KERKELIJKE RONDSCHOUW
NAKLANKEN UIT DE SYNODE
Geen wonder, dat er na de verwerping van de Reorganisatievoorstellen over héél de linie, nog wat nagepraat wordt. En dan luisteren we nu even naar iemand, die, als lid van de Synode, alles van nabij meegemaakt heeft, die alles heeft gezien en gehoord (ds. Hoekstra, van Ternaard, die in Herv. Zondagsblad van Friesland z'n artikelen schrijft). Ds. Hoekstra schrijft :
„Na de stemming was er een pijnlijke stilte, die zich zelfs aan de koffietafel voortzette. Was er besef, dat men de Kerk óf zichzelf en zijn partij „gered" had in de verwerping van alles ? En dat die „redding" toch niet gemakkelijk lag in 't gemoed ? Dat de Kerk-politiek had gezegevierd boven 't belang der Kerk zelf ?
Vóór de stemming — merkwaardig — is door de vrijzinnigen weinig gesproken. Zij achtten zich blijkbaar door de houding van uiterst rechts — ds. Boer en ouderling Hardenberg van Scheveningen — zeker van hun zaak.
Zeer merkwaardig was de houding van den voorman der vrijzinnigen, ds. Boonstra. Hij zeide, vóór de stemmingen, te zijn-vóór „Groote Synode". Maar bij de stemming zelf, toen ouderling Hardenberg, tot groote verbazing van velen, tegen stemde, stemde ds. Boonstra met al de vrijzinnigen der Synode óók tegen ! Kerk-politiek !
Wat te zeggen van de beide afgevaardigden van Zuid-Holland : ds. Boer en ouderling Hardenberg, beiden van Scheveningen?
Het voorstel van dr. Oorthuys lag geheel in de lijn van hun houding in '38, wat de belijdenis betreft. Wij houden ons overtuigd, dat nu wijlen ds. Lingbeek er zijn naam aan zou hebben gegeven. En toch stemden die beiden — ds. Boer en ouderling Hardenberg — tegen. Hun tegen-stemming is o.i. tegen hun eigen belijdenis-eisen.
De Synode was juist om dit laatste een zoo verdrietige Synode.
God, die het oordeel breken kan en moet — wij zijn dat wel met ds. Boer eens — zal ook deze tweeslachtigheid zelf moeten breken en eveneens de ontstellende Kerkpolitiek, die in de Synode van '39 zoo'n groote rol heeft gespeeld.
Er is gezegd, dat wij liggen „onder den toorn Gods". Maar 't zou ook kunnen zijn, dat die toorn Gods in dubbele mate is ingeroepen door en over de Synode, door onwaarachtigheid en Kerk-politiek".
Men bemerkt wél : ds. Hoekstra is niet zoo erg feest te spreken over de laatste Synode. In verband - met het benoemen van een nieuwen secretaris der Synode — vac. ds. D. den Breems —, waartoe gekozen is ds. Gravemeijer, van Den Haag, schreef ds. Hoekstra over „een monsterverbond" en inzake de behandeling van de Reorganisatie-voorstellen spreekt hij van „onwaarachtigheid" en „Kerkpolitiek", waardoor de toorn Gods wel eens zou kunnen zijn opgewekt over de Synode en de Hervormde Kerk.
HET VOORSTEL „DE GROOTE SYNODE"
In „Staat en Kerk", orgaan van de Herv. Geref. Staatspartij (waarvan wijlen ds. C. A. Lingbeek lang de ziel, het woord en de pen geweest is) schrijft ds. H. E. Gravemeijer van Amsterdam over hetgeen gebeurd is in de laatste Synode, met name over de houding van de twee H.G.S.-ers, ds. Boer en ouderling Hardenberg, van Scheveningen. Dat hij allesbehalve goed te spreken is over „de partijgenooten", blijkt dadelijk.
Eerst wordt over het Voorstel „De Groote Synode" (een voorstel van ds. Gravemeijer, van Den Haag, den toekomstigen secretaris van de Synode) geschreven, om het nader toe te lichten ; en vervolgens wordt beschreven het lot, dat dit Voorstel getroffen heeft.
Het artikel luidt als volgt :
„Het ontwerp „Groote Synode" van 1927 voldeed aan het verlangen van velen in de Kerk. Dat zou, meenden we, kans van slagen hebben. En door het aanvaarden daarvan zou de eerste stap gezet worden om te komen tot losmaking van de strakke bestuursbanden, waarin de Kerk gebonden ligt.
De bedoeling is dus, dat niet deze Synode kome met een uitgewerkt plan tot reorganisatie, na de opstelling daarvan eerst aan een commissie te hebben opgedragen.
De tegenwoordige Synode toch wordt op een zoo vreemde, ingewikkelde manier gekozen, dat zij moeilijk als een juiste vertegenwoordiging van onze Kerk kan worden beschouwd.
Denk maar eens aan de vertegenwoordiging van de Waalsche Kerk in de Synode. De heele Waalsche Kerk telt in ons Vaderland ± 35000 zielen ; is zoo groot ongeveer als de gemeente Katwijk. In de Synode heeft zij echter zooveel leden, dat haar invloed gelijk staat met een heele Provincie !
Nu zijn de Waalsche vertegenwoordigers steeds vrijzinnig. Gevolg is dus, dat de Vrijzinnigen een ver boven hun werkelijke getalsterkte uitgaande macht in de Synode en daardoor in onze Kerk uitoefenen en jaar in jaar uit alle pogingen tot reorganisatie in de richting van Schrift en Belijdenis tegenhouden en zoo een tyrannie uitoefenen, die tegen alle recht en billijkheid ingaat en het gezonde leven van de Kerk verkankert.
Dan de onzinnige bepaling in onze Kerkelijke wet, dat de leden van de Provinciale Kerkbesturen het recht van veto hebben over aangenomen wetswijzigingen.
D.w.z. als een voorstel in eerste instantie door de Synode is aangenomen, dan de , heele Kerk op liare Classicale Vergaderingen gunstig heeft geadviseerd, ten derde de Synode nog eens in^ tweede instantie zulk een voorstel heeft aangenomen, dan kunnen de leden van de Provinciale Kerkbesturen (dus niet die Kerkbesturen als zoodanig) persoonlijk met twee derde van het aantal hunner stemmen nog zeggen : ,, het gebeurt niet !"
Deze twee dingen hadden (behalve nog zooveel meer) nooit in onze Kerkelijke wet mogen voorkomen, maar hooren daar zeker niet meer in thuis in onzen modernen tijd, die van al dergelijke privilege's toch niet meer weten wil.
In 1927 was er een voorstel gedaan om de tegenwoordige Synode van 19 leden te vervangen door een Synode van 45 leden, die dan bovendien meer rechtstreeks door de Kerk zelve zouden worden gekozen en niet, zooals thans, door en uit de leden van de Provinciale Kerkbesturen.
De levende band tusschen de Kerk en haar opperste bestuur zou dan veel inniger zijn en hare zaken konden veel directer en geestelijker worden behandeld.
Nu was het voorstel van ds. Gravemeijer : de Synode in haar tegenwoordige formatie, met haar eeuwige strijd van „rechts" tegen „links", altijd in belangrijke stemmingen, 10 tegen 9 of 9 tegen 10 stemmen, is nooit in staat om een reorganisatie-voorstel te concipieeren, dat eenige kans van slagen heeft; En zoo het al moge slagen, dan wordt het een oplegging van een systeem, dat niet uit de levende Kerk zelve is voortgekomen, maar dat door deze of gene persoon is uitgedacht of door een groep of partij is geforceerd en dus groote kans loopt groote schade aan de Kerk en aan hare Belijdenis toe te brengen.
Reeds één en een kwart eeuw zucht onze Kerk onder het „Synodale juk".
Afscheiding en Doleantie vonden er haar aanleiding in ; de machteloosheid der Kerk spruit er uit voort ; het verval van ons volk in ongeloof en bijgeloof is er mede het gevolg van.
Erger : de vloek, die op onze Kerk ligt en haar den mond snoert, wordt er door bestendigd.
Kwam er maar eens beweging in de toègevroren rivier ; werd de ban maar eens gebroken, zoodat nieuwe mogelijkheden plaats konden grijpen !
Niet ineens kunnen alle wenschen vervuld, maar als eerst de kabels maar eens gekapt werden, die het schip der Kerk onbewegelijk vasthouden aan den vreemden wal, als Gods Heilige Geest maar weer eens in de zeilen kon blazen, dan kon men verwachten, dat het schip, met behoud van hare lading (de Waarheid Gods, die in Schrift en Belijdenis zijn vervat) aan zijn doel kon beantwoorden".
En dan volgt het slot van het artikel :
„Nu de reorganisatie-plannen wederom zijn vastgeloopen (ds. Lingbeek heeft indertijd eens 'n brochure geschreven, waarin al de reorganisatiepogingen, die in den loop der jaren zijn beproefd, staan beschreven), was er groote kans, dat het voorstel van ds. Gravemeijer, waardoor een gezonde reorganisatie in de toekomst meer waarschijnlijk zou worden en de vervulling van het verlangen der Kerk van tientallen jaren in zicht zou kunnen komen.
De reorganisatie der Kerk ligt ons, H.G.S.-ers, na aan het hart.
Wij noemen ons blad „Staat en Kerk".
In dien naam willen wij uitdrukken, dat wij er besef van hebben, hoe nauw deze twee grootheden met elkaar verbonden zijn, de welvaart, de rechtsvorm, de gezondheid naar den geest van den een grooten invloed heeft op die van de andere.
Daarom achten wij het van groote beteekenis, dat de mannen, die Hoedemaker kennen, die zoo diep in het Woord had geblikt en daarom zoo ver vooruit kon zien over het terrein van den Staat en van de Kerk beide, zitting hebben in onze Synode.
Nu komt de stemming in de Synode over het Voorstel-Gravemeijer ! Hij zelf heeft in de Synode geen zitting en kan het er dus niet mondeling verdedigen. Maar ds. Boer verdedigt het.
En nu gebeurt het ongelooflijke !
In de Synode zit nog een H.G.S.-er : de heer Hardenberg. Bij de laatste verkiezingen is hij de candidaat geweest voor den Gemeenteraad van de afd. 's-Gravenhage.
Hij wist, dat het voorstel was van ds. Gravemeijer ; hij heeft diens nota gelezen ; hij heeft het ds. Boer hooren verdedigen en als het op stemmen aankomt stemt hij tegen !
Het voorstel-Gravemeijer wordt verworpen met 10 tegen 9 stemmen. De dagbladen melden : prof. Korff adviseerde tegen ; prof. De Vrijer vóór en ook de Secretaris vóór (deze drie hebben geen stem, maar zijn adviseerende leden van de Synode). Vóór-stemmers zijn : ds. de Bruijn van Driebergen, ds. Karres van Apeldoorn, ds. Boer van Scheveningen, dr. Oorthyus van Amsterdam, ds. Hoekstra van Ternaard (Fr.), ds. Stelma van Tzum (Fr.), de ouderlingen de Boon, Swaan, baron Prissé en de President ds. J.. W. Addink. Tegen-stemmers : ouderling Hardenberg, ds. Van den Kieboom, ds. Brucherus Cleveringa, Bolt, ds. Boonstra, Fetlaar, ds. Blommaert — Waalsch pred. —, ds. Weeda, ds. Van Zwet en ouderling Wolffensperger.
Nu heeft natuurlijk ieder lid van de Synode het recht, neen, den plicht om zijn stem uit te brengen naar zijn diepste overtuiging. Hij is aan niemand hierover rekenschap verschuldigd, dan aan God. Die leest in het verborgene van een menschenhart.
Maar dat de stemming zóó moest uitvallen, is zeer zeker een zeer groote teleurstelling geworden voor den voorsteller, ds. Gravemeijer, van Den Haag, en voor allen, die met hem hoop hadden, dat er nu eindelijk eens beweging in het logge lichaam van de Kerk zou komen.
Had br. Hardenberg vóór gestemd, dan was het voorstel van ds. Gravemeijer aangenomen met 10 tegen 9 stemmen ; dan was het er in de Kerk nog wel niet door, maar dan had de nieuwe Secretaris straks, met al het vuur, dat in hem is, aan zijn eigen voorstel kunnen voortarbeiden.
Wij weten niet, wat God met onze Kerk voor heeft ; niettegenstaande heftige aanvallen, staat zij nog ; niettegenstaande innerlijke verdeeldheid leeft zij nog ; niettegenstaande toenemenden afval ademt zij nog.
De oude Grieken zeiden : „dien de goden verderven willen, benemen zij eerst het verstand".
Dat schoot ons te binnen, toen wij van de gehouden stemming in de Synode lazen.
Maar God regeert !
Hij kan uit het kwade het goede doen voortkomen.
Wie weet, hoe er nog iets heters voor de Kerk weggelegd is, dan het hebben van een „Groote Synode".
Wij blijven vreezen, maar óók hopen, maar óók bidden, voor onze aloude Vaderlandsche Kerk.
DE GEMOBILISEERDE WELKOM!
Overal wordt gelukkig veel gedaan om onze gemobiliseerden, die zoo onverwachts uit eigen gezinsverband zijn uitgerukt en óf het huis van hun ouders, óf het samenwonen met vrouw en kinderen nu moeten missen, zijnde in een geheel vreemde omgeving nu, zooveel mogelijk tegemoet te komen, opdat onze militairen mogen weten en voelen en ervaren, dat de burgerij geheel met hen meeleeft.
Wij denken aan de tijdelijke Militaire Tehuizen, die hier en daar zijn geopend en zoo gezellig mogelijk zijn ingericht.We denken aan lectuurverspreiding, aan verschaffen van gezelschapsspelen, van rookartikelen, van zoo nu en dan misschien een kop koffie of een kopje thee gratis (wat natuurlijk niet altijd zonder betaling kan geschieden).
Maar we denken ook aan de tegemoetkomingen van Kerkeraden en Kerkvoogdijen om de militairen een goed plaatsje te geven tijdens de godsdienstoefeningen.
En we denken ook aan de uitnoodiging, vooral van de kerkgangers aan onze soldaten, om b.v. na kerktijd mee naar huis te gaan „om een kopje koffie" te drinken in de huiselijke kring.
We lazen, dat er hier en daar een W. voor 't raam te zien is. En die W, beteekent dan Welkom !
De militairen kunnen dan zien, waar de deur voor hen openstaat.
Maar met een W. of zonder een W. — laat burger en militair elkander zooveel mogelijk probeeren te ontmoeten.
Onze gemobiliseerden hebben nu bijzonder recht op ons aller belangstelling. Ontvangt ze dan met vriendelijkheid. Het is immers ook : voor Koningin en Vaderland !
SLACHTOFFERS VAN DE VREES
Vrees bekruipt ons in deze dagen, nu opnieuw een vreeselijke wereldbrand is uitgebroken, nu weer een wereldoorlog dood en verderf braakt, reeds in de eerste week zoo verschrikkelijk.
Toch moeten we met „de vrees" voorzichtig zijn. Het is een zoo gevaarlijke vijand, die z'n verslagenen telt bij duizenden en tienduizenden. De Christen moet ook hier den éénig veiligen weg kennen en betreden : die in de schuilplaats des Allerhoogsten is gezeten, zal vernachten in de schaduw des Almachtigen. Wat volstrekt niet wil zeggen, dat we geen voorzorgsmaatregelen mogen nemen in slordige en zondige onverschilligheid — ons verstand en onze consciëntie geven hier wel mede getuigenis ! — maar wat wèl ons zeggen wil, dat we ons niet alsof we zonder God waren, aan panische schrik en angstige vrees moeten overgeven en ons daardoor moeten laten leiden en beheerschen. Dan doen we als degenen, die zonder God in de wereld zijn en geen hoop hebben. Uw hemelsche Vader weet wel wat we noodig hebben.
We lazen onderstaand stukje, overgenomen uit de Gereform. Kerkbode voor Amsterdam- Zuid :
„Er* is niets, dat zulk een verwoestende invloed heeft op lichaam en ziel dan de vrees.
„Ga eens naar Caïro", sprak de Dood tot zijn dienaar de Pest, „en haal me daar tienduizend menschen weg !"
De Pest ging en binnen enkele dagen kwamen er honderdduizend te sterven.
„, Hoe nu ? ", sprak de Dood. , Heb ik u niet bevolen, dat ge slechts tienduizend menschen naar mijn rijk zoudt voeren ? En hoe komt ge hier aan met honderdduizend ? "
„Ik heb juist gedaan, wat gij mij bevolen hebt", antwoordde de Pest, „ik zelf heb er werkelijk slechts tienduizend gedood ; die andere, negentig duizend zijn aangebracht door mijn broeder de Vrees !"
De apostel Paulus schrijft : „Die Zijn eigen Zoon niet heeft gespaard, maar heeft Hem voor ons allen overgegeven, hoe zal Hij ons met Hem ook niet alle dingen schenken ? " Hoort ge : alle dingen .
Zou ik, wie ooit hier twijf'len moog. Uw trouw, mijn God verdenken ? Nadat Uw goedheid U bewoog, Om mij Uw Zoon te schenken ? De flauwste twijf'ling waar hier hoon, Of zoudt Gij met Uw eigen Zoon Niet alles aan mij. schenken ?
DE KINDEREN DEN VERBONDS
Dr. W. van den Bergh schrijft in zijn boek: „Calvijn over het genadeverbond", dat Calvijn bij zijn uitlegging van Gen. 17 vs. 7 krachtig zich verzet tegen de Anabaptistische en Servetsche dwalingen, waaraan de groote hervormer zoo menig tractaat gewijd heeft.
Calvijn maakt dan in zijn commentaar ter plaatse onderscheid tusschen twee soorten van kinderen des Verbands, tweeërlei soort van aanneming en dus ten slotte tweeërlei verkiezing. Het verbond met Abraham en zijn kroost gold allen, die uit hem zouden geboren worden (qui naturaliter ex eo gignendi erant) Toch is even waar, dat door God als de wettige kinderen van Abraham alleen zij beschouwd worden, die, door het geloof in Hem ingeplant, één huis vormden.
Dit hangt samen met de drieërlei aanneming, die uit verschillende Schriftuurplaatsen valt op te maken.
Eerst werd n.l. het geheele Israëlietische volk als Abraham's kroost aangenomen, zoo dat de belofte aan allen gemeen was, waarbij niet ontkend kan worden, dat aan allen het eeuwige heil aangeboden is. Wanneer niettemin van tweeërlei soort van kinderen in de Kerk sprake is, geschiedt dat, omdat wel het geheele lichaam des volks door een en dezelfde stem in de schaapskooi Gods is verzameld, allen zonder uitzondering in dit opzicht kinderen worden genoemd en aan allen gemeenschappelijk de naam van Kerk toekomt: maar in het verborgen heiligdom Gods geen anderen tot kinderen van God gerekend, dan in wie de belofte door het geloof bevestigd is. Door hei teeken van geloof en ongeloof worden dan de ware van de onechte kinderen onderscheiden. Bij de uitlegging van Hand. 3 vs. 25 merkt Calvijn dan op, dat velen die uit geloovigen naar het vleesch geboren werden, als onechte, niet wettige kinderen worden beschouwd, nademaal zij door hun ongeloof zich afscheiden van de heilige afstamming. „Natuurlijke en geestelijke kinderen van Abraham zijn er — zegt Calvijn bij Hand. 13 vs. 33 — „omdat, hoewel de belofte des levens aan de kinderen van Abraham erfelijk was, velen echter door hun ongeloof er van beroofd werden. Het geloof maakt alzoo, dat uit de groote menigte weinige tot kinderen gerekend worden. En dit nu is", zegt Calvijn, „de dubbele verkiezing, waarvan ik te voren melding maakte de eene van het geheele volk, en algemeen, omdat de eerste aanneming Gods het geheele geslacht van Abraham omvat ; de andere, die tot het geheime raadsbesluit Gods beperkt, door het geloof bevestigd wordt, opdat zij ook bij de menschen van kracht zij".
Vooral de Commentaar op den Romeinenbrief (vooral op Rom. 9 vs. 6 en 7; is vol van opmerkingen inzake deze tweeërlei soort van verkiezing. Het verbond is dan ook breeder dan de verkiezing tot zaligheid. „Het is de genadige ontferming, dat God zich verwaardigd heeft met een volk het verbond des levens aan te gaan, maar dit wordt nog overtroffen door de meer verborgen genade der tweede verkiezing, die tot een enkel gedeelte wordt beperkt". Bij Rom. 13 vs. 7 stelt Calvijn in zijn uitlegging die geheime, verborgen verkiezing Gods boven de uitwendige roeping, en merkt op „dat deze beiden in het geheel niet met elkaar strijden, maar veeleer de eerste tot bevestiging en aanvulling der laatste strekt". „Deze uitwendige roeping (vocatio externa) toch", lezen wij op Rom. 11 vrs. 2, „was op zich zelf zonder geloof krachteloos, zoodat het bijzondere volk dit 'blijft, waarin God het teeken Zijner standvastigheid toont" — en die standvastigheid leidt Calvijn weer af van de geheime verkiezing. Bij vers 28 (Rom. 11) stelt Calvijn die beide verkiezingen als „privata" en „communis" (particulier en algemeen) tegenover elkaar.
De conclusies, die Calvijn uit die onderscheidingen trekt voor de leer van het genadeverbond, blijken bij zijn uitlegging van verschillende teksten (o.a. Ezechiël 16 vs. 61 ; Micha 7 vs. 14 ; Matth. 3 vs. 9).
Bij Ezech. 16 vs 61 zegt Calvijn : „aldus waren zij, die uit Abraham gesproten waren, niet allen het volk 'Gods, niet allen geliefde kinderen". Bij vers 62 schrijft hij : „dat het verbond zou gesloten worden met de ware en echte kinderen van Abraham, die n.l. hun Vader in geloof en vroomheid geleken".
Bij Micha 7 vs. 14 merkt Calvijn op, dat de naam van volk zich niet tot alle kinderen van Abraham uitstrekt, die naar het vleesch van hem afstamden, maar slechts aan de geloovigen toekomt, d.i. de overgeblevenen, die, volgens de genadige aanneming Gods bewaard zijn".
Bij Matth. 3 vs. 9 schrijft Calvijn : „zij bedachten niet, dat er niemand tot den zade Abrahams gerekend wordt dan die zijn geloof navolgen, en dat Gods Verbond niet dan door het geloof van kracht is, om de menschen lot zaligheid bevorderlijk te zijn".
Bij Luc. 1 VS. 49 zegt Calvijn : „omdat niet allen, die uit Abraham naar het vleesch afstammen, echte kinderen Abrahams zijn, beperkt Maria de belofte tot de ware aanbidding Gods. Wel had God toch een algemeen verbond des heils met het geslacht van Abraham opgericht, maar evenals de steenen, door den regen bevochtigd, niet zachter worden, zoo verhindert den ongeloovige zijn hardheid, dat de beloofde gerechtigheid en gelukzaligheid tot hem doordrong".
Hier komt dan weer uit de tweeërlei verkiezing, de breede of algemeene verkiezing, gaande over alle kinderen Abrahams, en de particuliere of bijzondere verkiezing, die tot zaligheid is, welke tweede verkiezing uitgewerkt wordt in den kring van het verbond (de breedere verkiezing) in den weg des geloofs.
Hieraan sluit zich bij Calvijn aan wat hij schrijft in de „Weerlegging der dwalingen van Servet", waar zijn slotsom is : „dat God alzoo vrijelijk heeft uitverkoren, die Hij wilde ; opdat dat verbond, hetwelk Hij met Israël had gesloten, krachtig blijven zou. Deze twee komen dus overeen : dat niet allen, die vleeschelijk afstammen van Abraham, Abraham's kinderen zijn, en dat toch niet te vergeefs gezegd is tot het zaad van Abraham : „Ik zal uw God zijn", en dat de genade des verbonds, waardoor God Zich aan de Joden heeft verbonden, niet vernietigd is".
Door de verkiezing komt het Verbond tot zijn recht.
In den weg des Verbonds werkt God Zijn verkiezing uit.
DE KINDERDOOP VERBOND EN DOOP (17)
Wormser trekt dus een vergelijking tusschen de uitdrukking : „de kinderen der Christenen" (zooals het staat in het Formulier om den Doop te bedienen aan de volwassenen) en : „de kinderen der gelooovigen" (zooals er staat in het Formulier voor den Kinderdoop). Wormser zegt : waarom pijnigt men zich toch zoo bij deze zaak en waarom gaat men filosofeeren over deze kwestie ? Waarom gaat men het van alle kanten onder „de vromen" begrenzen en beknibbelen ? Laat men toch nemen wat er staat : dat de Doop is voor de kinderen der geloovigen, voor de kinderen der Christenen, voor de kinderen der Gemeente — zooals ook Catech. Zondag 27 leert, en zooals de Besnijdenis ook met den Doop en de Doop met de Besnijdenis overeenstemt.
„Het heeft", aldus Wormser (blz. 51) „voor de godvruchtigen geen nut hoegenaamd, aan sommige algemeene uitdrukkingen een flauwe beteekenis te geven en daarentegen aan den anderen kant weder naar krachtige uitdrukkingen om te zien. Het woord Christenen beteekent in de schatting van eenige godvruchtigen bijna niets ; het woord geloovigen daarentegen alles". Maar — aldus Wormser — „het baat niet, dat men zich aldus in de engte laat drijven ; want bij sommigen is óók het woord geloovigen niet meer voldoende". Men gaat het nog meer verscherpen en beperken, door te spreken van... „uitverkoren geloovigen". Maar men kan slechts de zaak, waar om 't gaat, recht behandelen — aldus Wormser — wanneer men de woorden hun oorspronkelijke beteekenis laat behouden !
De kinderen der Christenen — staat er. De kinderen der geloovigen, — staat er. En daaraan moet men zich in het midder der Kerk houden.
In overeenstemming met het tweede deel van het Verbond behoort men dan, in den weg der verbondsgehoorzaamheid, te vragen naar de vruchten van het geloof ; en men moet meer nog tot de consciëntie van den mensch, dan tot het verstand, spreken.
Wat heeft men zich in lateren tijd gepijnigd en zich in redeneeringen uitgeput, teneinde middelen te vinden, waardoor de Doop alléén bediend zou worden aan de kinderen der geloovigen, waarvan men dan wist dat ze wedergeboren waren; menschen, waarvan men wist, dat ze kennelijk onderwerpelijke genade deelachtig zijn !
„Indien dit de meening moest wezen van de woorden van het Formulier", aldus Wormser, , , zouden onze Vaderen nooit de kinderen van al de leden hunner Kerk hebben kunnen doopen. En nog veel minder zouden zij dan de doopsbediening van andere kerkelijke gezindten kunnen erkennen", waaronder óók van de Roomschen. „Alsdan zou er thans nergens een gemeente bestaan, en er zou er ook nooit een geweest zijn, van welke al' de kinderen gedoopt konden worden".
Is het woord christenen u te flauw — aldus Wormser — laat het dan varen en gebruik het woord geloovigen. Maar ook dat zal dan spoedig niet krachtig genoeg zijn, en men zal het woord uitverkorenen gaan bezigen. Maar het zal u niets baten, zoolang de tijd niet gekomen is, dat de Heere niet zelf meer over het hart oordeelt en het kaf nog. niet van het koren komt scheiden.
En als men dezen weg opgaat zal niet alleen spoedig de kinderdoop verdwenen zijn — want wie durft dan nog op zulke gronden de kinderen doopen ? — maar óók de doop voor de volwassenen zal niet kunnen blijven bestaan. Want wie zal zeggen, of men met uitverkorenen te doen heeft, als men zich komt presenteeren voor den doop ?
Zoo moet men zich dan ook blijven houden aan de woorden van de Formulieren onzer Vaderen, die spreken van „de kinderen der christenen" en ,,de kinderen der geloovigen" en daaronder verstonden de kinderen der Gemeente, de kinderen die in het Verbond begrepen zijn, — zooals ook onze Catechismus dat leert en in onze Ned. Geloofsbelijdenis uiteengezet wordt. En iedere poging om het naar eigen z.g.n. inwendige en geestelijke maatstaven te gaan beoordeelen, zal niet zoozeer voor het kaf, als wel voor het koren nadeelig zijn (blz. 52).
„Al de christenen zijn dus geloovigen. Niet voor zooveel hun personeele vernieuwing en zaligheid betreft", niet zoozeer wat hun „onderwerpelijke genade" aangaat, maar voor zooveel vereischt wordt, om voor hun kinderen den Doop te ontvangen. Omdat zij, zonder dat men altoos weet of angstvallig onderzoekt welk gebruik zij van Christus maken — in tegenstelling met de Joden, Mohammedanen en Heidenen, belijden te gelooven, dat Christus de van God geschonken Zaligmaker is.
In dezen laatsten zin zijn zij — geloovig ; terwijl de Joden, Mohammedanen en Heidenen nog ongeloovig zijn.
De laatsten moeten nog vermaand worden Christus te erkennen — de eersten daarentegen moeten vermaand worden in Hem te wandelen, Col. 2 : 6, 7. (Wordt voortgezet).
IN NIEUWE GEHOORZAAMHEID
II. (Slot).
Twee gevaarlijke klippen bedreigen het leven der geloovigen, het scheepke der Kerk, altijd : het anti-nomianisme eenerzijds, mei verachten van de wet en spelen met de zonde en spelen met de genade ; de werkheiligheid anderzijds, die het vrome vleesch aan 't werk wil zetten, om de genade Gods zich zooveel mogelijk waardig te maken.
Nu is dit de groote genade, die God ons en onzen kinderen in het nieuwe verbond wil schenken, dat wij niet tot knechten, tot sla ven, tot huurlingen, worden aangenomen, die in het werkhuis, onder de zweep des drijvers, allerlei moeten doen om zich de genade waardig te maken — gelijk de oudste zoon in de gelijkenis meende, en ook de verloren zoon vanwege zijn schuldbewustzijn, eerst begeerde — maar dat wij, met den verloren zoon, tot kinderen, geliefde kinderen, worden aangenomen. Om dan naast de positie en het voorrecht van een kind en erfgenaam, óók de eervolle taak van een kind ons te zien toevertrouwd.
Tot de eervolle taak van een kind !
Want we worden, in den weg van Gods genade, niet tot onmondige kinderen aangenomen, die in niets verschillen van een huurling en soms onder leiding en toezicht van een knecht gezet worden. Neen, we worden tot mondige kinderen Gods gemaakt in het midden van Zijn huis of Gemeente, aan wie een zeer gewichtige en verantwoordelijke laak is toevertrouwd en aan wie de gave des Heiligen Geestes wordt geschonken, om als kinderen des lichts en der waarheid, te mogen wandelen in oprechtheid voor Gods aangezicht ; om te mogen en te willen verkondigen de deugden Desgenen, Die ons uit den dood riep tot het leven. „Ik noem u niet meer dienstknechten, maar gij zijt kinderen Gods en erfgenamen des eeuwigen levens" — zegt de Heiland telkens.
Van die nieuwe gehoorzaamheid, waarvan , in het Doopsformulier sprake is, wordt in den Catechismus al dadelijk in de 1ste Zondagsafdeeling gesproken, wel een bewijs, hoe noodzakelijk, hoe dringend noodzakelijk deze zaak is. Het is een noodzakelijk deel lan het leven der geloovigen, de kleinen met de grooten saam !
Aanstonds lezen we in het 1ste antw. : „waarom Hij mij ook door Zijn Heiligen Geest van het eeuwige leven verzekert en Hem voortaan te leven van harte willig en bereid maakt".
Is het derde stuk, dat we kennen moeten, niet : „hoe ik Gode voor zulke verlossing zal dankbaar zijn" ?
En wat beteekent het, als wij dagelijks bidden : „Uw wil geschiede, gelijk in den hemel, alzoo ook op aarde" ?
't Antwoord van de 49ste Zondagsafdeeling is ons allen bekend en luidt als volgt : „Geef, dat wij en alle menschen onzen eigen wil verzaken en Uwen wil, die alleen goed is, zonder eenig tegenspreken, gehoorzaam zijn ; opdat alzoo een iegelijk zijn ambt en beroep zóó gewillig en getrouw moge bedienen en uitvoeren, als de engelen in den hemel doen".
Dat heeft niets van het anti-nomianisme, noch voor ons zelf, noch voor anderen. De giftige slang, genaamd anti-nomianisme, moet den kop vermorzeld worden !
Naar „hemelsch model" moet het leven des Christens worden ingericht. Daar lezen de engelen den wil des Heer en af van Zijne heilige lippen. En nu moet het ónze begeerte en óns gebed zijn, alzóó, als menschen, als kinderen Gods, te mogen handelen en wandelen op aarde, gedreven door de liefde Gods, in onze harten uitgestort. Waarbij de geloovigen, die dat begeeren, wel weten bij ervaring, dat zij — ook al waren zij de allerheiligsten — zoolang zij in dit leven zijn, maar een klein beginsel van deze nieuwe gehoorzaamheid bezitten, dagelijks struikelend en zondigend.
Maar die zwakke, struikelende zondaars, die genade mogen kennen, willen niet weten van het aflaten van de scherpe wetsprediking ; want zij begeeren toch, als 't er op aankomt, niet maar naar sommige, maar naar alle geboden Gods te leven. God biddend om de genade des Heiligen Geestes, opdat zij hoe langer hoe meer naar het evenbeeld Gods vernieuwd worden, totdat zij tot de volkomenheid na dit leven geraken, die ons hier, aan deze zijde van het graf, altijd wordt voorgesteld als een levende hope. (Catech. Zondag 44).
Geen nomisme of wettisch zich krommen onder allerlei geboden en inzettingen, om met ons vrome vleesch meer of minder, veel of weinig, te verdienen bij God en de genade ons waardig te maken. Maar óók geen anti-nomianisme of wetsverachting, om aan de zonde in tuchteloosheid toe te geven, met vroom gepraat, „dat de mensch nu eenmaal zoo slecht is en toch niets goeds kan doen en de genade dan des te meer wordt !"
Als nieuw geboren kinderen Gods en leerlingen van Jezus Christus hebben we te luisteren naar de vermaningen, waarmee de Apostelen telkens weer tot de Gemeente des Meeren komen, sprekende van de opvoedende en leiding gevende taak des Heiligen Geestes, waardoor Hij ons niet alleen aanspoort, om als getrouwe kinderen te wandelen, maar Die ons ook bekwaam maakt, door de geestelijke zegeningen, voor onze goddelijke roeping, om als bondelingen den God des verbonds „de hand te reiken", Hem liefde en trouw te beloven, en Hem vast te houden, volgende als schapen Zijner weide den Goeden Herder, Wiens stem Zijn schapen kennen.
In den eisch van ons Doopsformulier : om God boven alles lief te hebben, de wereld te verlaten en te verzaken {in de wereld, maar niet van de wereld), onze oude natuur te dooden en in een nieuw godzalig leven te wandelen, is dus niets wettisch ! Maar het is de, vrucht des Geestes, Die, nadat Christus ons vrijgekocht heeft, tot Zijn evenbeeld vernieuwt, opdat wij ons met ons gansche leven Gode dankbaarheid voor Zijn weldaden bewijze en Hij door ons geprezen worde. (Cat. Zondag 32).
Dat is de opstanding van den nieuwen mensch, dat hierin bestaat, dat wij een hartelijke vreugde in God, door Christus, mogen kennen en lust en liefde om naar den wille Gods in alle goede werken te leven. (Catech. Zondag 33).
Het is niets dan genade, wanneer wij verwaardigd worden om als kinderen Gods in Christus, te mogen worden aangenomen, evenals de verloren zoon, die dood was, maar uit den dood is gered, om dan te mogen leven bij de beloften des Evangelies, n.l. de liefde Gods des Vaders en de verlossing door den Zoon en de heiligmaking door den Heiligen Geest, alle heiligheid vindend in Jezus Christus, onzen Heere.
Dat wil de Drieëenige God, de God van onzen doop, ons geven uit genade, opdat wij onze roei)ing bekennen en aanvaarden mogen, om als nieuw geboren kinderen te wandelen en te verkondigen de deugden des Heeren. Daartoe heeft de Heere Zijn volk geformeerd, om Zijn lof te verkondigen op aarde. En Gods trouw rust zelfs op 't late nageslacht, dat Zijn Verbond niet trouweloos wil schenden, noch van Zijn wet afkeerig de ooren wenden, maar die, naar eisch van Gods Verbond, betracht.
,,En als wij somtijds uit zwakheid in zonden vallen, zoo moeten wij aan Gods genade niet vertwijfelen, noch in de zonden blijven liggen, overmits de Doop een zegel en ontwijfelbaar getuigenis is, dat wij een eeuwig verbond der genade met God hebben". (Doopsformulier).
Neen, wij betuigen niet, dat wij in onszelven volkomen en rechtvaardig zijn ; integendeel, aangezien wij ons leven buiten onszelven in Jezus Christus den Gekruiste zoeken, zoo bekennen wij daarmede, dat wij midden in den dood liggen.
Doch al is het, dat wij nog vele gebreken en ellendigheid in ons bevinden, als namelijk : dat wij geen volkomen geloof hebben, en dat wij niet zulk een ijver om God te dienen aan den dag leggen, als wij schuldig zijn ; dagelijks strijdend met de zwakheid van ons geloof en de booze lusten van ons vleesch — in weerwil van dit alles wil de Heere ons nochtans als Zijn kinderen in genade aannemen.
Waarbij ons door de genade des Heiligen Geestes zulke gebreken van harte leed zijn en wij begeeren tegen ons ongeloof te strijden en in nieuwe gehoorzaamheid naar alle geboden Gods te leven. (Avondmaalsformulier).
Zoo late men dan de woorden „twee deelen" in ons Doopsformulier staan en tegenover den God des Verbonds hebben de bondelingen te staan naar een wandel in nieuwe gehoorzaamheid !
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 september 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 september 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's