De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

WAT CALVIJN ONS LEERT

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

WAT CALVIJN ONS LEERT

9 minuten leestijd

De Hoofdsom des Evangelies.
Nog eens komt Calvijn terug op de noodzakelijkheid der bekeering als een zaak van het hart, de waarachtige bekeering tot God.
Van een oppervlakkige bekeering, die feitelijk de zonden zoekt te bedekken, wil hij niets weten. David bedekt zijn zonden niet, maar doorzoekt zijn hart tot aan zijn geboorte toe en zegt: Ik ben in ongerechtigheid geboren. (Ps. 51 vs. 7). Hij gedenkt en belijdt de zonden zijner jeugd. (Ps. 25 VS. 7).
Eerst dan, zegt Calvijn, zullen wij bewijzen uit onze slaperigheid gewekt te zijn, als wij onze zonden voor God ontdekken en belijden.
Calvijn onderscheidt de boetvaardigheid of bekeering nog eens in tweeërlei en bedoelt nu niet de uitwendige en de inwendige bekeering, maar de voortdurende bekeering of den voortdurenden strijd tegen onze zondige natuur als eenen, waaraan wij voortdurend gedachtig behooren te zijn en waarin wij ons voortdurend oefenen moeten.
Tegenover deze voortdurende bekeering plaatst hij een bijzondere, welke een opwekking van den dood gelijk is, b.v. als iemand in grooten afval of onverschilligheid heeft geleefd en aan losbandigheid is overgegeven geweest.
Dit laatste is een bijzonder geval, en Calvijn zegt dan ook, dat zulk een bekeering sommigen ten deel valt. Met nadruk wijzen wij daarop, omdat er menschen zijn, die dit bijzondere geval nu eigenlijk voor het gewone houden. De tegenstelling moet heel sterk spreken. Men moet eerst een dronkaard, een vloeker, een beestachtig mensch zijn geweest, en dus tot kennis van een ander leven komen op een zeer sprekende en krachtdadige manier. Dan is het eerst goed, waar en betrouwbaar.
Wie zulke gedachten koestert moet eens bedenken, dat Calvijn dit tot bijzondere gevallen rekent. Het bijzondere is dus niet zoozeer de bekeering, want dat is altoos een bijzondere zaak en een daad van bijzondere goddelijke genade.
Neen, het bijzondere, waarop Calvijn de aandacht vestigt, ligt in de verregaande goddeloosheid, waarin dezulken leefden. Hij heeft het oog op menschen, die het juk Gods hadden afgeschud en noemt dat een soort afwijking.
Hij bedoelt daarmede, dat het gros der menschen nog een zekere mate van fatsoen onderhoudt en noemt het een afwijking, als iemand ook het gewone burgerlijke fatsoen door zijn wandaden bevlekt.
Verder omschrijft hij het nog anders en zegt : de duivel heeft ze van de vreeze Gods afgerukt. Calvijn gaat dus van het gewone uit. Hij acht het gewoon, dat men God vreest, maar daar zijn sommigen, die ook de gewone en algemeene vreeze en eerbiediging voor God afschudden en verstrikt raken in verderfelijke werken des duivels.
Dat is dus het bijzondere, wat Calvijn bedoelt, en als zulke menschen zich bekeeren, of liever, door God worden gearresteerd, dan treft dat degenen, die het waarnemen, op een bijzondere wijze.
Zoö oordeelt Calvijn dus van uit het standpunt, dat een zekere Godsvreeze algemeen en gewoon is. Het openbaar fatsoen en de burgerlijke gerechtigheid brengen dat mede, maar het is bovendien niet anders dan een schuldige plicht jegens God.
Ik geloof, dat Calvijn dit juist ziet en dat wij het gewone leven evenzoo moeten stellen. Zeker, wij zijn dat verleerd. Wij beleven zoo geheel andere tijden. De menschen zijn wel niet veranderd, maar de vijandschap van God is zooveel driester geworden in haar uiting, dat er veeleer van een openbare onverschilligheid dan van een openbare vreeze Gods kan worden gesproken.
Welk een klein gedeelte van ons volk gaat regelmatig ter kerk. Het Sabbathsgebod wordt door velen in zijn allereerste beteekenis veracht.
Want de eerste bedoeling van het Sabbathsgebod is wel, dat de Sabbath wordt afgezonderd voor de dingen, die boven zijn. Verstaan wij Calvijn goed, dan heeft hij geenszins in de eerste plaats bedoeld, dat men op Zondag den arbeid staakt.
Goed begrepen. Hij wil niet, dat men op Zondag werkt of van den Zondag een dag van plezier maakt. Neen, neen, hij vindt in Gods Woord, dat die dag een dag van ontspanning zij voor alle dienstbaren, opdat zij tot verademing komen.
Reeds daarom is hij een voorstander van de rust op Zondag en het stilleggen van den gewonen arbeid.
Hoe zal men echter die rust gebruiken ?
Niet om daar werkeloos neer te zitten of in te dommelen in den slaap der ziel.
Maar om te bedenken de dingen, die boven zijn. Hoe zal men daartoe beter den weg vinden dan zich te voegen onder het Woord ? Welnu, wij meenen Calvijn's inzicht in dit stuk zuiver weer te geven, als wij zeggen, dat de eerste gehoorzaamheid aan het Sabbathsgebod is gelegen in den geregelden opgang onder den Dienst des Woords.
Ook dit is, op zich zelf genomen, nog maar een uitwendige gehoorzaamheid, welke als vrucht des geloofs ook de heiliging van den Sabbath zal zoeken. Doch als uitwendige gehoorzaamheid van Gods gebod, voegt zij allen.
Daarom is het gebrek aan opgang onder Gods Woord een veeg teeken. Als het volk in groote meerderheid niet naar gewoonte opgaat, niet meer gewoon is en voor gewoon houdt om op te gaan, wijst dit op een inzinking van de algemeene vreeze Gods.
Wat zullen wij dus zeggen van het steeds toenemend getal dergenen, die met de kerk geheel hebben gebroken en niet meer tot een kerk behooren ? Dat wijst op een verwording, die nog eenige graden erger is dan een niet meer geregeld opgaan.
Op die wijze raken wij ook den algemeenen maatstaf kwijt. Wij vinden het niet meer zoo bijzonder als iemand „niet aan de kerk of het geloof doet". Wij worden er aan gewoon, dat velen een liberalisme huldigen, hetwelk voor de publieke opinie behoorde afkeuring te vinden.
Ja, het wordt vaak als een bijzonderheid gemeld, dat men dezen en genen nog wel eens in de kerk ziet, en het getrouwe volk wordt eerder als een bijzonder aangezien. Zoo zijn wij de maat van het gewone en normale kwijt. Maar Calvijn houdt vast aan een algemeene vreeze Gods als gewoon en betamelijk, ook al is hij zich er van bewust, dat zulk een algemeene vreeze niet bij allen uit de waarachtige geestelijke godsvrucht voortkomt.
Zoo hangt alles met elkander samen.
Nu gaat de orde van het gewone teloor bij de minderheid, die nog een kerkelijk leven heeft. Het kerkelijk leven in beperkten kring wordt gemeten naar den maatstaf van het gewoonte-Christendom en het echte moet dus onderscheiden bijzonder zijn.
De gevallen, die Calvijn als ongewoon en buiten de orde beschouwt, worden thans als maatstaf van het ware aangemerkt.
Calvijn bedoelt niet, aan zulke opvallende bekeeringen de echtheid te ontzeggen, maar hij houdt ze voor bijzonder en derhalve acht hij het meer naar den regel, dat de algemeene vreeze Gods, die gewoon behoort te zijn, door de werking van Woord en Geest tot waarachtig geestelijk - leven naar de verkiezing wordt geleid.
Gaan wij dus naar Calvijn's beoordeeling te werk, dan kan het duidelijk zijn, dat wij het voor een afwijking moeten houden als iemand zich niet tot de kerk voegt en den Dienst des Woords veronachtzaamt, zoodat het gewoon en normaal is als iemand trouw onder de prediking des Woords verschijnt.
Dan zullen wij het wederom met Calvijn als een bijzonder geval van bekeering beschouwen, wanneer een onverschillig en in duivelsche werken verstrikt mensch een nieuw leven leert kennen en dan zal de regel des geloofs ook daarin worden geëerbiedigd, dat men vasthoudt aan Gods belofte, welke Hij naar Zijn welbehagen verzegelen zal door Zijn Woord en Geest.

Het Evangelie begrepen in twee stukken.
De somma van het Evangelie bestaat uit twee stukken : bekeering en vergeving. Deze twee hangen nauw samen : De Heere rechtvaardigt de Zijnen om niet, opdat Hij hen door heiligmaking des Geestes wederom opricht tot ware gerechtigheid. (Matth. 11 VS. 10).
Dat is volkomen juist, en wij zullen Calvijn zoo straks volgen, als hij laat zien, dat het alzoo door de Heilige Schrift wordt geleerd.
Want wat zouden wij winnen, zoo de Heere ons alleen vrij sprak van het oordeel ? Stel eens, dat. het zoo was, zoodat onze verdorven natuur niet werd veroordeeld. Hoe vaak zouden wij dan wel een nieuwe vrijspraak noodig hebben ? Immers wij zouden van daad tot daad, van gedachte tot gedachte in zonden verzinken en niets vorderen. Ja, ook, stel dat God door een vrijspraak in eens ons voor eeuwig van het oordeel bevrijdde, hoe zouden wij, blijvende in onze verdorven natuur, eeuwig voor Hem bestaan en de zaligheid beërven ? Vleesch en bloed kunnen toch de heerlijkheid Gods niet beërven. Zoo zou er dus niets dan verderfelijkheid blijven, ondanks de vrijspraak Gods, indien het niet zoo ware, dat de Heere ons ook heiligt tot een nieuwe gehoorzaamheid.
Alleen, wanneer wij een nieuwe gerechtigheid deelachtig mogen worden, zullen wij in staat zijn de vrijspraak Gods in gerechtigheid te mogen prijzen en Zijn Naam groot te maken.
Daarom moeten wij deze stukken niet losmaken van elkander, maar in hun innerlijken samenhang zien, gelijk Calvijn ons leert en uit Gods Woord aantoont; De waarachtige bekeering gaat dus gepaard aan nieuwigheid des levens, is vernieuwing des levens en een vrucht des Heiligen Geestes.
De Heilige Schrift predikt de bekeering, dat is de dooding van den ouden mensch, opdat wij de wedergeboorte des Geestes zouden begeeren. Zij predikt, dat het Rijk Gods voor de deur staat en bedoelt met het Koninkrijk Gods de vergeving der zonde, de zaligheid, het leven en alles wat wij in Christus verkrijgen. Johannes de Dooper predikte den doop der bekeering tot vergeving der zonden. (Marc. 1 vs. 4).
De Heere Jezus zegt : Het Koninkrijk Gods is nabij gekomen, bekeert u en gelooft het Evangelie, (Mare. 1 vs. 15). Eerst verklaart Hij, dat in Hem de schatten van de barmhartigheid Gods zijn geopend, ten anderen eischt Hij boetvaardigheid en daarna vertrouwen op de beloften Gods. Hij zegt ook, dat in Zijn Naam bekeering en vergeving der zonden moet gepredikt worden. (Luc. 24 vs. 26, 46, 47).
Zoo hebben ook de apostelen gepredikt bekeering en vergeving der zonden in Zijn Naam. (Hand. 5 vs. 31).
De vergeving der zonden wordt gepredikt, wanneer de menschen onderwezen worden, dat Christus ons geworden is tot verlossing, tot rechtvaardigheid, zaligheid en leven, om Wiens wil zij voor Gods aangezicht rechtvaardig en onschuldig worden gehouden.
Aangezien deze twee genadegaven door het geloof worden aangegrepen, moeten zij toch onderscheiden worden.
 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 september 1939

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

WAT CALVIJN ONS LEERT

Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 september 1939

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's