UIT DE HISTORIE
ANTONIUS WALAEUS 1639 - 9 Juli - 1939
IV.
Walaeus als Dogmaticus.
Gelijk in overeenstemming is met het karakter zijns tijds, staat Walaeus' theologische arbeid in het teeken der polemiek. Naar verschillende zijden toch moest de leer der rechtzinnigheid verdedigd en gehandhaafd worden.
De voornaamste geschriften van Walaeus zijn een „Handboek der Geloofsleer", dat samengesteld was naar de orde van den Catechismus, en zijn „Loei communes", welk werk echter niet is voltooid.
Wat betreft de uitverkiezing, door velen „het merg der Godgeleerdheid", door Calvija het „cor ecclesiae" (het hart der Kerk) genoemd, was Walaeus een aanhanger van het gevoelen der Infralapsariërs. Den in Adam gevallen mensch zag hij als het voorwerp der verkiezing, in tegenstelling met Gomarus bijvoorbeeld, die den mensch in den staat der rechtheid of vóór de Schepping als zoodanig beschouwde. Men weet, dat zelfs de Remonstranten in zekeren zin nog wel van een verkiezing wilden weten, mits 's menschen geloof in Christus in aanmerking genomen werd, waardoor het wezen der verkiezing natuurlijk principieel in gedrang kwam.
Hoe men ook over deze zaak denken mag, — het komt ons voor, dat de visie van Gomarus CS. het meest met de gegevens der Heilige Schrift in overeenstemming is. Wij zeggen : „het meest", want het is onze persoonlijke overtuiging, dat het laatste woord over het vraagstuk van de verkiezing en de verwerping nog steeds niet gesproken is. Uit de vele gegevens, die wij tot op heden omtrent deze kwestie hebben verzameld, komt wel vast te staan, dat de gereformeerde theologie op dit punt nog niet klaar is, al heeft het er soms den schijn van, dat sommigen zulks denken. Gezien het kader en het karakter dezer artikelen laten wij het bij deze terloopsche opmerkingen inzake onze eigen gedachten over de hoogst belangrijke stukken van verkiezing en verwerping.
In zekeren zin komt ook bij Walaeus, evenals bij de Remonstranten, de verkiezing op losse schroeven te staan. Beiden stellen de absolute oorsprong niet in God, maar maken haar afhankelijk van den mensch : hetzij men haar met de volgelingen van Arminius laat afhangen van 's menschen geloof, hetzij men met Walaeus en alle Infralapsariërs den gevallen mensch tot voorwerp van Gods lankmoedigheid maakt.
Ter Dordtsche Synode is een beslissing in dezen in het midden gelaten. Zoowel Supraals Infralapsariërs hebben de Canones onderteekend, en gemeend, dit uit overtuiging te kunnen doen, omdat hun gevoelen er geen geweld door werd aangedaan.
Men heeft deze methode betreurd en toegejuicht, maar het feit blijft, dat bedoelde Synode veel „in het midden" heeft gelaten. Walaeus' levensbeschrijver merkt op, dat zij samengekomen was, „om het reeds opgetrokken geestelijk gebouw tegen verminking te verdedigen, niet om de inwendige structuur verder bij te werken". We zeggen : goed, het zij zoo. Maar zijn we inmiddels veel verder gekomen ? En staan wij soms niet wat te critisch tegenover pogingen, die in het werk gesteld worden, om de theologie uit te bouwen, wat zij broodnoodig heeft : hetzij deze arbeid geschiedt in onze kerk, dan wel in de Gereformeerde Kerken ? Zeker : waar gewerkt wordt, worden fouten gemaakt. Maar : wat is beter : te werken op de basis van Schrift en Belijdenis, dan niet te werken ?
Een tweede vraagstuk, dat de gemoederen vooral in de zeventiende eeuw heeft beziggehouden, is de oorsprong en de beteekenis van den Sabbat. Het geschil liep in hoofdzaak over de wijze, waarop de Zondag zou worden gevierd. Strenge, puriteinsche opvattingen stonden tegenover meer soepele en gematigde.
Lag volgens Gomarus de oorsprong van den Sabbat in de woestijn en op den Sinaï, — volgens Walaeus vinden we de instelling in Genesis 2 vers 2 bij de schepping.
Wel gelooft Walaeus, dat de inzetting van den Sabbat iets blijvends voor alle eeuwen bevat, — maar toch beperkt zijn beteekenis zich volgens hem tot de moreele zijde, daar de ceremonieele in Christus is vervallen.
Voor de viering van den Zondag kent Walaeus geen nadrukkelijk gebod van Christus of de apostelen. Grond voor heiliging van den eersten dag der week vindt hij alleen in het voorbeeld der apostelen.
Ontspanning en verademing van den arbeid is volgens Walaeus op den Zondag niet ongeoorloofd. De vermaken moeten echter een dergelijk karakter dragen, dat zij de religieuse bezigheden van den dag niet op eenigerlei wijze schaden. Toch kon hij met Willem Teeliinck, predikant te Middelburg, de heiliging van den Sabbat nog zóó breed opvatten, dat hij zelfs het binnenhalen van den oogst op Zondag "wilde toestaan, mits onder bepaalde voorwaarden.
Walaeus over Kerk en Staat.
Indien ooit, dan was vooral in Walaeus' tijd dit vraagstuk in hooge mate actueel.
Mocht en (of) moest de Overheid zich met de Kerk bemoeien ? Had de Overheid zeggenschap in kerkelijke zaken ? Had zij recht, om predikanten te beroepen, te schorsen en af te zetten ?
Deze vragen, en vele andere meer, waren aan de orde van den dag.
Door Walaeus nu is de zelfstandigheid der gemeente van Christus uiteengezet in een geschrift, dat in 1615 het licht zag. Scherp werden de terreinen van Overheid en Kerk afgebakend : vooral tegenover een boekje van Wtenbogaert, dat handelde over „'t Ampt ende Authoriteyt eener Hoogher Christelicker Overheydt in kerkelicke saecken".
De Overheid, zoo is Walaeus van oordeel, heeft de beide tafelen der Wet tot richtsnoer van haar regeer-beleid te nemen. Zij zal zich daarbij niet alleen door eigen inzichten laten leiden, maar die wegen gaan, waarin het Woord van God en de practijk der Christelijke Kerk haar vanzelf leiden.
Slot.
Vermelding verdient nog een werkje, dat Walaeus uitgegeven heeft over de zedeleer van Aristoteles. Waarschuwt hij hierin eenerzijds tegen een al te groote vereering van dezen wijsgeer, — evenzeer is hij van meening, dat diens arbeid niet geheel te verwerpen is.
Wij weten inmiddels, dat vele theologen uit den bloeitijd van het gereformeerd protestantisme niet critisch genoeg gestaan hebben tegenover de philosophie als zoodanig. Het geven van merkwaardige voorbeelden valt echter buiten het bestek van dit artikel. Maar ook Walaeus gaat hier niet vrij uit.
Veel zegen is er uitgegaan van Walaeus' Seminarium, waar onderscheidene dominees opgeleid zijn voor den dienst in Oost-Indië. öpor de Oost-Indische Compagnie was namelijk het initiatief genomen, om de geestelijke belangen der bevolking aldaar te behartigen, hetgeen voor een lichaam als dit wel wat vreemd aandoet. Zouden bij deze kooplieden werkelijk geen zakelijke motieven een rol gespeeld hebben, toen zij zich opwierpen als verkondigers van het Evangelie, zij het dan indirect ? In ieder geval illustreert een en ander de eigenaardigheden van het kerkelijk leven uit den besten tijd onzer geschiedenis. Hoe het zij, — in 1622 werd Walaeus' Seminarium gesticht, dat vele vruchten heeft afgeworpen, maar dat ook door z'n korten duur niet zooveel, als gewenscht was, heeft kunnen doen. In 1632 werd het opgeheven.
Literatuur.
J. D. de Lind van Wijngaarden, Antonius Walaeus, Leiden 1891.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 augustus 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 augustus 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's