De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

WAT CALVIJN ONS LEERT

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

WAT CALVIJN ONS LEERT

11 minuten leestijd

De biecht.
Thans gaat Calvijn over tot de behandeling van de onschriftuurlijke voorstellingen der bekeering, die door de leer der priesters was ingeslopen. Zij leerden, dat men de zonde moest beweenen en de zonden, die te beweenen zijn, niet meer bedrijven. Boete doen is grooten rouw maken over de zonden en nalaten die dingen, waarover men berouw moet hebben. Bekeering of boetvaardigheid is een smartelijke wrake, waardoor de mensch in zich zelven de zonden straft. Bekeering of boetvaardigheid is een droefheid des harten en een bitterheid der ziel over het bedreven kwaad.
Al deze dingen kunnen bij de oude schrijvers worden gevonden.
Doch Calvijn verklaart, dat de vaderen deze dingen niet hebben gezegd om de boetvaardigheid of bekeering te beschrijven, doch om de menschen te vermanen om niet wederom in de zonden te vervallen, waarvan zij waren verlost.
Men heeft dit echter tot een grond der veruitwendiging gemaakt en de bekeering als een zaak van belijden met den mond beschouwd, waaraan dan kastijding werd verbonden, terwijl men het oog sloot voor de inwendige vernieuwing des harten.
Zoo is daaruit de biechtpractijk en de vergeving der zonde bij monde van den priester en door boetedoening ontstaan, welke Calvijn als onschriftuurlijk van de hand wijst heel veel wil Calvijn over deze zaak niet over hoop halen, doch hij zal het onschriftuurlijke aantoonen van den drieledigen eisch der valsche leer, t.w. : 1. de vermorzeling des harten; 2. de biecht; 3. de voldoening door de werken.
De hoofdzaak toch is en blijft, hoe wij de vergeving der zonden deelachtig worden en hoe wij daaromtrent zeker en gerust kunnen zijn.
Natuurlijk wil Calvijn niets afdoen van den eisch eener waarachtige droefheid en van de verbrijzeling des harten. Daarover heeft hij trouwens telkens reeds gesproken. Doch, waartegen hij zich verzet, is de gedachte, als zou een mensch door zijn werken de schuld kunnen uitwisschen. Dat is de valsche voorstelling, die te kort doet aan de barmhartigheid Gods en de ware religie. Welke ons door de Heilige Schrift wordt geleerd. Met de menschen tot droefheid en 'kastijdingen te persen, wordt hun geen rustige consciëntie gegeven.
Nimmer kan een mensch vergeving der zonden verdienen, doch de verslagen harten worden uitgedreven naar de barmhartigheid Gods, gelijk ook de Christus ver­maant degenen, die vermoeid en belast zijn, dat zij tot Hem zullen komen. Zoo is dus ook de verbrijzeling des har­ten geen menschenwerk, maar een werk van Gods Heiligen Geest, waardoor de mensch wordt onderricht van zijn ongerechtigheid en ziende het rechtvaardig oordeel Gods, wordt verslagen. Bij dezulken wil de Heere wonen.
Het is dus een groot onderscheid, of men de menschen leert, dat zij op eenige wijze vergeving der zonden kunnen verdienen, dan wel of men hen leert zijn vertrouwen op Gods barmhartigheid te richten, hem in zijn ellende wijst op de rust in de genade Gods en vermaant in een staat van ootmoed God te verheerlijken.
De biecht is belijdenis der zonde voor de menschen, met name voor de priesters. Over het recht van de biecht is van ouds veel strijd geweest tusschen de Roomsche theologen en de leeraren van het Kerkrecht. De eersten zochten de biecht te verdedigen op Schriftuurlijke gronden, de juristen beschouwden haar als een menschelijke instelling op grond van de rechten der kerk.
Calvijn valt voornamelijk de theologen aan en beschuldigt hen van Schriftvervalsching. Zoo wordt als een voorbeeld aangehaald, dat de Heere Jezus degenen, die Hij van melaatschheid genezen had, tot den priester zendt. Aan dit voorbeeld ontleenen zij den grond voor de biecht. Zij willen dat dan allegorisch verklaren. De zonde is een geestelijke melaatschheid. Gelijk dan de lichamelijk melaatschen naar den priester worden gezonden, zoo zouden ook de geestelijk-melaatschen tot den priester moeten komen.
Voor degenen, die gaarne alle Schriftuurplaatsen willen vergeestelijken, is het goed er op gewezen te worden, dat Calvijn daarin niet mede gaat.
Waarom moest de priester dan verstand hebben van de ziekte, zoo vraagt hij, als hier wat anders dan de lichamelijke wordt bedoeld ? Men moet een burgerlijke wet niet tot een ceremonieele maken. Maar bovendien, als de priesterschap is verzet, moet men de gansche wet verzetten. Alle priesters zijn op Christus overgezet, in Hem vervuld en geëindigd. Daarom is op Hem alle recht en alle eer der priesters overgebracht.
Wanneer zij allegorieën willen, laten zij dan Christus als den eenigen Priester voorstellen en Zijn Rechterstoel eeren met een vrije heerschappij over alle dingen. Dat zuilen wij kunnen verdragen.
Dan vraagt Calvijn: Waarom zond Christus de melaatschen naar den priester ? Antwoord : opdat zij Christus niet zouden belasteren, zeggende, dat Hij de Wet verbrak. Daarom beval Hij ook den gereinigden melaatschen om te doen wat de Wet gebiedt.
Zoo moest dit wonder ook tot een getuigenis zijn. De priesters hadden verklaard, dat de menschen melaatsch waren, zij zouden nu ook constateeren dat zij waren genezen.
Zoo werden zij gedwongen om het wonderwerk van Christus te aanschouwen en willens of onwillens te erkennen. Ontkenden konden zij althans niet, zoo was het een getuigenis van Zijn goddelijke macht. Op die zelfde wijze versta men ook Christus' woord, dat het Evangelie in de geheele wereld zal worden gepredikt tot een getuigenis. Evenzoo, dat de discipelen voor koningen en stadhouders zouden geleid worden, hun tot een getuigenis.
Een andere allegorie wordt ontleend aan Christus' woord bij het graf van Lazarus. Christus zou Zijn discipelen bevolen hebben Lazarus te ontbinden. Calvijn betwijfelt, of de Heere dat aan Zijn discipelen bevolen heeft. Hij acht het veeleer waarschijnlijk, dat dit den Joden werd gezegd. Wederom tot een getuigenis. Zij wisten, dat Lazarus gestorven was. Zij konden de teekenen des doods waarnemen en dat hij alleen door de kracht van Christus' woord was opgestaan.
Doch laat het aan de discipelen bevolen zijn. Wat anders kan men daaruit verstaan dan dat Christus hun dus bevolen heeft te ontbinden, degenen, die Christus heeft opgewekt, d.w.z. dat zij niet wederom het juk opleggen aan degenen, die Christus verlost en vrijgemaakt heeft, dat zij niet hen zouden verwijten over dingen, die Christus vergeven heeft, en niet straffen, als Christus Zijn barmhartigheid heeft bewezen.
Een ander bewijs wordt geput uit het feit, dat de menschen tot Johannes den Dooper kwamen en hun zonden beleden. Verder herinnerde men er aan, dat Jacobus wil, dat wij elkander de zonde belijden.
Het is nog al heel eenvoudig. Johannes de Dooper predikte den Doop der bekeering en doopte tot bekeering. Wie zou hij dan anders gedoopt hebben dan degenen, die tot hem kwamen en hun zonden beleden ? De Doop is een teeken van de vergeving der zonden. Wie zou dan tot den Doop toegelaten worden anders dan zondaren, die zich ook zelven daarvoor houden ? Zij beleden hun zonden, opdat zij gedoopt zouden worden.
Dit zegt dus niets ten voordeele van de leer van de biecht, welke de priesters voordragen.
Ook de aanhaling uit Jacobus kan niet veel steun bieden. Het is immers klaar, dat Jacobus niet alleen aanbeveelt elkander de zonden te belijden, maar hij verbindt daaraan de vermaning tot het gemeenschappelijk gebed. Hier gaat het dus over de gemeenschappelijke oefening des geloofs. Men zal elkander over en weer belijdenis doen; nu eens de een, dan weer de ander, om elkander in de zwakheden te dragen en met raad en daad bij te staan. Bovendien heeft de kennis van de zwakheden der broeders ons uit te drijven om voor hen en met hen te bidden.
Het gaat hier dus over het leven van Gods kinderen en geenszins over een ambtelijke biecht, die alleen voor de priesters als een bijzonder en onderscheiden recht zou bestaan.
Daarom noemt Calvijn dit beuzelpraat.
Vervolgens gaat Calvijn over tot weerlegging van degenen, die beweren, dat de biecht op een goddelijk recht zou berusten. Wel is het gebruik zeer oud, hoewel het in de oude tijden geen wet of ordonnantie is geweest, maar een vrije biecht. De verdedigers van de biecht kunnen dan ook geen oude wet of ordonnantie aanwijzen. Vóór Innocentius den Derden, was er zoo iets niet. Een ordonnantie van de biecht gaat op hem terug (plm. 1200), doch de biecht was den priesters door Christus niet bevolen.
De Heilige Schrift leert ons veeleer onze zonden voor God te belijden, bij Wien ook vergeving der zonden zal worden gevonden. Zie b.v. Ps. 32 vs. 5 : Mijne zonden maakte ik U bekend en mijne ongerechtigheid bedekte ik niet. Ik zeide : Ik zal belijdenis van mijne overtredingen doen voor den Heere, en Gij vergaaft de ongerechtigheid mijner zonde. Verder Ps. 51 vs. 3 : Zijt mij genadig, o God, naar Uwe goedertierenheid.
Men denke ook aan de belijdenis van Daniël: Och, Heere, wij hebben gezondigd en onrecht gedaan en goddelooslijk gehandeld en gerebelleerd met af te wijken van Uw geboden en Uw rechten. Voorts 1 Joh. 1 VS. 9: Indien wij onze zonden belijden, zegt Johannes, de Heere is getrouw en rechtvaardig, dat Hij ons de zonden vergeve.
Wie tot zulk een belijden des harten voor God komt, die zal ook Gods barmhartigheid voor de menschen belijden, d.w.z. niet in de oorbiecht om aan een priester een geheim in het oor te blazen, maar hij zal openlijk voor de geheele wereld zijn schande en Gods eere en grootdadigheid verkondigen. Zoo heeft David gedaan, toen hij door Nathan op zijn ongerechtigheid was gewezen. (2 Sam. 12 vs. 13). Op de belijdenis, die in het verborgen voor God wordt gedaan, volgt een willige belijdenis in het openbaar voor de menschen, zoo dikwijls als Gods eere dit vereischt.

De openbare of algemeene belijdenis.
In Levit. 16 vs. 21 wordt een openbare belijdenis bevolen, waarbij de priester de woorden voorzegt, waarbij het volk in den tempel de zonden belijdt.
Dat is een soort van openbare belijdenis, welke Calvijn hoog waardeert en die ook in de kerk op haar plaats is. Hij spreekt dan zelfs van een dagelijksche gewoonte en onderscheidt daarvan een buitengewone openbare belijdenis, wanneer het volk schuldig staat aan eenige gemeenschappelijke zonde.
Beginnende bij de buitengewone openbare belijdenis, wijst hij eerst op de tijden van Ezra en Nehemia. Want, zoo redeneert Calvijn, de langdurige ballingschap, de verwoesting van de stad en van den tempel, de verstrooiing van de religie, is een gemeenschappelijke straf Gods geweest en, toen God het volk verloste, kon deze verlossing niet naar waarde worden gewaardeerd als een goddelijke weldaad, zoo het volk niet eerst de schuld erkende en beleed.

* Iemand kan daartegen in brengen, dat er toch altijd wel leden zijn, die zich niet schuldig hebben gemaakt aan een gemeenschappelijke zonde, en moet men dan toch aan een algemeene en openbare belijdenis deelnemen.
Zeker, zegt Calvijn, want als er zulke menschen zijn, die persoonlijk misschien vrij uit gaan van de gemeenschappelijke zonden, dan zijn zij toch leden van het lichaam, dat ziek is, en als zoodanig mogen zij geen gezondheid roemen.
En het staat nimmer zoo, dat zij aan de gemeenschappelijke zonde geen part of deel hebben. Daarom zoo vaak wij met pestilentie, oorlog, onvruchtbaarheid of welke zwarigheden ook geslagen worden, is het onze plicht een toevlucht te nemen tot treuren, vasten en andere teekenen van onze schuld. Maar daarbij moet het belijden niet worden vergeten.
Wat Calvijn daar opmerkt over de openbare belijdenis in bijzondere gevallen, mogen wij wel eens ter harte nemen. Wij leven toch in bijzondere tijden, terwijl de gerichten Gods over de wereld gaan. Daar is bijzondere nood, en dreigend gevaar en wij worden met zwarigheden geslagen, hoewel God de Heere ons volk nog boven bidden en denken onderscheidt van andere volken, die in grooten nood zijn, terwijl wij nog zoovele weldaden genieten.
Hoe weinig verneemt men echter van dat openbaar belijden, waarvan Calvijn spreekt. Hoe weinig belijden moet er dan toch in het verborgene zijn, want immers als dat er ware, zou de behoefte aan openbaar belijden er óok zijn. Wij hebben toch zooeven gezien, dat het openbaar belijden geboren wordt uit het verborgene belijden en uit de behoefte, dat God daardoor zal verheerlijkt worden.
De gewone openbare belijdenis wordt dus niet afhankelijk gesteld van bijzondere aanleiding in Gods gerichten over het volk, welke in tijden van nood en gevaar worden gezien, maar vindt haar grond in de algemeene schuld des volks en den eisch om God te verheerlijken in nederigheid des harten vanwege Zijn groote barmhartigheid.
Niet alleen wordt deze bevolen, maar niemand zal daartegen kunnen zijn. Zoo vaak de gemeente bijeenkomt, stelt zij zich voor Gods aangezicht en dat Zijner engelen. Hoe zal de mensch dan anders beginnen dan met belijdenis zijner onwaardigheid?
Calvijn prijst dan ook zeer aan, dat de dienaren tot gewoonte maken om de gemeente bij openbare belijdenis van zonde en schuld voor God op te wekken. Hij spreekt van een formulier van belijdenis, dat zij eiken Zondag voordragen, waarmede zij allen tezamen aan ongerechtig­heid onderwerpen en God om vergiffenis bidden.
Door dézen sleutel wordt de deur geopend om te bidden, zoo voor ieder in het bijzonder als voor allen in het openbaar.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 september 1939

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

WAT CALVIJN ONS LEERT

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 september 1939

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's