De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

WAT CALVIJN ONS LEERT

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

WAT CALVIJN ONS LEERT

8 minuten leestijd

Want ziet, ditzelfde dat gij naar God zijt bedroefd geworden, hoe groote naarstigheid heeft het in u gewrocht ? ja, verantwoording, ja onlust, ja, vrees, ja, verlangen, ja, ijver, ja, wraak; in alles hebt gij uzelven bewezen rein te zijn in deze zaak. 2 Cor. 7 : 11.

Zeven dingen worden 'hier door den apostel opgesomd. Naarstigheid, verantwoording, onlust, vreeze, verlangen, ijver.
Men heeft gesproken van oorzaken of werkingen der bekeering. Calvijn wil dat niet uitmaken. Men kan zoowel het een als het ander verdedigen, maar men kan ook van gezindheden spreken, die gepaard gaan aan de bekeering.
Hoofdzaak is echter, wat Paulus daaronder bedoelt. Vandaar dat Calvijn met een uitlegging volstaan wil.

Naarstigheid.
Groote naarstigheid wordt volgens Paulus' woord gewekt uit droefheid naar God. Wie een waarachtig mishagen aan zich zelf heeft, omdat hij tegen zijn God gezondigd heeft, wordt tot groote naarstigheid aangespoord om aan de strikken van den duivel te ontkomen, zich voor zijn lagen te wachten, opdat hij voortaan niet meer van de regeering van den Heiligen Geest beroofd wordt, noch door zorgeloosheid onderdrukt.

Verantwoording.
Hiermede is geenszins een soort rechtvaardiging bedoeld voor God, alsof men zoodanige rekening kan brengen, dat men vrij uitgaat. Hier gaat het niet om verkleining der misdaden, om verontschuldiging, zoodat men het oordeel ontgaat.
Veeleer beteekent het een biddend pleiten voor God, waarbij wel schuld wordt beleden, maar de eerbied niet wordt verloren. Calvijn vergelijkt het met kinderen voor hun ouders. Zij verontschuldigen zich niet om rechtvaardig of zonder schuld te zijn, maar om vergeving te krijgen.
Het woord, dat hier staat beteekent verdediging of verontschuldiging. Doch de niensch kan voor God geen andere verdediging vinden dan te pleiten op de hemelsche barmhartigheid.

Onlust.
Dit ziet op de gezindheid van zelfmishagen van den mensch, als hij zijn verkeerdheid en ondankbaarheid jegens God ontdekt.
Dit woord komt slechts eenmaal voor.
De zin is gevoel van afkeer van het kwade voor God.

Vreeze.
Hiermede doelt Paulus op de verslagenheid des harten, wanneer wij bedenken, wat wij verdiend hebben en hoe vreeselijk Gods gestrengheid is jegens den zondaar.

Verlangen
Hieronder verstaat Calvijn de hartelijke begeerte om naar onzen schuldigen plicht te gehoorzamen, waartoe wij door kennis der zonde worden aangepord. Daarom voegt de apostel daaraan onmiddellijk toe den ijver.
Want wat zou er van ons worden als Gods barmhartigheid zich niet over ons uitstrekte. Uit dit gevoelen komt de ijver op om te waken en zorgvuldig te zijn.

Wrake.
Daaronder verstaat Calvijn strengheid tegenover zich zelf en scherpte van het zelfonderzoek, om zooveel te meer verwachting te koesteren op de barmhartigheid Gods. Hij spreekt van een ambt der wrake om zich zelf te straffen. Hij heeft daarbij niet het oog op kastijdingen, maar op de moeilijke toestanden der ziel als zij in mishagen over haar zonde en overtreding verkeert. Het grondwoord wordt hier misschien nauwkeuriger vertaald door bestraffing. Dat ligt ook in Calvijn's uitleg.
Calvijn wil dat alles niet overdreven hebben, zoodat het tegendeel van Godvruchtige overpeinzingen daarvan het gevolg zou zijn. Immers een benauwde consciëntie is nergens zoozeer toe genegen dan tot wanhoop en vertwijfeling. Op die wijze vliedt men van God, terwijl de bekeering en boetvaardigheid ons juist naar God uitdrijven. Zoo groot mag de vreeze niet worden, dat zij de hope der vergeving laat varen. (Hebr. 12 : 3).|
Wel is de droefheid vanwege de zonden noodzakelijk, maar zij duurt niet altijd voort. Daarom vermaant Bernardus dat men niet al te zeer in de droefheid blijft hangen, maar zich voegt tot rustige bedenking van Gods weldaden.

De vruchten der bekeering.
De vruchten der bekeering zijn allereerst de plicht der godsvrucht jegens God en de liefde jegens de menschen, mitsgaders heiligheid des levens.
Hoemeer iemand zijn leven met naarstigheid aanstelt naar den regel van Gods wet, des te zekerder teekenen zal hij geven van zijn bekeering.
Calvijn waarschuwt nadrukkelijk tegen een uitwendige opvatting van deze boet­ vaardigheid, aangezien God het hart aanziet. Hij acht dit zoozeer in overeenstemming met Gods Woord, dat hij het niet noodig vindt uit de vele getuigenissen bewijsgronden aan te halen. Immers de profeten wijzen veelvuldig op de noodzakelijkheid van een inwendige gezindheid des harten. Scheurt uw harten en niet uw kleederen zegt de profeet Joel. (2 : 13). Reinigt de handen en zuivert uw harten, zegt Jacobus. Het eerste wijst op de uitwendige vrucht, maar het tweede op de fontein des harten. (Jac. 4 : 8).
Voorts sluit Calvijn de lichamelijke oefeningen niet uit. Hij begrijpt die onder de gezindheid der wrake, waarover Paulus heeft gesproken en noemt de bedruktheid des harten in zuchten en tranen, doch deze zal ook sieraad en pronkerij vermijden en wellustigheid verlaten.
Wie verder de weerspannigheid des vleesches kent, die zoekt alle middelen om zich zelf te bedwingen. Wie bedenkt hoe zwaar het is Gods gerechtigheid overtreden te hebben, die kan niet rusten alvorens hij in zijn vernedering Gode de eere heeft gegeven.
Van zulke oefeningen maken de oude schrijvers gewag als zij over de vruchten der bekeering spreken. Zij gaan echter naar Calvijn's meening veel te veel op het uitwendige af.
Zij gaan in tweeërlei opzicht te ver. In de eerste plaats grijpt het volk gemakkelijk uitwendige oefeningen aan, maar vergeet, dat het op de inwendige gezindheid aankomt. Aan den anderen kant zijn zij in de straffen strenger geweest dan de kerkelijke zachtmoedigheid toelaat.

Geen misverstand.
Calvijn wijst bijzonder op de profeet Joel, die vermaant tot vasten en weenen, als het voornaamste deel der boetvaardigheid. Dit vasten en weenen wordt er naar de bijzondere gelegenheid aan toegevoegd, maar de hoofdzaak ligt in de vermaning om de harten en niet de kleederen te scheuren.
Die bijzondere aanleiding verklaart hij als volgt.
De Joden hebben een verschrikkelijk verderf te vreezen. Derhalve raadt hij hen aan, dat zij de gramschap des Heeren zullen afwenden niet alleen door een ware boetvaardigheid, maar ook door het betoonen van teekenen van droefheid. Want, zegt hij, gelijk een misdadiger zich ootmoedig toont met ongeschoren baard en onverzorgd haar en een droevig kleed om de barmhartigheid van den Rechter in te roepen, alzoo betaamt het hun ook, dewijl zij schuldig voor de vierschaar Gods worden gedaagd, door hun erbarmelijke gestalte den toorn Gods af te wenden.
Nu is het in onzen tijd geen gebruik meer om asch op het hoofd te doen en zich met een zak te bekleeden, (letterlijk in zak en asch neder te zitten), maar vasten en weenen zijn ook onder ons teekenen van droefheid, die wel passen, wanneer Gods oordeelen dreigen.
De profeet doet dus wel, als hij de zijnen vermaant tot droefheid, gelijk dit misdadigers betaamt, dewijl hij hun te voren van Gods gericht heeft gesproken.
Calvijn past dit toe op zijn tijd. De herders zullen goed doen, zoo verklaart hij, als zij het volk tot vasten en weenen bepalen, als zij zien, dat hun eenig verderf boven het hoofd hangt.
Zij moeten daarbij echter niet vergeten, dat het aankomt op het scheuren der harten en niet op het scheuren der kleederen.
Ook door Christus wordt het vasten verbonden aan rouw en droefheid. Immers Hij stelt de apostelen daarvan vrij, totdat zij van Zijn tegenwoordigheid beroofd zullen zijn. (Matth. 9 : 15).
Naast dit vasten, dat zijn aanleiding in droevige omstandigheden des levens vindt, wil Calvijn, dat er altoos iets worde gezien van het vasten in het leven der godvruchtige menschen.
Hij bedoelt daarmede een zekere eenvoud en soberheid, matigheid en ingetogenheid, welke het leven van de godvruchtigen moet kenmerken.
Dit is een zaak, welke hij bij de kerkelijke tucht nader zal behandelen.
In aansluiting op hetgeen door Calvijn hier in het midden wordt gebracht, mogen wij ook wel op de droeve tijdsomstandigheden wijzen, waaronder wij thans leven.
De gansche wereld is in spanning vanwege de toerusting der volkeren, wijl andermaal een verwoestende wereldoorlog dreigt los te branden.
Hoe lang reeds worstelen de natiën in vrees en zijn zij in moeite en benauwdheid. In deze dagen pakken de donkere wolken zich saam boven de wereld, die is als een ziedende pot.
Gods oordeelen gaan over de wereld en een dreigend verderf omringt ons in den nacht der tijden. De diplomaten werken koortsachtig om de wereld nog te redden van den gruwel der verwoesting, de regeeringen bereiden zich voor op het ergste. In alle landen treft de weermacht haar maatregelen om paraat te zijn, als de oorlogswoede losbreekt.
Hoezeer worden wij vermaand tot vasten en weenen. Verslagenheid èn verootmoediging behoorden onze harten te vervullen, als wij bedenken, dat God rechtvaardig is als Hij doortrekt met Zijn oordeelen.
Doch, hoe zal daar vasten en weenen zijn, als er geen wederkeer is, en hoe zal daar wederkeer zijn zonder kennis der ongerechtigheid en droefheid naar God.
De Godsvreeze week uit het leven der volkeren en maakte plaats voor hoovaardij en goddeloosheid, de levenskrachten werden verteerd en de ongerechtigheid roept om wraak.
Wat kunnen wij anders verwachten, als wij op de teekenen der tijden zien dan onheil en gericht ?
Nochtans is het niet zonder hope, als wij op Gods genade en barmhartigheid zien. Calvijn vermaant ons ook aan Gods genade niet te twijfelen, doch nog eens, dan zal er verootmoediging zijn, vasten en weenen, en verscheuring des harten.
En dan zal dit het eerste gezien behooren te worden, bij diegenen, die Zijn Naam belijden, opdat zij vereenigd mogen worden in de vreeze Gods en in ootmoed en nedrigheid den Naam des Heeren aanroepen, opdat Hij ons genadig zij.
 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 augustus 1939

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

WAT CALVIJN ONS LEERT

Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 augustus 1939

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's