De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCHOUW

18 minuten leestijd

VELDPREDIKERS OPGEROEPEN
Tal van predikanten, ook van de Hervormde Kerk, zijn opgeroepen als veldprediker. Wij klagen nog al eens, dat de Hervormde Kerk niet gekend, of niet genoeg gekend wordt door officieele instanties. De Roomschen wel, ook van de Gereformeerde Kerken, maar — zoo zegt men — de Hervormde Kerk wordt dan dikwijls achtergesteld. En .— zoo zegt men — dat is toch de „Groote" Kerk, de nationale Kerk, enz.
Nu zijn er, naar wij meenen te weten, tal van Hervormde predikanten, ook van onze Herv. Geref. predikanten, opgeroepen als veldprediker. Van dorpsgemeenten en van de groote steden. Maar nu klagen velen. Nu is Leiden in last. Want de dominees „loopen zóó maar weg", zegt men, en de gemeenten worden, zegt men, de dupe er van.
Nu meenen wij, dat met „mobilisatie" alles vlug en snel en onverwacht gaat. Mannen moeten uit hun gezin ; die een winkel hebben, moeten haastig de soldatenjas aantrekken ; dokters worden opgeroepen, kantoormenschen moeten weg, onderwijzers moeten hun school achterlaten, ja, wie niet al ?
Denkt men nu wezenlijk, dat het met de veldpredikers anders gesteld is ? Dat kan immers niet ! En zoo loopt het dan hier en daar vast. In kleine gemeenten, ook in de stadsgemeenten. Men zit met de preekbeurten, de catechisaties, huis- en ziekenbezoek, ja, met alles. En dat is heel erg.
Daarom moeten we niet klagen. Want als Hervormde dominees gepasseerd werden, zouden we allen een grooten mond opzetten en onze klachten luide doen hooren.
Maar — het is goed en noodig, dat er nu orde op de zaken wordt gesteld. Want het kan en mag natuurlijk in de gemeenten niet hopeloos in de war loopen. Temeer, waar het veldpredikerswerk natuurlijk niet voor niets behoeft te worden verricht. Dat gaat niet uit een arme beurs, waar een gat in zit, maar het wordt behoorlijk door het Rijk betaald.
Daarom kunnen we ons voorstellen, dat de Synodale Commissie zich op deze zaak heeft beraden en we lezen dan ook het volgende bericht :
„Het Moderamen van de Algemeene Synodale Commissie der Ned. Hervormde Kerk heeft zich gewend tot alle Classicale Besturen met een brief, waarbij het „in verband met de moeilijkheden, die in verschillende gemeenten zijn ontstaan door het in werkelijken dienst treden van de reserve-veldpredikers", vóór 1 October verzoekt hem mede te deelen : 1. welke gemeenten in zijn ressort hiertoe behooren ; 2. op welke wijze door de betrokken predikanten in hun dienstwerk is voorzien ; 3. hoe de Kerkeraden tegenover deze aangelegenheid staan ; en 4. welke maatregelen naar zijn oordeel in het belang der gemeenten dienen genomen te worden".
Ons dunkt, dat aan deze zaak nu overat aandacht zal worden geschonken.

DE FUNDAMENTEELE STUKKEN LOSGELATEN.
„De orthodoxe dogmatiek wordt overal, langzaam aan, maar onverbiddelijk zeker, steeds meer gevoeld als een knellende band. Wat eens een passend kleed was, wordt meer en meer een dwangbuis. En dat zit niet zoozeer in ondergeschikte punten".
Zoo schrijft A. de Wilde, van Beusichem, in het Vrijz. Weekblad „Contact" (15 Sept. '39). Een getuigenis, dat als twee druppels water gelijkt op wat in de Synodale Acta van 1844—'45 te vinden is, toen de oud-liberale grootvaders van den heer De Wilde, bij den strijd om de formulieren, de proponentsformule en belijdenisvragen, óók zoo spraken. Toen sprak men van „dwangbuis", „kluisters" enz., zoodat het niets nieuws is wat nu in 1939 van Vrijzinnige zijde gezegd en geschreven wordt. Maar het is goed, dat we er ook nu nog maar weer eens een streep onder zetten : dat de orthodoxe belijdenis door de Vrijzinnigen niet meer te aanvaarden is, en „dat zit niet zoozeer in ondergeschikte punten".
Dus — dat zit dan in de hoofdzaken, in de fundamenteele stukken van ons algemeen en ongetwijfeld Christelijk geloof.
Als een orthodoxe Kerkeraad, zooals blijkt uit het zelfde no. van „Contact", zoo iets schrijft, dat hij n.l. de Vrijzinnige prediking niet voor z'n verantwoording kan nemen, omdat men in de fundamenteele stukken van ons algemeen en ongetwijfeld Christelijk geloof verschilt en omdat de Vrijzinnige prediking de grondwaarheden — niet zoozeer in ondergescliikte punten, maar in de hoofdwaarheden — niet aanvaardt, maar loochent, dan staat de Vrijzinnige pers op haar achterste beenen, om de fiolen vol toorn over zoo'n Kerkeraad uit te storten.
Men leze het bericht uit de Prov. Noord- Hollandsche Courant, naar aanleiding van het antwoord van den rechtzinnigen Kerkeraad te Landsmeer aan de Vrijz. Hervormden aldaar, welk bericht in „Contact" is vermeld.
Waarom is zoo'n rechtzinnige Kerkeraad brutaal en vol farizeesche hoogmoed, als hij schrijft aan menschen, die zelf verklaren niet in het dwangbuis van onze kerkelijke belijdenis, die bijbelsch-reformatorisch mag worden genoemd, niet te kunnen leven ? Die zelf verklaren, dat zij niet in ondergeschikte punten, maar in de hoofdwaarheden van onze kerkelijke belijdenis verschillen ? Die zelf verklaren, dat zij de oude, primitieve voorstellingen, in onze kerkelijke belijdenisschriften nog altijd opgenomen, niet meer kunnen eerbiedigen ?
De heer De Wilde, van Beusichem, verklaart dat zelf ; dat het oude kleed van de belijdenis niet meer past en dat men een nieuw moet nemen.
De Vrijzinnigen zijn uit het kleed van onze kerkelijke belijdenis uitgegroeid, zegt hij. En wij gelooven dat ook. Door hun wetenschappelijke onderzoekingen zijn ze te dik en te groot geworden, en door hun critische geest zijn ze te zeer opgeblazen, zoodat het oude, bijbelsch-reformatorische kleed niet meer past.
Dat we een Drieëenig God hebben ; dat Jezus Christus waarachtig en eeuwig God is ; dat Hij in de volheid des tij ds uit de maagd Maria geboren is, ontvangen van den Heiligen Geest ; dat Hij aan het kruis gestorven is tot verzoening van onze zonden ; dat Hij ten derden dage is opgestaan uit het graf, waaraan gansch het Evangelie vast zit ; dat Hij ten hemel is gevaren en dat Hij zal wederkomen op de wolken — die fundamenteele waarheden (waarlijk maar niet ondergeschikte punten) gelooven de Vrijzinnigen niet. Die voorstellingen — zoo schrijft de heer De Wilde — „suggereeren ons de kleurige, doch primitieve voorstellingswereld van Jezus' dagen. En deze voorstellingswereld is niet meer de onze".
Dat willen we nog eens vastleggen!
De orthodoxe geloofsbelijdenis is „de kleurige, doch primitieve voorstellingswereld van Jezus' dagen. Én die primitieve voorstellingswereld van onze bijbelsch-reformatorische geloofsbelijdenis, is den geleerden, wetenschappelijken, critischen Vrijzinnige vreemd geworden. Dat is niet meer het eigendom van de verlichte Vrijzinnigen van 1939 !
Ze zijn weer teruggekeerd — och, arme ! — tot de heel ouder wetsche wereld van het oude Jodendom en het antieke heidendom, waar Paulus overal vond, dat men het Evangelie van Jezus Christus óók dwaasheid noemde en zich óók ergerde en alles verwierp.
Met oude argumenten wordt weer opnieuw verworpen het wónder-heerlijke Evangelie des Kruises, waarin de verzoening en de verlossing der wereld ligt.
Neen, de Vrijzinnigen moeten niet denken, dat zij tot iets nieuws gekozen zijn. Ze zijn teruggekeerd tot het oude, dat door het Evangelie altijd veroordeeld en bestreden is, als niet zijnde uit God, maar uit den dwaalgeest der wereld.
Waar het dus „niet zoozeer de ondergeschikte punten", maar de hoofdzaken en de fundamenteele stukken van ons algemeen, ongetwijfeld Christelijk geloof betreft, zit er niets brutaals, niets hoogmoedigs, niets onrechtvaardigs in, wanneer op grond van de bijbelsch-reformatorische belijdenis de Kerk zegt : die Vrijzinnigen behooren niet in de Hervormde Kerk thuis.
Men moet iemand op z'n woord kunnen gelooven ; anders valt er niet meer mee te praten !
En dat moet toch in onze Kerk kunnen.
Dat zal tenslotte ieder moeten toestemmen.

DE GOOCHELAAR EN DE BELIJDENIS.
In de Geref. Kerk, Hervormd Weekblad van de Confessioneele Vereeniging, is nu de laatste beantwoording in de Vragenbus van de hand van wijlen ds. C. A. Lingbeek opgenomen. Het was een stuk, dat nog tusschen zijn papieren is gevonden en dat zeker de moeite waard is gepubliceerd te worden, 't Is zoo echt ala ds. Lingbeek gesteld. En omdat het een zeer belangrijke kwestie behandelt, nemen we het hier over. Uit piëteit voor ds. Lingbeek, en om de kwestie waarover het gaat, n.l. het knoeien met de belijdenis in onze Hervormde Kerk.
De vraag was ongeveer aldus : Kunnen de z.g.n. Minderheden in de Hervormde Kerk, die afwijken van de belijdenis, wel spreken van „rechten" ? In de Ned. Hervormde Kerk heeft toch de belijdenis alleen recht ? Hoe is het nu gekomen, dat de belijdenis haar recht kwijt geraakt is ?
Hierop geeft wijlen ds. Lingbeek dan dit geestige antwoord :
Het is een lange geschiedenis, om te verhalen hoe dat zoo is gekomen ; een geschiedenis niet van één dag of jaar, maar van honderd jaren. Slechts enkele trekken kunnen wij er van mededeelen.
Onze Kerk was, zooals inzender schrijft, voor honderd jaren ruim, de oude Gereformeerde Kerk, met Gereformeerde belijdenisschriften en levende onder eene Gereformeerde Kerkorde, de Dordtsche.
Om zich nu in die Gereformeerde Kerk een plaats te verzekeren, is men van vrijzinnige zijde aldus te werk gegaan :
Eerste stap. De oude Dordtsche Kerkorde werd met behulp van Staatsgezag zoo maar zonder méér vervallen verklaard en een nieuwe orde, de Synodale organisatie van 1816, ingevoerd. Om echter degenen, die nu ook voor de Gereformeerde leer beducht waren, gerust te stellen, werd bij al wat hoog en heilig was de verzekering gegeven: geen nood, die leer ligt vast verzekerd in art. 9 (thans art. 11) van het Algemeen lleglement der nieuwe Kerkorde. Daarover behoeft ge u dus niet ongerust te maken.
Tweede stap. Nu eenmaal de nieuwe Kerkorde er door was en de tegenstand tot stilzwijgen gebracht, begonnen degenen, die van de Gereformeerde leer afweken, zich wat vrijer te gevoelen en hun gevoelens ook meer onbedekt uit te spreken. Werd daar van rechtzinnige zijde over geklaagd, dan werden zulke klachten niet ronduit ongegrond genoemd, maar dan had men er dit op gevonden, dat „de rust in de Kerk niet mocht verstoord worden", 't Was of onze Kerk een groot ziekenhuis was geworden, waarin 't een ieders plicht was op de kousen te gaan en de anderen niet te storen. „Sst, Sst, stilte, stilte", was nu het parool. Die orthodoxen, die het waagden te klagen over de leeringen van hun medeleden of mede-bedienaren, waren dus niets dan ellendige rustverstoorders, die desnoods met een koninklijke aframmeling werden tot stilzwijgen gebracht (denk aan ds. Molenaar en nog zoovele anderen). En intusschen gingen de Vrijzinnigen dóór.
Derde stap. 't Was noodig om intusschen in de bijzondere reglementen eenige wijzigingen aan te brengen, die de steeds grooter wordende afwijkingen van de Gereformeerde leer toch eenigerwijze dekten. Anders was men nog in de Hervormde Kerk niet van zijn leven zeker. Dat was echter geen makkelijk werk. Ronduit het artikel' in het Algemeen Reglement, dat sprak van de handhaving der leer, schrappen, dat was wel de eerlijkste weg geweest. Maar daarvoor was de oppositie tegen zulke stappen nog veel te machtig en bovendien, de rechtzinnigen hadden zich dan wel eens op den Koning kunnen beroepen en hem aan zijn koninklijk woord kunnen herinneren, dal de Synode de leer der Kerk niet zou wijzigen. Derhalve : meer bedekt moest men te werk gaan. Men begon zich nu dus toe te leggen op het uitvinden van allerlei reglementsbepalingen, die voor tweeërlei uitleg vatbaar waren. Bijvoorbeeld in de nieuwe belofte, die de proponenten hadden af te leggen bij hun toelating tot de Heilige Bediening, was komen te staan, dat zij de leer, welke overeenkomstig Gods Woord, in de aangenomen formulieren van eenigheid der Nederlandsche Hervormde Kerk is vervat, ter goeder trouw aannamen en hartelijk geloofden. De vraag was nu maar : wat beteekent hier het woordje „overeenkomstig". De orthodoxe leden der Synode hadden het opgevat in den zin van „omdat". Dus dan verklaarden de proponenten de leer der Hervormde Kerk. te gelooven, dewijl zij die hielden voor overeen te stemmen met Gods Woord. Maar de Vrijzinnigen verklaarden het woordje als beteekenende : „voorzoover". En dan verklaarden de proponenten niets meer dan dat zij de leer der Kerk aannamen, voor zoover zij die achtten overeen te stemmen met Gods Woord. Dus : als zij de geheele leer met het Woord in strijd achtten, waren zij volgens deze belofte dan ook vrij om de geheele leer te verwerpen. En om de beteekenis van deze zaak nu wel te doorzien, moet men er op letten, dat de orthodoxen de dubbelzinnigheid der uitdrukking niet hadden opgemerkt, maar dat de Vrijzinnigen, volgens eigen verklaring van Donker Curtius, een der leden van de Synode, die dubbelzinnigheden wel terdege hadden gezien en juist daarom die uitdrukking hadden gekozen, maar er niets van hadden gezegd.
Nu waren de orthodoxen voorloopig weer gerustgesteld. En de Vrijzinnigen hadden een proponentsformule, die hen eigenlijk in het geheel niet meer bond aan de leer der formulieren. Natuurlijk zou dat later, als het uitkwam, wel weer strubbeling geven, maar men was dan van vrijzinnigen kant al weer een stapje gevorderd en had een artikel om zich op te beroepen.
Een andere dubbelzinnigheid van dezelfde soort was, dat men in de proponentsfor­mule sprak van de „aangenomen" formulieren van eenigheid. Wat bedoelde men met dat woordje „aangenomen" ? Toen indertijd de Dordtsche Synode hare vijf artikelen tegen de Remonstranten had uitgegeven, waren die Dordtsche canones door de geheele Kerk aanvaard ; in Friesland echter hadden de predikanten, door onwil van de Staten van dat Gewest, die Dordtsche leerregels niet kunnen onderteekenen. Op grond daarvan meende men de leerregels van Dordt van de aangenomen formulieren onzer Kerk te kunnen buitensluiten, hoewel geen schepsel dat ooit zoo had verstaan. En dus, door dat woordje „aangenomen" in de proponentsformule, meende men de artikelen van Dordt te hebben terzijde gesteld en alleen den Heidelbergschen Catechismus en de Gereformeerde geloofsbelijdenis te hebben overgehouden.
Zbo is het nu steeds van stap tot stap voortgegaan. Men liet de leer der Kerk in het Algemeen Reglement, art. 11, rustig staan. Maar intusschen werkte men voorzichtig de bijzondere reglementen zóó om, dat het artikel 11 hoe langer hoe meer een wassen neus werd. En eindelijk kwam men ronduit voor den dag met de bewering : de leer der Kerk, die moet ge niet kennen uit het Algemeen Reglement ; wel neen, die leert ge kennen uit de bijzondere reglementen. En dan kwam de geheele leer der Kerk neer op een weinig zeggende, voor allerlei uitlegging vatbare proponentsformule en op de vragen, die aan de nieuwe lidmaten gesteld worden. Dat zou dan alles zijn, wat was overgebleven van die Gereformeerde belijdenis onzer Kerk, die de Synode, volgens beloften van den Koning, nooit zou aanranden.
Weet ge, waaraan die geschiedenis mij telkens weer herinnert ?
Aan de kunsten, die een goochelaar vertoont.
„Geef u maar eens uw gouden horloge, mijnheer, en leg het hier maar neer in dit kistje ; ik zal er heusch niet aankomen ; u ziet alles wat ik doe". Het kistje gaat dicht. Hocus Pocus, Pilatus ! Ziezoo, het kistje gaat open. En voor uw gouden horloge ligt daar een zilveren in de plaats.
„Laat u dat horloge nu nog maar eens liggen, mijnheer ; ik beloof u : ik zal het niet aanraken. Ziezoo, daar ligt 't. Nu de deksel er op. Hocus Pocus, Pilatus ! Het kistje gaat open, en nu is zoowaar uw geheele horloge verdwenen.
Ge staat versteld, maar de goochelaar stelt u gerust ; 't is alles in orde, mijnheer. En kijk, daar blijkt nu dat die boer daarginds uw horloge op zak heeft.
Zulke goocheltoeren zijn wel aardig.
Maar als 't nu eens geen spel is, maar als gij op zoo'n manier werkelijk uw horloge kwijt raakt, hoe noemt ge 't dan ?
Dit moeten de heeren Vrijzinnigen, die met de belijdenis onzer Kerk zoo gegoocheld hebben, maar eens uitleggen.
Zij behoeven het niet te zeggen aan ons. Laten zij het maar eens vertellen aan zich zelven.

KERK EN OORLOG
De Kerk heeft Gods Woord en heeft naar dat Woord te spreken ; anders moet zij zwijgen. Wij hebben er niets aan, of de Kerk al met allerlei van cultuur en beschaving en kunst en wat ook, voor den dag komt, en allerlei min of meer wijsgeerige redeneeringen houdt of moralistische vermaningen uitdeelt.
Want wat de Kerk is, dat is zij — moet zij zijn — als Kerk. van Christus en Kerk des Woords ; om een getrouwe getuige van Jezus Christus te zijn en te spreken naar Gods Woord, anders niets. Zij heeft geen boodschap van zich zelf, maar zij is de boodschapster des Heeren, Die Zijn Woord wil doen uitgaan tot alle volkeren. „Predikt het Woord aan alle creaturen !" — zegt haar Lastgever, haar Koning en haar God. En dat Woord moet de wereld brengen tot het licht, dat der volkeren wegen moet bestralen, zullen de vorsten en de volkeren veilig gaan.
Prof. Grosheide schrijft in dat verband :
„De Kerk heeft haar eigen karakter en is niet met de koninkrijken der aarde op één lijn te stellen. Zij heeft Christus tot haar Koning en dus een eigen roeping en taak. Zij heeft het Woord Gods te bewaren en te verkondigen. Zij heeft dat te doen in alle omstandigheden, in alle tijden. Maar eerste eisch is dan ook,
dat zij geen menschenwoord brengt, doch Gods Woord. Juist in tijden als we thans beleven, is het wel eens moeilijk dat vol te houden".
„Wij hebben bij eiken oorlog onze sympathieën-en onze antipathieën, wie zal het ons euvel duiden ? Maar we gaan verkeerd, als wij de Kerk des Heeren voor ons karretje willen spannen en haar als Woord Gods ónze meening, óns inzicht willen laten brengen. Daar hebben we wel op toe te zien. Gods Woord zegt ons niet, wie gelijk heeft in dezen oorlog, hel profeteert ons niet, wie winnen zal, het spreekt zonder meer het oordeel uit over alle ongerechtigheid van volken en personen. En dat heeft de Kerk te prediken".
,,Wij hebben te gelooven, dat God de wereld regeert en niet de menschen ; te gelooven dat goed is, wat is naar Gods wet ; te gelooven, dat de Heere in Zijn toelating zelfs het onrecht eenigen tijd kan gedoogen ; maar ook te gelooven, dat Hij in het einde recht en gerechtigheid doet".
„We hebben allereerst aan de leden der Kerk en aan degenen, die buiten zijn, aan Ie zeggen, dat eerst gezocht moet worden het schuldige wat betreft de eere Gods. In een verwarde en zondige wereld moet het recht Gods worden uitgeroepen en de Kerk heeft de Majesteit Gods te handhaven en hoog te houden. Zoo kan God verheerlijkt worden, en dat is Zijn eer. En óók ónze zaligheid".
„Dan heeft de Kerk ook een prediking van vertroosting naar Gods Woord. De wereld staat steeds meer verlegen. Wat heeft zij te zeggen ? Niets ! Al haar verwachtingen zijn haar ontnomen. In 1918 hebben we gezegd, de oorlog was zóó vreeselijk, dat ons geslacht geen oorlog meer beleven zal. Wij zien, dat de schrik is wègggenomen, en dat de oorlog wordt gewaagd, al weet men dat de uitslag onzeker is en dat het allerminst van te voren vaststaat, dat het recht zal zegevieren. Toch de oorlog, al is het een waagstuk".
„Voor het kind des Heeren is de rust, te midden van de onzekerheid die gaat van het begin tot het einde, om te rusten in God. In Zijn voorzienigheid, dat Hij regeert. Dat beteekent niet, dat het lijden, ook het lijden van den oorlog, aan de kinderen des Heeren voorbijgaat. Integendeel. De Schrift leert het ons wel anders. Hoe benauwd klinken de klanken in tal van psalmen ! Toch, ten slotte is er rust. Rust in Gods Vadertrouw, geborgen in Christus. En dat moet de Kerk des Heeren prediken juist in hangen oorlogstijd".
„Heeft de Kerk des Heeren dan niets te zeggen aan de overheden en de volken ? Ongetwijfeld. Maar dan heeft zij te spreken het Woord des Heeren, dat met Gods gezag bekleed is. Van zichzelf is de Kerk des Heeren niets. Haar heerlijkheid is die van haar Koning".
,,En daarom moet de Kerk ook niet met allerlei praatjes aankomen, niet spreken van menschelijkheid, cultuur en wat dies meer zij. Zij heeft op te treden met het Woord Gods en ook wat zij tot vorsten en volken zegt, moet het Woord des Heeren zijn". „Dat zal geen ijdele zaak zijn, die prediking zegent God. Maar Hij doet het op Zijne wijze".
„Neen, de oorlog zal er niet dadelijk door ophouden. Maar één ding staat vast, ook van het Woord Gods gesproken tot de volken en de overheden geldt het, dat het niet ledig tot Hem wederkeert, maar doe al wat den Heere behaagt".
Mocht dan het Woord des Heeren uitgaan tot de volken en overheden van Frankrijk, Engeland, Duitschland en anderen : gerechtigheid verhoogt een volk, maar de zonde is een schandvlek der natie !
Mocht het Duitschland, Engeland, Frankrijk en anderen worden gepredikt : „Vraagt naar den Heere en Zijne sterkte".
Mocht . het Engeland, Duitschland, Frankrijk — en Nederland worden aangezegd : ,,Keert weder tot den Heere, haat het kwade en doet het goede !"
Dat de verlossing uit Sion kwame — dan zullen wij ons verheugen en zullen verblijd zijn. (Psalm 14 vs. 7).
 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 september 1939

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 september 1939

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's