MEDITATIE
De Heere bemint de poorten Sions boven alle woningen Jacobs. Psalm 87 : 2.
Ons Huis en het Huis des Heeren.
Daar woont Hij zelf, daar wordt Zijn heil verkregen,
En 't leven tot in eeuwigheid.
Zoo zingen wij van die gezinnen, wier leden als broeders samen wonen, van die huizen, waarin liefde woont, liefde tot elkander, bovenal liefde tot God.
Wij kennen ze ook wel die gezinnen, waar de ouders en de kinderen met elkander en onderling in de beste harmonie leven. Die huizen, welke 's Zondags verlaten worden om het Huis des Heeren te bezoeken, waar in de week na één of meer der dagelijksche maaltijden of ook wel 's avonds, vóór men zich ter rust begeeft, door vader een gedeelte uit den bijbel wordt gelezen, waar de ouders het goede, in den hoogsten zin van het woord, voor hun kinderen zoeken, en waar de kinderen hun ouders gehoorzaam zijn en met elkander in liefde en vrede leven.
In zulke gezinnen komen wij graag. En de Heere is er ook gaarne : Daar woont Hij zelf.
Het schriftwoord, dat wij heden tot ons willen laten spreken, noemt de reden, waarom de Heere daar woont en aldaar den zegen gebiedt en het leven tot in eeuwigheid : omdat de Heere zulke huizen bemint.
Woningen Jacobs worden ze hier genoemd.|
Jacob is het volk, waarmede de Heere Zijn Verbond heeft opgericht, het volk, dat Hij uit alle andere volken zich ten eigendom heeft verkoren, waaraan Hij Zijn wet heeft gegeven en Zijn beloften heeft geschonken.
En gelijk nu de Heere dat volk in z'n geheel liefheeft, zoo gaat Zijn liefde ook uit tot de kleinste deelen ervan : de Heere bemint de woningen Jacobs.
Dit volk was niet beter of aantrekkelijker dan andere volken. Volgens de beeldspraak van Ezechiël heeft de Heere het gevonden als een niet begeerd, te vondeling gelegd kind, pas geboren en nog trappelend in het bloed. In dien toestand heeft de Heere 'Zich over het volk ontfermd en het tot Zijn kind aangenomen.
En wat van allen geldt, geldt ook van hen naar hun natuurlijk bestaan : hatelijk zijnde en elkander hatende.
Het is dan ook niet op grond van hun liefde, dat Hij dit volk liefheeft, dat Hij de woningen Jacobs bemint. Neen, uit vrije goedheid boog Hij zich in gunst tot dit volk neer. Uit vrije goedheid liet Hij zich met dit volk in. Uit vrije goedheid woonde Hij met Zijn Geest zaligmakend en vernieuwend in het midden van dit volk.
En zoo kwam het, dat de afgoden onder het volk moesten wijken voor den eenigen waren God, dat de Godverzaking veranderde in godsvrucht, dat de haat plaats maakte voor de liefde. Zoo kwam het, dat in de woningen Jacobs de Heere werd gezocht en gediend, dat de huisgenooten in liefde en vrede met elkander leefden, dat zij elkander droegen in hun gebreken en hielpen in hun moeilijkheden.
En omdat de Heere nu in dit alles Zijn eigen werk ziet, daarom heeft Hij dat volk lief, daarom bemint Hij de woningen Jacobs, en woont Hij aldaar, den zegen gebiedend en het leven tot in eeuwigheid.
Nu moeten wij wel zorgen, dat wij dat volk niet gaan idealiseeren. Want de Heere Zelf moet ervan getuigen : zij zijn een volk, dwalende van hart, en zij kennen mijne wegen niet. En zij hebben den Heere wel eens zoodanig tot straffen bewogen, dat de profeet Jeremia klagen moest: de Heere heeft alle woningen Jacobs verslonden.
Ook na de ontvangen genade is dat volk nog niet beter dan andere volken. En men meene niet, dat de Heere, wanneer het straf verdiend heeft, dat volk ontzien zal.
Ook het volk des Heeren in Nederland staat ver beneden het ideaal. Tusschen zijn belijdenis en zijn leven is niet die overeenstemming, welke men mocht verwachten. De wereld houdt het niet genoegzaam uit zijn midden. Met een verwijzing naar den ouden mensch kan er dikwijls heel wat bij door. De eenheid onder dat volk is ver te zoeken. Het ligt uiteen in tallooze kerken en kerkjes, en groepen in die kerken en kerkjes, welke allen elkander verdachtmaken en verketteren.
En de belijdenis zelf ? Nu ja, in naam wordt zij nog wel gehandhaafd. Velen noemen zich nog graag gereformeerd. Maar de opvattingen, die onder dat volk leven, ook in onze kringen, vinden vaak, hoe degelijk ze ook schijnen, weinig grond meer in de belijdenis en in de Heilige Schrift.
Er is dan ook niet de minste reden om met veel ophef over dat volk te spreken, verbloemend zijn zonden, gelijk dat wel eens gedaan wordt. Naar wij zagen, doet de Heere Zelf dat ook niet, hoewel Hij Zijn volk, ondanks alles, liefheeft. Laten wij dan ook in dit opzicht niet wijzer willen zijn dan de Heere, ofschoon ook wij Zijn volk behooren lief te hebben, hetgeen wij inderdaad doen, indien wij er zelf door genade toe mogen behooren.
En de woningen Jacobs in Nederland, hoe is het daarmee gesteld ? Och, ook daar is het ideaal nog niet bereikt. Als het geheele lichaam ziek is, hoe zouden dan de afzonderlijke leden gezond zijn ? Ook in de woningen Jacobs is wel eens twist en tweedracht. Ook daar wel eens een toegeven aan, ja zelfs een overheerscht wordendoor de zonde. Ook daar wel eens een koesteren van eigen geliefde meening, die in strijd is met de Heilige Schrift.
Des Zondagsmorgens bij velen dan wel een gezamenlijk, opgaan naar het huis des Heeren, maar ook wel een mindere belangstelling voor den tweeden kerkdienst, voor de Catechismusprediking. En door de week dan in den regel wel de huiselijke godsdienstoefening, maar ook wel eens, als er haast is, een nalaten van het bijbellezen na den maaltijd. Bij de kinderen in 't algemeen wel onderdanigheid aan de ouders, maar ook wel eens eigenwijsheid en ongehoorzaamheid. En bij de ouders dan wel een streven om de kinderen naar en bij Gods Woord op te voeden, maar ook wel eens een zondig en ontactisch optreden en een verwekken van de kinderen tot toorn.
Maar daarom juist moet het ons des te meer verwonderen, dat de Heere ondanks dit alles Zijn volk liefheeft en de woningen Jacobs bemint. Hoe duidelijk blijkt het, dat 's Heeren liefde een vrije liefde is, niet opgewekt door iets, dat in of aan Zijn volk, zooals het in zichzelf is, gevonden wordt. Zooals gezegd, bemint Hij Zijn volk, omdat Hij het werk Zijner eigen handen erin opmerkt. Hij ziet, dat er bij hen een vermaak in de wet Gods is naar den inwendigen mensch. Hij hoort de verzuchting : het willen is wel bij mij, maar het goede te doen, dat vind ik niet. Hij aanschouwt het oprechte berouw, dat na bedreven zonde in den boezem oprijst. Hij ziet de liefde, welke, hoe dan vaak ook onder allerlei uitingen van de zondige natuur verborgen, in de tenten Jacobs woont.
En in dit werk Zijner handen Verheugt Zich de Heere. Dat opmerkende heeft Hij Zijn volk lief en bemint Hij de woningen Jacobs.
Hebt ge 's Heeren tegenwoordigheid ook wel in uw woning mogen ondervinden, lezers ? Is de Heere uw meest welkome gast ? Strijdt ge wel tegen alles, wat Hem uw deur zou doen voorbij gaan ? Denkt er aan : slechts waar liefde woont, gebiedt de Heer' Zijn zegen, daar woont Hij zelf Wordt die liefde in uw gezin gevonden ? En.zoo niet, hebt ge er al om leeren bidden ? Ook in zulk een gebed ziet de Heere Zijn eigen werk. Daarom zal Hij het zeker verhooren, en op zulk een gebed ook tot u inkeeren.
Lieflijke gedachte, dat de Heere de woningen Jacobs bemint?
Toch is er nog een andere plaats, waar de Heere bij voorkeur woont. Ons tekstwoord zegt: de Heere bemint de poorten Sions boven alle woningen Jacobs.
Met de poorten Sions wordt hier bedoeld de tempel, waar het volk samenkwam tot den rechtstreekschen dienst des Heeren. Door 'die poorten toch trokken telkens op hoogtijden de feestgangers, die van alle oorden des lands kwamen om in het heiligdom te aanbidden. En wanneer de Heere zoo de stammen Israels die poorten zag binnentrekken, verheugde Hij Zich in dien aanblik. Dan verliet Hij voor een wijle de woningen Jacobs, — om het eens op menschelijke wijze uit te drukken, gelijk de bijbel dat ook wel doet, — en ging Hij met Zijn volk mee den tempel binnen en kwam Hij daar met hen samen om de offers, die het bracht, te ontvangen, om de gebeden, die het opzond, te verhooren, en om Zijn zegen aan dat volk mee te deelen.
Die schoone tempel te Jeruzalem bestaat niet meer. Sinds Christus, die het wezen van den Oudtestamentischen eeredienst was, gekomen is, en het volmaakte offer van Zijn eigen lichaam en ziel gebracht heeft, kon de dienst der schaduwen vervallen. Zijn gemeente is nu de tempel Gods. Maar die gemeente heeft ook weer een plaats van samenkomst. Temidden onzer woningen staat ons kerkgebouw, dat wij zoo gaarn, e het Huis des Heeren noemen. En terecht, want wanneer de gemeente daar samenkomt, is de Heere ook daar aanwezig. Hij is daar ook weer — als ik het zoo zeggen mag — liever dan in onze eigen huizen. Immers dat kerkgebouw kan thans, in overdrachtelijken zin, de poorten Sions genoemd worden, gelijk de naam Sion ook is overgedragen op de Nieuw-testamentische gemeente. En de Heere bemint de poorten Sions nog steeds boven alle woningen Jacobs.
Hij is een God, die zoo gaarne woont onder de lofzangen Israels. In Zijn Huis wil Hij heel in 't bizonder door Zijn Geest zaligmakend en vernieuwend werken aan de harten Zijner kinderen, daarbij van de prediking des Evangelies, als het middel door Hem ingesteld, gebruik makend. Van dat Huis geldt het in 't bizonder: Daar Woont Hij zelf, daar wordt Zijn heil verkregen, en 't leven tot in eeuwigheid. En gelijk nu de Heere de poorten Sions bemint boven alle woningen Jacobs, zoo moet het ook zijn bij Zijn volk, want ook in dat opzicht heeft het Gods beeld te vertoonen. Het is goed om thuis zijn bijbel, een gezonde, schriftuurlijke preek of een stichtelijk boek te lezen, of ook wel naar de radio te luisteren, wanneer er „een goede dominee voor is." Maar des Zondags behoort men, wanneer men gezond is en geen wettige verhindering heeft, zijn eigen huis te verlaten en zich met de gemeente op te maken om naar het Huis des Heeren te gaan.
Zeker, de Heiland heeft gezegd : Waar twee of drie vergaderd zijn in Mijnen Naam, daar ben Ik in het midden van hen. En in plaatsen, waar de prediking in het officieele kerkgebouw niet is uit en naar het Woord des Heeren — in onze diepgevallen Hervormde Kerk komt dat helaas voor — is de waarheid van die belofte meermalen heerlijk ondervonden, wanneer zielen, die begeerig waren naar de redelijke, onvervalschte melk des Woords, elkander opzochten en zich samen aan het Woord verkwikten.
Maar, mijne vrienden, laat ons niet te spoedig zeggen, dat de prediking niet is naar het Woord des Heeren. Het kon ook wel eens zijn, dat wij een afkeer van die prediking hadden, omdat zij niet is naar den mensch. En laten we het ook bedenken, dat wanneer we om andere redenen dan uit liefde tot het zuivere woord der waarheid uit de Kerk wegblijven, en elders samenkomen om ons te stichten, we niet in 's Heeren Naam, maar in onzen eigen naam vergaderd zijn, dus dat de Heere dan ook niet in ons midden kan zijn.
Ach, wat is er ook op het punt van het bijwonen van den dienst des Woords een schuld te belijden! Wat een uitvluchten worden dikwijls gezocht om thuis te blijven !
Nu eens is het weer niet gunstig : te warm of te koud of te nat. Dan weer is de afstand naar de kerk ons te ver. Nu eens wordt als reden voor onkerkschheid gehoord : die of die man hoort niet in de kerk thuis; dat is zoo'n huichelaar ! als ik hem zie zitten, is mijn kerkgang al bedorven ; daarom ga ik liever niet. (Hoort u het farizeisme in zoo'n redeneering ? ) Dan weer moet als verontschuldiging dienen, dat de prediker niet naar den smaak is. (Maar mag dat wel een maatstaf van beoordeeHng zijn, onze smaak ? Is het Woord des Heeren niet het criterium ? Welnu, die twee, Gods Woord en onze smaak, dekken elkaar werkelijk niet. Het evangelie is, gelijk reeds opgemerkt, niet naar den mensch, ofschoon wel voor den mensch.)
Hoe is het in dit opzicht met u gesteld, lezers ? Indien gij ook tot de onkerkschen behoort, of makkelijk uit de kerk wegblijft, onderzoekt uzelf dan eens hierin. Zou de Heere uw verontschuldigingen aanvaarden ? Of moet ge eigenlijk niet toegeven, dat ge uzelf misleidt en het bij het verkeerde eind hebt ?
Gelukkig zijn er ook velen, die getrouw en gaarne opgaan onder den dienst des Woords. 's Maandags verlangen zij alweer naar den Zondag. Het is hun altijd goed, in het Huis des Heeren te zijn. Zij ondervinden de waarheid van het woord onzer overdenking : de Heere bemint de poorten Sions boven alle woningen Jacobs. En in dit opzicht vertoonen zij ook het beeld des Heeren : zij zeggen het den psalmist na: Hoe lief heb ik Uw woning, de tent, o Hemelkoning, die ge U ter eer hebt opgericht.
Niet graag, slechts noodgedwongen, blijven zij 's Zondags uit de kerk thuis. Het is dan net voor hen, of het geen Zondag is. Zij lezen dan wel een preek of luisteren naar de radio, maar toch zeggen zij : er gaat niets boven mijn kerkgang.
Zij denken aan den zegen, daar gesmaakt. Zij herinneren zich de gebedsverhooringen, daar ondervonden. Zij hooren de daar gezongen psalmen nog met aangenaamheid in het hart in de ooren weerklinken.
En dit alles.zich voor den geest stellend, roepen zij het uit: Hoe liefelijk zijn Uwe woningen, o Heere der heirscharen! Mijn ziel is begeerig en bezwijkt ook van verlangen naar de voorhoven des" Heeren.
En weer met de gemeente opgegaan tot Gods altaren, tot God, hun God, de bron van vreugd, zingen zij het van harte mee :
Ik ben verblijd, wanneer men mij Godvruchtig opwekt: zie, wij staan Gereed om naar Gods huis te gaan. Kom, ga met ons, en doe als wij. Jeruzalem, dat ik bemin, Wij treden uwe poorten in. Daar staan, o Godsstad, onze voeten.
Behoort ook gij tot dezulken, lezers ?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 augustus 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 augustus 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's