WAT DE PERS TE LEZEN GEEFT
Hier sta ik
In het „Utrechtsch Nieuwsblad" publiceert dr. G. W. Oberman, Ned. Herv. pred. te Utrecht, een authentieke preek, die een „Luther" onder de Belijdenispredikanten in Duitschland heeft uitgesproken. Het is een heldhaftig getuigenis en een scherp protest tegen de Jodenvervolgingen. Hoezeer levensgevaarlijk deze bijbelsche boodschap in het Derde Rijk is, kan blijken uit het feit, dat de betrokken predikant bewusteloos werd geslagen en in de gevangenis geworpen.
De tekst van bedoelde preek is ontleend aan de profetieën van Jeremia : „O land, land, land : hoor des Heeren Woord". (Jeremia 22 vers 29). Hier volgen een paar passages, (zooals wij die vonden in „Algem. Weekblad") :
»Waarom werdt gij den trouwen God ontrouw ? Waarom lette gij niet méér op Zijn geboden ? Ziet gij niet, hoe het daarom met uw koningen afgeloopen is ? O land, lief Vaderland, hoor des Heeren Woord !
In deze dagen gaat door ons volk een vraag : Waar is in Duitschland de profeet, die in het huis des Konings gestuurd wordt om des Heeren Woord te spreken ? Waar is de man, die in den naam van God en van de gerechtigheid roept, zooals Jeremia geroepen heeft: Doet recht, redt de beroofden uit de hand van den misdadiger ! Schendt vreemdeling, wees en weduwe niet, en doet geen geweld en vergiet geen onschuldig bloed !
God heeft ons zulke mannen gezonden ! Ze zijn heden of in het concentratiekamp of gemuilkorfd. Zij echter, die in de huizen der vorsten komen en daar nog heilige handelingen kunnen voltrekken, zijn leugenpredikers zooals de nationale dwepers in Jeremia's dagen en kunnen slechts „Heil" en „Sieg" roepen, maar niet des Heeren Woord verkondigen.
De mannen van de Vorlaufige Kirchenleitung", over wie de couranten in de laatste week schreven, hebben in een liturgie voor een godsdienstoefening het gebod des Heeren duidelijk uitgesproken ; en zich wegens de verschrikkelijke verachting der goddelijke geboden door ons volk, voor God gebogen voor Kerk en volk. Ieder weet, hoe zij daarvoor als schadelijke elementen voor het volk aan de kaak gesteld en van hun salaris beroofd zijn — en onze bisschoppen hebben het niet als hun plicht beschouwd, zich aan de zijde te stellen van hen, die des Heeren Woord gesproken hebben.
Wanneer dan sommigen zwijgen moeten en anderen niet spreken willen, dan hebben wij heden alle reden een boetedag te houden, een dag van droefheid over de zonden van ons en van ons volk".
„De hartstochten zijn losgebroken, de geboden Gods veracht. Godshuizen, die anderen heilig waren, zijn ongestraft neergebrand ; het eigendom van vreemden is geroofd of verwoest ; mannen, die ons Duitsche volk trouw gediend hebben en hun plicht consciëntieus gedaan hebben, worden in het concentratiekamp geworpen, alleen omdat ze van een ander ras zijn. Al wordt het onrecht van hoogerhand niet toegegeven — het gezonde volksgevoel voelt het duidelijk, ook waar men er niet over durft spreken. En wij als Christenen zien, hoe dit onrecht ons volk voor God met schuld belaadt, en dat Zijn straffen over ons land moeten g^an. Want er staat geschreven : Vergist u niet ! God laat niet met zich spotten. Wat de mensch zaait, dat zal hij ook maaien.
Ja, het is een verschrikkelijk zaad van haat, dat nu weer gezaaid is. Welk een verschrikkelijke oogst zal daaruit groeien, als God ons volk en ons niet genadig is op onze oprechte boete".
„En laat ons hierbij tenslotte niet vergeten, dat voor een Christen des Heeren Woord nog duidelijker en kostelijker is, dan voor een Jeremia. Want het is vervuld in Christus, onzen Heere, die gezegd heeft : doet boete, want het Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen.
Door Hem wordt onze boetedag ook een dag van dankzegging. De wereld spot zoo graag met de boete, omdat ze geen vermoeden heeft, dat de ware boete de poort tot gelukkig leven wordt, en dit niet eerst in het hier-namaals, maar hier al op aarde. Ik mag herinneren aan den verloren zoon, aan zijn terugkeer in het rijke leven, dat door de vriendelijkheid van den vader thuis voor hem begon. Wie zelf al door deze poort der boete is teruggekeerd tot zijn God, weet hoe dichtbij daarmee het hemelrijk gekomen is. En wanneer wij nu met de schuld. waarvan men meende niet te mogen spreken, met ons volk boete doende, voor God gestaan hebben, dan is dit belijden tenminste voor mij ook heden geweest als het afwerpen van een grooten last. God lof ! Het is uitgesproken voor God en in Gods naam. Nu mag de wereld met ons doen wat ze wil. Wij staan in de hand van onzen God. Hij is getrouw. Gij echter, o land, land, land ! hoor des Heeren Woord !"
In Duitschland wordt een strijd uitgevochten door de Belijdenis-Kerken en het moderne Heidendom ; een strijd op leven en dood.
„Maar onze Koning is van Isrels God gegeven"....
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 augustus 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 augustus 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's