KERKELIJKE RONDSCHOUW
ONZE KONINGIN VERJAART
Vandaag is onze Koningin jarig. Door Gods gunst gespaard en bewaard, mag Zij in goede gezondheid haar 59ste jaardag gedenken. En wel zal, door de zoo angstig-droeve tijdsomstandigheden van veel feestjubel wel geen sprake zijn en de luide feestzangen zullen wel niet worden gehoord in stad en dorp, maar dat kan geenszins verhinderen, dat we vandaag zoo innig blij en zoo echt dankbaar zijn. Juist nu zijn we zoo gelukkig, dat we onze Koningin mogen hébben, ais een rijke schat, waarbij heel het volk zich zoo dankbaar voelt. Juist nu, in deze donkere dagen, zoo vol angst en zorg, is het zoo'n onuitsprekelijk voorrecht voor ons, Nederlanders, een telg uit het Huis van Oranje als regeerende Vorstin te mogen bezitten, een vrouw van hooge statuur, met zoo edel karakter, met zulke uitnemende geestesgaven, met zoo'n uitgesproken liefde voor land en volk, diep mee bewogen met ons allen, meelevend met het spannend wereldgebeuren, als een Vrouw, die als Christin bidt en die als Vredes-Koningin hartstochtelijk haar best doet om onder Gods zegen te mogen meewerken tot afweer van het oorlogsgevaar en tot vreedzaam regelen van de moeilijkheden, die er zijn bij de volkeren van Europa. Voor vrijheid en recht wenscht Zij altijd op te komen, voor recht en waarheid, voor vrede en samenwerking, voor eensgezindheid en trouw.
Wij danken den Heere voor Zijn gunstrijke gave, ons in deze Moeder des Vaderlands beschikt.
Wat zijn er vele zorgen over Haar heengegaan ; veel moeiten zijn Haar deel geweest ; droefheid en rouw zijn Haar niet gespaard. Kennelijk is Zij bij alles door den Heere gesterkt. Wij zijn er zoo dankbaar voor ! En wij verheugen ons er zoo grootelijks over, dat Zij de laatste jaren met Haar kinderen en Haar kleinkinderen zooveel blijdschap en vreugd mag ontvangen.
Onze bede is, dat God Haar nog vele, vele jaren sparen mag ; Haar zegene met Zijne gunstbewijzen ; Haar sterken mag bij Haar zware taak ; Haar geloof mag sterken ; Haar krachten mag bewaren en telkens vernieuwen, opdat Zij, gesterkt in Haar God, nog vele, vele jaren op Neerlands troon mag zitten, als een doorluchte, teer beminde nazaat van Oranje, den Vader des Vaderlands.
En moge Zij met Haar huis en met ons volk en Vaderland in deze dagen beleven, dat de Heere de volkeren nog genadig wil zijn, door het oorlogsgevaar af te wenden en te geven uit genade, dat de Vorsten en de natiën begeeren mogen in vrede met elkaar te leven.
Het Nederlandsche volk schrage den troon van Oranje bij voortduring en de Heere geve, dat er veel gebed mag opgaan voor ons Vorstenhuis.
Lang leve onze hooggeëerbiedigde Landsvrouwe, bij de gratie Gods regeerend over Nederland en de Overzeesche bezittingen, in Oost- en West-Indië, overal, waar Nederlanders en Nederlandsche onderdanen wonen, wier harten kloppen van liefde voor Oranje.
DE HEERE REGEERT
Dit is een woord der Schrift, dat ook de Oranjevorsten zoo dikwijls tot troost en wijsheid is geweest in dagen van voorspoed en in dagen van tegenspoed.
Wij denken er bijzonder aan in deze dagen, die tot barstens toe vol zijn van de vreeselijkste gevaren, nu het al zoo lang, zoo heel lang dreigt dat de oorlogsfakkel zal ontbranden en in het midden van Europa zal worden geworpen, waarbij de rampen niet te overzien zijn en de ellende op allerlei gebied allervreeselijkst zal zijn. Want ja, het is „gewapende vrede'", maar het is toch niet anders dan „gewapende haat", en als het los komt — de Heere verhoede het genadiglijk — zal het boven alle beschrijving vreeselijk zijn !
De Heere regeert.
Ja, natuurlijk, de menschen regeeren ; de menschen beraadslagen ; de menschen zullen beslissen — misschien hebben ze, wanneer deze woorden gedrukt onder onze oogen komen, reeds beslist — maar wij belijden en gelooven, dat er ten slotte Eén is. Die regeert. Die de teugels in handen houdt ; Die alle dingen bestuurt, zoodat er geen ding bij geval geschiedt, en Die — ja, dat gelooven we — ook de harten der Koningen en vorsten en heerschers der volken kan neigen als waterbeken.
De Heere wil gebeden zijn. Ja, juist en vooral in bange dagen, moeten we er aan herinnerd worden, dat de Heere regeert en dat Hij gebeden wil worden.
Moge er veel gebed opgaan tot den Heere.
En dat de volkeren voor Hem beven..
Dat, ja, dat de aarde zich nog verheuge, juist omdat en doordat de Heere regeert.
God, die helpt in nood, Is in Sion groot ; Aller volken macht Niets bij Hem geacht; Buigt u dan in 't stof En verheft met lof 't Heilig Opperwezen ; Wilt het eeuwig vreezen.
De Reorganisatie-Voorstellen van de hand gewezen (3)
Bespreking der Voorstellen, die tegelijk aan de orde gesteld worden.
Dr. Oorthuijs licht zijn Voorstel toe, zeggende : Omdat in de stukken der Syn. Commissie geen bepaald voorstel ligt, heeft hij vrijmoedigheid zelf een voorstel in te dienen. Teveel wil men zien naar allerlei groepen en richtingen, om die naast elkaar te plaatsen en te houden. Daarom moesten de pogingen mislukken. God wil niet — en kan niet willen dat het Evangelie met wat niet het Evangelie is, in de Kerk gelijkgesteld zal worden. In zijn voorstel wil dr. Oorthuys rekening houden met de Hervorming en met wat de laatste jaren in de voorstellen telkens naar voren is gekomen. Christus, die den tollenaar zoekt en aanneemt, zegt anderzijds : „Niemand komt tot den Vader dan door Mij". Hier moet een beslissing genomen worden en valt de scheidslijn.
Prof. De Vrijer zegt, dat zijn brief alleen verklaarbaar is uit de notulen der gehouden commissievergaderingen ; anders is hij eigenaardig. Een eigen voorstel diende hij niet in, omdat hij van harte voor het ontwerp 1938 was. Tegenover het voorstel-Gravemeijer zegt hij, dat hem een groote of kleine Synode gelijk is, het gaat hem om een Synode van een 6elijdende Kerk. In den strijd om reorganisatie in de vorige eeuw heeft altijd voorop gestaan: de Kerk heeft een belijdenis. De verschillende richtingen kunnen geen gesprek voeren op de basis van legitimiteit van alle opvattingen. Hij is voor de motie-Oorthuys.
Prof. Korff wil het rapport der meerderheidscommissie aanbevelen. De meerderheid der Kerk wil geen leertuchtelijk toegespitste reorganisatie. Het verlangen naar reorganisatie is er, maar niet naar een nader-bepaalde ; hij meent wel te mogen zeggen : naar een presbyteriale Synod, reorganisatie. Eerst heeft hij gepleit voor gelijke reorganisatie, maar hij heeft zich vereenigd met het gevoelen der anderen, al aanvaardt hij niet b.v. de ambtenleer van art. 5 van het ontwerp 1938. Hij wil geen reorganisatie met leertuchtelijke bedoelingen. Het gesprek moet een gesprek zijn. De slotzin van het rapport heeft de bedoeling om leertucht te weren. Als hij zijn persoonlijke meening zou uitspreken, dan is hij maar een heel gematigd voorstander ; het liefst zou hij tien jaar over reorganisatie willen zwijgen. Hij is tegen het voorstel-Oorthuys.
De Secretaris, ds. Den Breems, is een voorstander van reorganisatie ; maar men wil te veel tegelijk. Men moet in kleine stappen voortgaan, zooals bij het beklimmen van een berg. Daarom adviseert hij te beginnen met een groote Synode, die dan verder de reorganisatie-vraag uitwerken kan.
De vice-President, ds. De Bruijn, van Driebergen, begint met zijn groote teleurstelling uit te spreken. De commissie der hoogleeraren heeft het niet eens kunnen worden. De Syn. Commissie heeft niet tot een eenparig voorstel kunnen komen. Er is geen voorstel van haar. Wat er is, is alleen een verslag van het negatieve resultaat. We kunnen nu twee dingen doen : een punt zetten of voortgaan. Het eerste zou hij vreeselijk vinden. De roep om reorganisatie klinkt al meer door. En het is ongehoord, dat de Kerk zoolang de belijdenisvraag onaangeroerd liet. Hij ziet geen anderen weg dan een commissie, al laat dit hem eigenlijk onbevredigd. Want dit beteekent weer uitstel. En de wereld is in nood. En ons volk eveneens. En de Kerk is niet bij machte leiding daarin te geven. Op de brandende vragen geeft zij geen antwoord, maar zwijgt. En de wereld zal niet wachten, terwijl wij blijven discussieeren. Hij vindt het voorstel-Oorthuys uitnemend. Dit gaat uit van het rapport der commissie van zes ; maar dit rapport is (gezien vooral de notulen) een compromis. Daarom heeft de brief van prof. De Vrijer ook recht van bestaan. Het ging den voorstanders der reorganisatie in de eerste plaats niet om hervorming der belijdenis, maar om handhaving, handhaving in Gereformeerden zin (art. 7 Ned. Geloofsbelijdenis).
Ds. Blommaert, Waalsch predikant te Middelburg, merkt op, dat het niet er om gaat, wat de Kerk leert, maar wat ze doet. We weten niet, welke kerkelijke verrassingen we nog beleven zullen. Hij wijst naar Frankrijk, waar de Kerk eerst gescheurd is en daarna zich weer vereenigd heeft. Hij stelt voor, voorloopig de zaak te laten rusten en over tien jaar weer eens samen te komen.
Ouderling Hardenberg, van Scheveningen, verklaart zich tegen het voorstel-Oorthuys, hoewel de laatste zinsnede hem wel aantrekt. Aan de organisatie moet niet veranderd ; aan de Class. Vergaderingen moet niet meer macht worden gegeven. Het meest lacht hem toe een Synode, met 6 leden vermeerderd.
Ds. Van Zwet ziet als de groote vraag : wat nu te doen ? Onbelijnd vindt hij al de voorstellen. Tegen een groote Synode heeft hij het bezwaar, dat hoe meer menschen er zijn, hoe meer er gepraat wordt. Aan dr. Oorthuys vraagt hij: hebben de vroegere ontwerpen niet hetzelfde bedoeld ? Hij is voor het voorstel van de kerkelijke hoogleeraren.
Ds. Hoekstra heeft zijn aarzeling om te spreken overwonnen, omdat het gaat om de Kerk. De groote vraag is niet, wat wij willen, maar wat de Kerk is naar haar wezen. Ze is de boodschapper van de boodschap, die God haar in Christus toebetrouwd heeft. De vraag is niet, wat wij denken over God en Christus, maar wat Hij denkt over de menschen. Elk lichaam moet zijn onderworpen aan zijn 'hoofd. Hij haalt het woord aan van ds. Hans, dat het geen onverdraagzaamheid van de orthodoxen is, wanneer zij niet samen willen wonen met hen, die de historiciteit van Jezus ontkennen. De eenheid moet worden gevonden in het belijden van het ééne offer, waardoor Christus Zijn Kerk kocht.
De heer Prisse constateerde, dat de Syn. Commissie niet heeft kunnen komen tot één voorstel. Waarom niet ? Omdat men als hoofddoel een organisatie heeft gesteld, en niet als hoofddoel dat de Kerk een klaar geluid geven zal. Het Woord van God en de belijdenis moet op den voorgrond staan. Van een Kerk, die tegelijk „ja" en „neen" zegt, gaat geen kracht uit. Hij is voor het voorstel- Oorthuys.
Ds. Van den Kieboom verklaart, dat hij vroeger meer open stond voor de reorganisatie, maar sedert '38 veranderd is. Hij zal tegen het voorstel-Oorthuys stemmen op grond van wat hij ziet als de werking van den H. Geest : In veel opzichten is er een verblijdende verandering. In deze pogingen ziet hij niet het heil van de Kerk, maar haar verderf. We moeten niet op al te menschelijke wijze de dingen ineens forceeren, maar in het geloof wachten.
Ds. Boonstra zegt, dat indien reorganisatie plaats vond, de Kerk toch niet op de groote vragen een afdoend antwoord zou kunnen geven. Het spijt hem, dat het voorstel der zes een meeningsverschil in zich draagt. Het zegt, dat de consideraties een niet nader bepaalde reorganisatie willen, maar toch ligt er een tendens in naar het ontwerp '38. De commissie heeft dus niet voldaan aan haar opdracht. Daarom is hij er tegen, evenals tegen dat van dr. Oorthuys. Het voorstel-Gravemeijer heeft alleen zijn sympathie ; maar 't meest sluit hij zich aan bij prof. Korff. We zijn bezig naar elkaar toe te gaan. Dat zei hij in 1929. Zoo is het nu nog veel meer. Wat onmogelijk is bij de menschen, is mogelijk bij God.
Ds. Stelma spreekt uit, dat het voorstel- Oorthuys zich aansluit bij wat ter tafel ligt. „Ja" en „neen" kunnen niet naast elkaar worden geduld. Rust is fataal, dus moeten we doorwerken. Erg is, wanneer iemand zich in zijn leven misgaat, het is misschien nog erger, wanneer iemand in de leer, in de boodschap van Christus, zich misgaat.
Ds. Boer, van Scheveningen, begint met de woorden voor te lezen, die dr. Oorthuys verleden jaar sprak in de Synode, waarin deze wees op den tocht van Israël naar het beloofde land en het moéten-blijven in de woestijn, om zijns ongeloofs wil. Hij vraagt aan dr. Oorthuys : Hoe staat 't daarmee nu, wanneer deze nieuwe voorstellen weer in de vergaderingen komen? God heeft door de verwerping van het ontwerp '38 gesproken. Dat is Zijn toelating en leiding geweest. Uit Num. 14 leest hij voor, hoe Israël toch 't beloofde land wilde binnendringen, maar Mozes vraagt : „Waarom overtreedt ge 's Heeren bevel ? " Is het een daad van geloof of ongeloof, waarmee ge met deze nieuwe voorstellen komt, en het oordeel doorbreken wilt, dat God uitsprak in de verwerping. We moeten nu rusten, maar in de spanning des geloofs. We zijn besloten onder den toorn Gods, dien we niet moeten doorbreken. Met beving wil hij den eersten stap doen, en de hand uitstrekken naar het voorstel Groote Synode.
Ouderling Wolffensperger ziet in het voorstel-Oorthuys een herhaling van het ontwerp 1938. Daarom zal het geen beter succes hebben. Het gevolg zal zijn een centrum-partij, die de uitersten van links en rechts afsnijden zal. Er verandert veel ten goede. Het moest zoo zijn, dat zij, die Christus niet als Heiland belijden, geen ambt mochten bekleeden. Hel is nu niet Gods tijd. Wanneer het Zijn tijd is, zal God openbaren.
De heer de Roon Swaan is het in beginsel met dr. Oorthuys eens, maar vreest dezelfden strijd. We moeten de zaak niet laten rusten ; dat zou een eigenaardigen indruk in de Kerk maken. Hij wil in etappes afleggen den weg naar het doel.
De uitslag van de stemming deelden wc reeds mede, met de namen van de vóór- en tegenstemmers, waarbij wij ons het meest verbaasd hebben over het tegen stemmen van ds. Boer en ouderling Hardenberg van Scheveningen, geestverwanten van dr. Oorthuys en ds. Gravemeijer.
KERK EN STAAT (2)
Ds. G. C. van Niftrik geeft in Algem. Weekblad voor Christendom en Cultuur een historisch Overzicht van de verhouding van Kerk en Staat in zes tafereelen.
We laten het hier volgen :
Een Leidsch hoogleeraar van een vorige generatie placht te zeggen : „Het vraagstuk betreffende de verhouding van Kerk en Staat is een zweer, die nooit heelt". Wie zich verdiept in de verhouding dezer beide grootheden in de historie, bespeurt al spoedig, dat deze hoogleeraar gelijk heeft gehad. Hij ziet een bonte reeks tafereelen aan zijn geestesoog voorbijgaan als de snel opeenvolgende beelden van een spannende film.
Eerste tafereel.
Johannes op Patmos ziet uit de zee een beest opkomen, hebbende zeven hoofden en tien hoornen, en op zijn hoofden was een naam van godslastering. Uit de wereldzee komt op de gedaemoniseerde Staat, waarin geen plaats is voor de Kerk van Christus. Het beest krijgt macht om den heiligen krijg aan te doen en om die te overwinnen. De Kerk lijdt onder vervolging. (Openb. 13).
Tweede tafereel.
Augustinus, de kerkvader, schrijft zijn machtige werk „Over de stad Gods", waarin het doodvonnis over den Staat, den roofstaat, de rooversbende in het groot, voortgekomen uit het rooversasyl van Romulus, wordt geveld en in welk boek de bliksem van het Evangelie inslaat over het heele veld der politieke wereldgeschiedenis. Maar daarmee is waarlijk niet alles gezegd, zooals dr. Noordmans in zijn prachtige boekje over Augustinus ons heeft duidelijk gemaakt. Datzelfde geoordeelde Romeinsche rijk staat te beven op de uitverkiezing Gods. Het wezen van den Staat blijft een raadsel. Geoordeeld, en nochtans opgenomen in den Raad Gods.
Derde tafereel.
In het jaar 1302 grijpt paus Bonifacius VIII in zijn strijd met den Franschen Koning Filips IV om de opperheerschappij in Staat en Kerk, naar de pen en schrijft de beroemde bul „Unam sanctam", waarin hij leert, met een beroep op Lukas 22 vs. 35—38, dat de macht der Kerk gesymboliseerd kan worden in twee zwaarden : het geestelijk en het wereldlijk zwaard. En opdat wij goed zouden weten wat dat voor de practijk der pauselijke machtsuitoefening te beteekenen zou hebben, voegt Bonifacius er aan toe : Het ééne zwaard behoort onder het andere te zijn en de tijdelijke, wereldlijke macht behoort aan de geestelijke macht onderworpen te zijn. Eigenlijk is de Kerk de ware Staat. Daarom draagt de paus als het hoofd der Kerk, als het hoofd van den waren Staat, twee zwaarden. Maar alras bleek hef geforceerde van deze oplossing : het resultaat van deze bul was de Babylonische gevangenschap van het pausdom. (1309—1377).
Vierde tafereel.
Met als opschrift : protestantsche pendant van het vorige. Op den 26sten October 1553 veroordeelt de kleine Raad van Geneve Servet ter dood. De raad der stad is „besloten de Kerk van zulk een pest te reinigen God en de Heilige Schrift voor oogen, in den naam Gods, des Vaders, des Zoons en des Heiligen Geestes veroordeelen wij U, Michael Servet, door dit ons eindoordeel gebonden te worden en gebracht naar het plaatsje Champel, daar aan een paal bevestigd en levend verbrand te worden samen met Uw boek tot Uw lichaam asch zal geworden zijn " Calvijn heeft nog getracht den aard van de doodstraf te veranderen, maar tevergeefs.
De vorm van dit ketterproces is duidelijk : de prediker Calvijn klaagt Servet van ketterij aan, houdt toezicht op het proces ; de Zwitsersche kerken geven, desgevraagd, hun meaning te kennen ; de Raad velt het vonnis en iaat het uitvoeren. Valsche leeringen verbreiden is een grootere misdaad dan moord, zelfs dan vadermoord, zegt Calvijn. En de Staat stelt zijn macht ter beschikking van de Kerk om de zuivere leer te handhaven. Maar ook dit is, evenals de bul van Bonifacius VIII, een episode. De zweer wil niet heelen.
Vijfde tafereel.
Hegel schrijft zijn boek over de philosophic van het recht. Hier wordt de Staat gehuldigd . als het redelijke bij uitnemendheid. De Staat heeft het hoogste recht tegenover den enkeling, wiens hoogste plicht het is lid, deel van den Staat te zijn. „Het is de gang Gods in de wereld, dat de Staat is", zegt Hegel. Dit staatsabsolutisme van Hegel is verchristianiseerd door Stahl en heeft via Groen van Prinsterer grooten invloed geoefend op de gedachtenwereld dergenen, die in ons goede vaderland verantwoordelijk zijn voor de christelijke politiek. Maar dit tusschen haakjes. Hegel maak van den Staat de ware Kerk.
Zesde en laatste tafereel.
Het nationaal-socialisme dient zich niet alleen, aan als een politiek experiment, maar meer nog als een nieuwe religie, die in staat is het leven der menschen zin te geven, die de mythe van het ras en het volksche tot een nieuwe godheid (Barth zegt : tot een nieuwen Allah, wiens profeet Hitler is) heeft verheven, met een uitgebreiden cultus in Nürnberg. De Kerk is in de totalitaire Staten eigenlijk een overbodigheid. Daarom wordt de Kerk steeds meer teruggedrongen. Ze kan wel verdwijnen, nu de Staat voor een eigen religie zorgt.
Me dunkt, — het is ons nu wel historisch duidelijk geworden, dat hier met recht gesproken kan worden van een zweer, die niet heelen wil. En het is toch — principieel gezien — zoo eenvoudig ! Beide grootheden. Kerk en Staat, bestaan en zijn krachtens den wil Gods. We zullen hier niet te berde brengen, of de Staat gerekend moet worden tot de scheppings- of tot de onderhoudingsordinantiën Gods. Vast staat : Overheid en Staat, en ook de Kerk, zijn er naar den wil Gods. Waarom moet het dan toch telkens weer botsen ? Waarom die de eeuwen door blijvende spanning tusschen Kerk en Staat ? Om twee redenen. Allereerst omdat de Kerk er telkens weer geen genoegen mee schijnt te kunnen nemen Kerk, d.i. Kerk van Jezus Christus den Gekruisigde, en niet meer dan dat alleen te zijn. Omdat de Kerk, anticipeerend, vooruitloopend op hetgeen God aan de toekomst van Jezus Christus heeft voorbehouden, nu reeds een stukje van het Koninkrijk Gods verwerkelijkt wil zien, en met de handen hier en daar wil tasten, dat Jezus Christus, en met Hem de Kerk, macht heeft. Omdat de Kerk behalve het Kruis, telkens gaarne nu reeds de glorie en de macht van de toekomst wil.
En de tweede reden is deze, dat de Staat zoo blind en doof is voor het verschijnsel „Kerk". Zelfs de Staat, die bestuurd wordt door Christelijke magistraten, heeft zoo weinig of geen begrip van hetgeen „Kerk" is. De Staat zal altijd weer geneigd zijn de Kerk te zien als een vereeniging, een genootschap van gelijkgezinden. En omdat de Staat in dezen zoo blind is, zal hij altijd weer gevaar loopen het eigen recht der Kerk niet te eerbiedigen, maar te schenden. En verder : H. Schlier, G. Dehn en K. Barth hebben het exegetisch bewijs geleverd, dat de Bijbel achter de aardsche Staten engelenmachten ziet staan. Staten staan in verbinding met de geestelijke wereld. Engelen zijn schepselen Gods. Maar ze kunnen vallen, en daemonen worden. Zóó kan ook de Staat, die er is naar den wil Gods, daemonisch worden, en naast zich geen Kerk meer dulden, ja, zelf de Kerk willen zijn.
Onze willekeurig gekozen historische tafereelen hebben ons duidelijk gemaakt : èn de Kerk èn de Staat hebben in het verleden gezondigd en zondigen nog dagelijks. Als hier een oplossing is, dan is het deze : de Kerk moet alleen maar Kerk zijn ; de Staat een rechte Staat naar Rom. 13. Maar in een be deeling, waarin de zonde heerscht en de duivel engelen tot daemonen maakt, zal de verhouding van Kerk en Staat wel blijven gelijken op een zweer, die niet heelen wil".
Tot zoover ds. Van Niftrik, wiens beschouwingen zeer zeker belangrijk zijn. Hij is iemand, die wat te zeggen heeft in deze, gelijk ook reeds uit meer geschriften van hem gebleken is. Toch zouden er stellig hier allerlei vragen te doen zijn, gelijk dan ook vroege „De Standaard" heeft gedaan en gelijk ook prof. Schilder in „De Reformatie" dit doet. Wat zijn b.v. scheppingsordinantiën, die geer. onderhoudingsordinantiën zijn ? Is de Kerk allèèn „Kerk van den Gekruisigde" en niet ook Kerk van den levenden Christus, Die zit aan de rechterhand des Vaders, gelijk we elken Zondag belijden ? Is het Koninkrijk Gods alleen een „toekomst-ding" ? Is het juist, als ds. Van Niftrik spreekt van den Staat, die blind is en alleen zóó weet te spreken van de Christelijke politici ?
Wij meenen, dat in deze zondige bedeeling geeuj enkel ding zonder meer „gezond"' zal zijn, maar toch moet, naar de beginselen der Schrift (Schrift met Schrift vergeleken) ge- . staan worden naar de juiste verhouding. Waarbij goede onderscheiding alleen verder helpen kan : de Staat van God, de Kerk van God, maar ieder met eigen aard, als onderscheiden „samenlevingsverbanden".
Ds. de Graaf zegt terecht : „Het zal noodig zijn, den eigen aard dier samenlevingsverbanden vast te stellen, opdat ons het verschil èn het onderling verband duidelijk worde", (blz. 132).
Ten tweede bedenke een ieder geloovige, dat zij ten zijnen beste zullen gedijen : „Wij weten, dat dengenen, die God liefhebben, alle dingen medewerken ten goede, namelijk dengenen, die naar Zijn voornemen geroepen zijn" (Rom. 8 vs. 28).
En in de derde plaats moet de genade Gods hem in al deze zwarigheden genoeg zijn. De apostel Paulus getuigt „En Hij heeft tot mij gezegd : Mijne genade is u genoeg ; want mijne kracht wordt in zwakheid volbracht". (2 Cor. 12 VS. 9).
Ja, in onze zwakheid Zijne sterkte ! openbaart de Heere
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 augustus 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 augustus 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's