De Raad Gods.
Praedestinatie.
Praedestinatie.
We willen beginnen met enkele teksten naar voren te brengen uit het Nieuwe Testament, waarin duidelijk het tweeërlei levenseinde geleerd wordt.
Tot de meest bekende teksten behoort zeker de gelijkenis van de enge poort en die van den smallen en den breeden weg.
„Gaat in door de enge poort, want wijd is de poort en breed is de weg, die tot het verderf leidt en velen zijn er, die door dezelve ingaan ; want de poort is eng en de weg is nauw, die tot het leven leidt en weinigen zijn er, die hem vinden".
. En om nog eens een gelijkenis naar voren te brengen, wijzen we u op die van den rijken man en den armen Lazarus, waarin op de meest aangrijpende wijze ons het tweeërlei einde geteekend wordt.
Men denke voorts aan het vermaan van den Heiland, dat eenmaal in dien grooten dag de schapen van de bokken zullen worden gescheiden.
We willen kort zijn en slechts een enkele tekst noemen uit de veelheid in de brieven van den apostel Paulus : Dwaalt niet. God laat zich niet bespotten. Want zoo wat de mensch zaait, zal hij maaien ; maar die in den geest zaait, zal uit den geest het eeuwige leven maaien.
En in de Openbaring van Johannes wordt telkens de heerlijkheid des hemels ons voorgesteld tegenover de verschrikkingen van den poel, die van vuur en sulfer brandt, waar satan en al zijn trawanten en alle goddeloozen tot in eeuwigheid zullen gepijnigd worden.
De Schrift leert ons geen algemeene verzoening.
Dit wordt echter door allen maar niet zoo grif toegegeven. Er zijn teksten in den bijbel, zoo leert men, waar wel terdege de algemeene verzoeningsleer gepredikt wordt.
We zullen enkele van de meest genoemde teksten naar voren brengen.
„En hij is een verzoening voor de zonden van ons, en niet alleen voor onze, maar voor heel de wereld. 1 Joh. 2 : 2.
. „Want God wil dat alle menschen zalig worden en tot de kennis der waarheid komen. 1 Tim. 2 : 4.
Niet willende, dat eenigen verloren gaan, maar dat ze allen tot bekeering komen. 2 Petr. 3 : 9.
Ziehier een drietal van de meest bekende teksten, waarin het schijnt, dat ondubbelzinnig geleerd zou worden, dat de genade Gods niet particulier maar universalistisch is. Ik kan het mij inderdaad heel goed indenken, dat iemand eigenlijk met de zaak verlegen is, als hij in de brieven van Johannes leest, dat Jezus een verzoening is niet alleen voor ons, maar voor de (zonde) der geheele wereld.
We moeten het bij citeeren van dezen tekst niet laten. We moeten deze woorden van alle kanten trachten te bezien.
Het mag als bekend verondersteld worden, dat onze vaderen vaak van opvatting waren, dat met het woord wereld, de wereld der uitverkorenen bedoeld werd. Een tekst als deze: „Alzoo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eeniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk, die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe", werd dan eenvoudig zoo verklaard, dat onder de wereld niets anders te verstaan was dan de wereld der uitverkorenen.
We waardeeren ten zeerste de pogingen van onze vaderen om de waarheid van de souvereine particuliere genade tegen de universalisten te verdedigen, maar we gelooven toch dat het bewijs hiervoor ook nog wel op een andere manier kan worden geleverd, al nemen we niet de toevlucht tot deze exegese, dat met de wereld alleen de uitverkorenen zouden zijn bedoeld.
Let op het verband, waarin deze woorden in 1 Joh. 2 voorkomen : „Mijne kinderkens, ik schrijf u deze dingen, opdat gij niet zondigt en indien iemand in zonde bevangen is, wij hebben een voorspraak bij den Vader, Jezus Christus, den rechtvaardige". En dan volgt er letterlijk naar de grondtekst : „En deze is verzoening voor wat de zonden van ons aangaat, niet alleen voor die de onze zijn, maar voor de geheele wereld".
Men bedenke dus wel, dat er in de Statenvertaling niet staat „ook voor de zonde/z der geheele wereld, maar voor de zonde der geheele wereld. Eigenlijk is het heelemaal een invoeging, die in de grondtekst niet voorkomt. In de tweede plaats merken we op, dat het woordje „voor" in de uitdrukking „een verzoening voor de zonden van ons" niet de vertaling is van 't Grieksche woordje „hyper", hetwelk beteekent „in de plaats van". Neen, 't woordje „voor" is de vertaling van het Grieksche voorzetsel „peri", hetwelk beteekent : passende op, in betrekking tot.
Dus er is hier geen sprake van, dat in deze tekst zou worden geleerd, dat het zoenoffer van Christus in de plaats zou komen van de zonden der geheele wereld. De drijvers van de leer van de algemeene genade doen net, alsof in onze tekst hetzelfde grondwoord zou voorkomen, hetwelk zoenoffer beteekent, wat ook in Rom. 3 vs. 25 voorkomt. Maar hier in deze tekst is geen sprake van het zoenoffer of het zoenmiddel. Hier in deze tekst gaat het alleen om het wezen der verzoening zelf. Er wordt alleen geleerd, dat de verzoening niet alleen voor wat ons, maar ook wat de wereld aangaat, op het stuk van de zonde alleen in Hem is.
Natuurlijk wordt dat plaatsbekleedende van het zoenoffer niet geloochend. De Schrift geeft ons op tal van plaatsen hierover de duidelijkste gegevens.
Hier in deze tekst wordt echter alleen maar gesproken van de stilling van den toorn Gods tegen de zonde in haren ganschen omvang.
Het woord wereld beteekent dan ook absoluut niet : alle menschen, hoofd voor hoofd, maar Johannes ziet, hoe de zonde is ingedrongen in de gansche schepping. Het gansche wereldorganisme ligt voor God verdoemelijk. Er is wereldzonde. Die wereldzonde moet worden verzoend. God redt niet slechts de enkelingen. Het is Hem te doen om de schepping van een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, waarin gerechtigheid wonen zal.
Dat de particuliere schifting er onmiddellijk op volgt in de woorden : „opdat een iegelijk, die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe", levert het genoegzame 'bewijs, dat met het woord wereld absoluut niet bedoeld is : elk menschenkind, hoofd voor hoofd.
We willen nu den bekenden tekst uit 1 Tim. 2 onder de oogen zien : „Want God wil, dat alle menschen zalig worden en tot de kennis der waarheid komen".
Ziet ge wel, zeggen de voorstanders van de algemeene genade, het staat er duidelijk : alle menschen. Er is er niet één uitgezonderd. Men bedenke echter de drie volgende tegenargumenten.
In de brieven aan Timotheüs komt het woord „alle" nogal vaak voor. In 1 Tim. 4 vs. 4 lezen we : Alle schepsel Gods is goed, en er is niets verwerpelijk, met dankzegging genoten zijnde". Hiermede is natuurlijk alleen bedoeld alles, wat eetbaar, doch tevens nuttig voor ons, is.
1 Tim. 5 VS. 20 staat : Bestraf de zonden in aller tegenwoordigheid. Dit kan natuurlijk niet beteekenen : in tegenwoordigheid van alle menschen, maar alleen van degenen, die bij het feit betrokken waren.
2 Tim. 1 VS. 15 : Gij weet, dat allen, die in Azië zijn, zich van mij afgewend hebben. Daarmee zijn natuurlijk niet die millioenen Aziaten bedoeld, maar alleen degenen, die met Paulus in contact hadden gestaan.
Zoo zouden we nog wel een vijftal plaatsen uit de brieven aan Timotheüs kunnen aanhalen, waaruit ten zeerste blijkt dat het woord „alle" niet moet genomen worden in de beteekenis van een telwoord.
Laten we verder letten op een tweede argument, hetwelk we aan het verband ontleenen, waarin de tekst voorkomt. En dan zal het u duidelijk worden, dat er alleen dit gezegd wordt, dat God wil, dat allerlei menschen van allerlei volk en natie, van alle rang en stand, zullen zalig worden.
Dus niet alleen maar Joden, maar ook heidenen.
Niet alleen koningen, maar ook slaven.
En hier voegen we nog een derde argument aan toe, n.l. dit, dat in de brieven van Paulus aan Timotheüs en Tibus verder deze algemeene verzoeningsgedachte niet voorkomt. Veeleer het tegendeel 1
In Titus 2 VS. 14 lezen we, dat Christus zich zelf voor ons heeft overgegeven om zich een eigen volk te reinigen. En uit 2 Tim. 1 vs 9 'blijkt duidelijk, dat deze verzoening krachtens het eeuwig raadsbesluit Gods geschied is. En in 2 Tim. 2 vs. 10 en Titus 1 vs. 1 is sprake van de uitverkorenen.
Doch genoeg ! Het zal duidelijk zijn geworden, dat er ook in deze tekst geen sprake was van een algemeene verzoening. Thans rest nog de derde of laatste tekst uit 2 Petrus 3 vs. 9 : Niet willende, dat eenigen verloren gaan, maar dat ze allen tot bekeering komen.
We willen over deze laatste plaats kort zijn. Er staat alleen „allen". Taalkundig kan dit evengoed zien op een bepaalde, groep van personen als op de totaliteit van de menschheid.
Als ge ook deze woorden in het verband ziet, kan er toch maar moeilijk mee bedoeld zijn, dat Christus niet eerder zal wederkomen, voordat alle menschen tot bekeering zijn gekomen. Jezus heeft ook bovendien nooit en nergens geleerd, dat alle menschen tot bekeering zullen komen. Hij heeft genoeg geprofeteerd van de schifting.
Het is goed, dat we de drie genoemde teksten nog eens onder de oogen hebten gehad, om te zien, dat de voorstanders van de algemeene verzoeningsgedachte daarin geen bewijsmateriaal voor hun standpunt kunnen vinden.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 september 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 september 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's