haalt. Aanleiding daartoe meende hij te vinden in Calvijns woord naar 2 Cor. 4 vs. 16, dat het beeld Gods Waarachtige heiligheid en gerechtigheid is.
Calvijn wijst er op, dat men, indien men den zaak beschrijft, die zaak moet zoeken tot haar volmaaktheid. Daarnaast wordt de Stoei niet geloochend. Hij beweert niet, dat men op eens met een volkomen gerechtigheid wordt bekleed. Hij zegt alleen: wanneer iemand de gelijkenis Gods naderkomt, geeft ook het beeld Gods zooveel klaarder schijnsel van zich. En, zoo besluit hij, opdat de mensch daartoe gerake, heeft God de loopbaan der boetvaardigheid bevolen om daarin een leven lang te loopen.
Op zulk een wijze worden Gods kinderen van de dienstbaarheid der zonde door de wedergeboorte verlost. Niet alzoo, dat zij op eenmaal in het volle bezit van de vrijheid worden gesteld en geen zwarigheid des levens meer gevoelen. Doch op zoodanige wijze, dat er een voortdurende oorzaak van strijd blijft. Zij worden daardoor niet alleen geoefend, maar leeren ook hun zwakheden beter kennen.
Dat de begeerte zonde is.
In den wedergeboren mensch blijft een vonk en oorsprong van het kwaad, waaruit altijd weer booze begeerten uitspruiten, die hem tot zonde verlokken en prikkelen. Daarin komen alle schrijvers, die een gezond oordeel hebben, overeen. Eveneens stemmen zij daarin overeen, dat de heiligen met de ziekte der begeerlijkheid behept blijven, die zij niet kunnen weerstaan zonder soms te vallen in zonden van onkuischheid, geldgierigheid, eergierigheid of anderszins.
Calvijn wijst op het getuigenis der oude leeraren, inzonderheid op Augustinus, die hun gevoelens weergeeft. Hij is het echter in de waardeering met Augustinus niet heelemaal eens. Augustinus spreekt hier van zwakheid des vleesches, maar noemt deze eerst zonde, als de begeerlijkheid tot wil wordt en zich uitstrekt tot de daad. Calvijn daarentegen houdt het voor zonde, wanneer de mensch met eenige begeerlijkheid tegen de Wet Gods wordt geprikkeld. Hij gaat nog verder, en acht de verkeerdheid, waaruit zulk een begeerlijkheid opkomt, zonde.
Zoo leert hij, dat er altijd zonde is in de heiligen, totdat zij van het lichaam verlost worden, aangezien die verkeerdheid in het vleesch woont.
Voorts wijst hij er op, dat Augustinus niet altijd gelijk is in dit stuk, want hij geeft ergens toe, dat Paulus ook datgene, waaruit de zonden ontstaan, n.l. de vleeschelijke begeerlijkheid, zonde noemt.
God reinigt Zijn kerk van alle zonde. Is dat niet in tegenspraak met het laatste, t.w. dat de heiligen aan de begeerlijkheid des vleesches onderworpen zijn ? "
Calvijn antwoordt, dat dit meer van de schuld, dan van de materie der zonde, wordt verstaan.
Het is wel zoo, dat door de wedergeboorte de heerschappij der zonde wordt gebroken. Want God geeft de kracht van Zijn Geest, waardoor in den strijd de overhand wordt verkregen. De zonde houdt op over hen te heerschen, maar niet, in hen te wonen.
Wanneer daar gesproken wordt van de kruisiging van den ouden mensch en de vernietiging der zonde, dan beteekent dit dus, dat de heerschappij der zonde is gebroken. De overblijfselen der zonde wórden door de barmhartigheid Gods niet toegerekend, maar zij moeten den mensch verootmoedigen. De groote zaak is echter, dat de heiligen door Gods barmhartigheid verlost worden van de schuld, waardoor zij voor God verdoemelijk zijn.
Calvijn wijst intusschen op Paulus' woord in Rom. 7 vs. 6, waar hij spreekt in den persoon, van een wedergeboren mensch. Maar nu zijn wij vrijgemaakt van de wet, overmits wij dien gestorven zijn, onder welken wij gehouden waren, alzoo dat wij dienen in nieuwigheid des geestes en niet in de oudheid der letter.
De begeerlijkheid is de bron der zonde en daarom zonde. Wie dat ontkent, neemt de oorzaak weg en loochent, dat de overtredingen der Wet zonde zijn.
De Wet eischt, dat wij God zullen liefhebben met al onze zielekrachten. Uit de werkingen der ziel komt de boosheid op, zoodat zij bewijzen van de liefde ontbloot te zijn.
Maar, zal iemand zeggen. God is toch de Auteur van onze natuur. Hij heeft de werkingen der ziel gegeven. Is het dan niet ongerijmd, om de werkingen der ziel, waardoor wij van nature bewogen worden, zonde te noemen ?
Zeker, geeft Calvijn toe, die begeerten, welke God bij de schepping van den mensch heeft ingedrukt, zullen wij geenszins veroordeelen. Die kunnen ook niet uitgeroeid worden zonder de menschheid op te heffen. Maar daarover gaat het niet. Het gaat over de ongebonden bewegingen, die tegen Gods ordinantiën strijden.
Met andere woorden, Calvijn komt op tegen de ongebondenheid. Dat is de verdorvenheid der zielekrachten. Zij zijn in al hun werkingen voortdurend ongeregeld en onmatig. De lusten en begeerten kunnen van die onmatigheid niet worden losgemaakt.
Zoo zijn deze begeerten zondig, niet naar haar natuur, maar naar haar verdorven natuur, dat is de ongebondenheid. Daar kan geen goeds uit voortkomen.
Vervolgens neemt Calvijn het voor Augustinus op. Hij verklaart zijn woorden uit den strijd met de Pelagianen, ofschoon Augustinus toch ook zegt, dat de wet der zonde in de heiligen blijft en dat de schuld en het oordeel worden weggenomen. Hij gaat dit dus uitvoeriger uit zijn geschriften toelichten.
Daarna komt hij tot een andere tegenwerping van de zijde dergenen, die willen beweren, dat de begeerte geen zonde is. Zij beroepen zich op een woord van Jacobus (1 vs. 15) : Als de begeerlijkheid ontvangen heeft, zoo baart zij zonde. Terecht merkt Calvijn op, dat deze tekst duidelijk is. Jacobus spreekt over de boosheden. En als deze boosheden uit de begeerten worden geboren, is het toch klaar, dat de begeerten boos zijn.
De gedachte der Wederdoopers.
Ook de Wederdoopers in Calvijns dagen hadden vreemde opvattingen van de wedergeboorte. Zij leerden, dat de wedergeboren mensch niet meer bekommerd behoefde te zijn omtrent de zonde. Hij moet zich aan de leiding van den Heiligen Geest toebetrouwen, want hij is immers in den staat van onschuld hersteld. Onder het beleid van den Heiligen Geest dwaalt men nimmermeer af.
Dit is Gods waarheid in de leugen veranderen, merkt Calvijn daartegen op. Want op die manier zou alle onderscheid tusschen eerbaarheid en oneerbaarheid, goed en kwaad, deugd en ondeugd, worden weggenomen.
Dit onderscheid, zeggen zij, is uit de vervloeking van den ouden Adam, en daarvan zijn wij door Christus verlost. Zoo zou er dus geen onderscheid zijn tusschen hoererij en kuischheid, oprechtheid en bedrog, waarheid en leugen, gerechtigheid en ongerechtigheid.
Neem de vrees weg, en u zal niets geschieden, zoo gij u maar gerust en zonder schroom aan de leiding van den Geest overgeeft.
Men staat verbaasd over zulk een leer, zegt Calvijn, doch zij is gewoon bij degenen die zoozeer verblind zijn door hun lusten en het gemeen gevoel en verstand verloren hebben.
Wat is dat voor een zelf gesmede Christus en wat voor een Geest, waarover zij praten ?
Want wij erkennen den Christus, die ons in het Evangelie wordt voorgesteld en Zijn Geest, van Wien wij in de Heilige Schrift nooit zulke dingen vernamen. Die Geest is geen voorstander van doodslag, hoererij, dronkenschap, hoovaardigheid, twist, gierigheid en bedrog, maar een Werkmeester der liefde, kuischheid, soberheid, zedigheid, vrede, matigheid en waarheid. Hij is een Geest vol wijsheid en verstand, die onderscheid maakt tusschen gerechtigheid en ongerechtigheid. Hij verwekt geen ongebonden vrijheid, maar onderscheidt het geoorloofde en het ongeoorloofde, leert regel en maat te houden, het goede te doen en het kwade na te laten.
De Heilige Geest is geen maaksel van menschelijke droomerij, maar de kinderen Gods zoeken Hem met eerbiedige vreeze te leeren kennen uit de Schriftuur.
Zij leeren dan twee dingen. Vooreerst, dat Hij ons is gegeven tot heiligmaking om ons van alle onreinheid te zuiveren, en tot gehoorzaamheid der goddelijke gerechtigheid te brengen.
Zulk een gehoorzaamheid kan niet bestaan, tenzij de booze begeerlijkheden ten onder gebracht worden.
Ten andere leeren zij, dat wij door Zijn heiligmaking alzoo gereinigd worden, dat wij nochtans met vele zwarigheden en gebreken ons leven lang hebben te worstelen. Zoo bezien, zijn wij verre van de volmaaktheid verwijderd, maken slechts eenige vordering, terwijl wij dagelijks met de zonde hebben te strijden.
Steeds hebben wij te waken, opdat wij door de lusten des vleesches niet bedrogen worden, tenzij wij mochten meenen, dat wij verder gekomen waren den de apostel Paulus, die nochtans door den Satan worüt gekweld, opdat Gods kracht in zijn zwakheid werd volbracht. Zoo ontveinst zich Paulus den strijd van het vleesch tegen den Geest niet. (2 Cor. 12 vs. 7, 9; Rom. 7 vs. 7).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 augustus 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 augustus 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's