MEDITATIE
„De HEERE is mijn deel, zegt mijn ziel, daarom zal ik op Hem hopen. Klaagliederen van Jeremia vers 24.
Een juichtoon in een klaagzang
Beproeving en leed dooradert het leven des menschen. Wel zeer onderscheiden wordt hierop gereageerd. Soms zit de beproefde en door leed getroffen mensch in doffe wanhoop neer, dan weer balt hij in bittere vijandschap de vuist tegen den Allerhoogste, of ook hij poogt het verdriet te vergeten, hetzij door zich te begraven onder allerlei werk, hetzij door zich te werpen in den stroom van wereldsche vreugden. Ook dit laatste gebeurt niet zelden. Met het vulgaire: houdt er de moed maar in, of met een wat netter vers van dezelfde strekking, poogt menigeen het leed weg te zingen, weg te lachen, weg te dansen, weg te joelen.
Hoe diep treurig toch. Immers, daar is tenslotte slechts één volk, dat, hoe het ook moog' tegenloopen, de moed er in mag houden en dat van Godswege zelfs geroepen wordt de moed er in te houden, en wel het volk, dat den Heere van 'harte vreest. „Wie is onder ulieden, die den HEERE vreest, die naar de stem Zijns knechts hoort ? '' Zoo vraagt Jesaja, en dan roept hij dezulken (dus ook niet de godsdienstige menschen, die met een christelijk vers zichzelf paaien en moed inspreken, maar alleen degenen, die den Heere vreezen met kinderlijk ontzag) toe : Als hij in duisternissen wandelt en geen licht heeft, dat hij betrouwe op den naam des HEB REN en steune op zijn God! Rijke genade, wanneer Gods kinderen dat nu ook werkelijk doen kunnen, zooals in ons tekstwoord Jeremia. Deze profeet wandelde wel in duisternissen op het oogenblik, dat hij dit woord neerschreef. Ravenzwart was de nacht van leed, welke zich om hem legerde. Verschrikkelijk was de beproeving, waarin hij gedompeld was. Hoe moet het hem te moede geweest zijn, als hij, gaande door Jeruzalem, overal aanschouwde zwart geblakerde puinhoopen ; en als hij, komend bij de plaats, waar eens de schoone tempel stond, een woeste ruïne aantrof. O, het is te verstaan, dat hij zijn van smart overstelpte ziel ontlastte in hartstochtelijke klaagzangen, ja, dat hij zelfs uitriep : „Mijn sterkte is vergaan, mijn hoop van den HEERE" ; dat er bitterheid was in zijn ziel. Maar zie dan wat Gods genade vermag. Door die genade kreeg hij den Heere in het oog en klemde hij zich vast door het geloof aan zijn God. Door die genade vlamde op het geloof en herleefde de hoop. Door die genade steeg hij op de wieken des geloofs uit den afgrond van droefheid en vertwijfeling naar de ruime hoogvlakte van het Godsvertrouwen. Door die alvermogende genade verstomt het treurlied en gaat ruischen de psalm in den nacht. Door die genade heft hij aan een juichtoon in de klaagzangen en jubelt hij : De HEERE is mijn deel, zegt mijn ziel, daarom zal ik op Hem hopen.
De HEERE is mijn deel. We ontvangen, lezer, in ons leven allen een deel, al is er ook groot onderscheid. De een ontvangt 'n groot deel, zoo groot soms, dat hij het ternauwernood overzien kan ; de ander een klein deel, zoo klein soms, dat hij val zorg vaak is, hoe hij moet rondkomen.
Laten we echter wel bedenken, dat ieder zijn deel heeft ontvangen. De rijke heeft zijn deel ontvangen, en daarom mag hij dit niet besteden naar eigen willekeur, maar moet hij dit gebruiken, zooals de Heere dit van hem eischt. En dan is toch wel dit de eisch des Heeren, dat hij zijn 'goed in den dienst stelt van Gods Koninkrijk en dat hij ook de armen gedenkt. Maar ook de arme heeft zijn deel ontvangen en mag derhalve vanwege zijn deel niet als maar klagen en morren, ook al valt het dan vaak niet mee om met zijn deel zich te behelpen, vooral niet in een maatschappij, waarin de rijken, ook de met aardsch goed gezegende Christenen, zoo weinig vaak hun roeping verstaan.
Vooral echter worde bedacht, dat we nooit werkelijk rijk zijn, v/anneer ons deel slechts bestaat uit aardsche goederen, ook al zijn die misschien nog zoo vele. Neen, waarlijk rijk is alleen de mensch, die het deel heeft, waarin Jeremia roemen mocht door Gods genade : „De HEERE is mijn deel".
Als we dit deel niet hebben, dan mogen we misschien veel bezitten, maar dan zijn we arme rijken en als we dit deel wel deelachtig zijn, dan mogen we wellicht weinig het onze kunnen^noemen, maar dan zijn we rijke armen.
,,De HEERE is mijn deel, zegt mijn ziel". Neen Jeremia heeft niet vele woorden noodig om zijn deel uit te stallen en toch, in die paar woorden ligt een onmetelijke rijkdom uitgedrukt. Ezau kon zeggen : „Ik heb veel''. Maar wie als Jacob en Jeremia den Heere heeft als zijn deel kan zeggen : „Ik heb alles."
Wie den Heere heeft tot zijn deel, heeft immers een algenoegzaam deel. Het aardsche laat onbevredigd. Terecht is opgemerkt: Nooit kan de ronde aarde vervullen de driehoek van het menschelijk hart. Steeds weer hunkert dit hart, als het eene is verkregen, naar ander en meerder goed. Als maar roept het: geef, geef. Nooit is 't verzadigd. Nooit heeft het genoeg. Nooit is het tevreden. Maar de Heere is een algenoegzaam deel. Naar Hij ons deel wordt, daalt innerlijke vreugde in ons hart. Ware vrede, een vrede die alle verstand te boven gaat.
Wie den Heere heeft tot zijn deel, heeft immers ook een eeuwig deel. Alle aardsche goed vergaat, verwelkt. Wat uit stof is neemt een end, door de tijd, die alles schendt. Maar niet aldus het deel, hetwelk Gods kinderen mogen bezitten. Dit deel houdt eeuwig zijn glans. Dit deel verwelkt nimmer. Dat deel blijft altijd bestaan. Van eeuwigheid tot eeuwigheid is de Heere Dezelfde.
En tenslotte : Wie den Heere heeft tot zijn deel heeft een vast, een zeker deel. Alle aardsche goed is zoo onvast, zoo onzeker. Er is geen staat op te makken, al schijnt het nog zoo hecht. Opeens kan het ons ontvallen. Onze bezittingen, we kunnen er den eenen dag volop inzitten, doch den volgenden dag alles kwijt zijn. Zelfs ook dan wanneer vele voorzorgsmaatregelen zijn genomen. Dierbare panden, ze kunnen opeens soms door den dood van ons weggerukt worden. Het deel, waarin Jeremia roemde, is echter een vast, een zeker deel. Onverliesbaar. Door niets te ontnemen. Door geen duivel. Door geen wereld. Door geen rampen. Door geen dood zelfs, want dan zullen Gods kinderen pas volop in hun deel zich gaan verlustigen. Alle dingen moeten medewerken hun ten goede ! Welgelukzalig het volk, welks God de Heere is. Wie is dat volk gelijk ? Welgelukzalig met het oog op 't heden. Welgelukzalig ook met 't oog op de toekomst. Dat volk toch mag voor het heden zich verheugen in een onuitsprekelijk zalig geluk, en voor de toekomst verwachten het goede.
Neen, dit volk heeft niet te vreezen, al veranderde de aarde en al werden de bergen verzet in het hart der zeeën.
Dit volk heeft niets te duchten al is des Heeren weg in wervelwind en al zijn de wolken het stof Zijner voeten. Dit volk heeft niet beangst te zijn ook in de moeilijkste en donkerste tijden. Dwars door de wereldgerichten heen, dwars door de donkerheid van Gods oordeelen leidt de Heere de Zijnen naar 't eeuwig licht. Zelfs al zou het zijn, dat een barstende granaat of een vlammende bom een plotseling en wreed einde aan hun leven maakte, zelfs zulk een helsch instrument zou in de hand des Heeren dienen om hun de poort te ontsluiten tot het eeuwig Vaderhuis. Daarom zing gerust, Jeremia : „De HEERE is mijn deel, zegt mijn ziel, daarom zal ik op Hem hopen". Daarom hoop gerust, volk des Heeren, ook in dezen donkeren tijd, ook al zit gij misschien neder bij de puinhoopen, al wandelt gij in duisternissen. Vrees slechts voor één ding, namelijk om door uw zonden scheiding te maken tusschen God en uw ziel. Smeek God om die genade, die ook in de felste smarten het hart in den Heere gerust doet zijn, opdat de wereld tot jaloerschheid verwekt worde.
Maar, lezer, behooren wij tot dit volk ? Hebben wij persoonlijk den Heere als ons deel ? Kunnen wij het zegigen : de HEERE is mijn deel, zegt mijn ziel? Alleen dan toch mogen we hope koesteren voor de toekomst, maar zoo niet dan ware het beter, dat we onze hoop eens verloren, want dan is onze hoop een valsche hoop, dan is onze hoop als een huis der spinnekoppen, dat door de wind aan flarden wordt gescheurd. Vergeet het niet: dit deel, waarin Jeremia zich verlustigen mocht, dit missen we van nature, hetzij we godsdienstig zijn, hetzij we om God en Zijn dienst ons niet bekommeren. Eens was de Heere wel het deel van den mensch. Maar door onzen afval van God hebben we ons uit dit deel uitgezondigd. Dit is nu de ellende, de rampzaligheid van den mensch. O, hoe vreeselijk is het toch zonder God in de wereld te zijn en te gaan naar ons eeuwig huis. Dat' mag toch wel met beving vervullen. Hoe jammer, dat daar maar zoo weinig, ja van nature eigenlijk heelemaal niets te bespeuren valt. Wel wordt daar veel geklaagd in deze wereld, maar helaas niet van nature daarover, waarover in de eerste plaats geklaagd moest worden, over het Godsgemis. Gelukkig, lezer, wanneer daarvoor de oogen door 's Heeren Woord en Geest geopend worden. Dat is toch het eerste wat noodig is. Wanneer we daarvan geen last 'gekregen hebben, dan mogen we al zeggen en denken, dat de Heere onze God is, dat Hij ons deel is, maar dan bedriegen we ons zelven op een verschrikkelijke wijze. Daar is niemand, die den Heere waarlijk tot zijn deel heeft, of hij heeft eerst met zieldoorvlijmende smart leeren verstaan, dat hij God kwijt was en dat door eigen schuld Dit is onmisbaar. O bidden we, zoo noodig, den Heere om den Heiligen Geest, opdat we daarmee bekend gemaakt worden. Want dat is toch het ergste, wanneer we de vraag of de Heere reeds ons deel is, als we eerlijk zijn, met neen moeten beantwoorden, en als dit deel ons nog onverschillig is. Gelukkig reeds als we met heilige jaloerschheid naar dat deel vervuld zijn. Wanneer het begeeren van ons hart daarnaar uitgaat. In- "dien dit zoo is dan mogen we u wijzen op Hem, Die waar Hij rijk was arm is geworden, onuitsprekelijk arm, om arme menschen rijk, onuitsprekelijk rijk te maken, door hun het door eigen schuld verloren deel terug te bezorgen.
Tot Hem dan gevlucht! Van Zijn bloed alleen het verwacht. Met dit bloed als eenlge koopprijs dan naar den Vader. Neemt niet wat van u zelve (uw werken, uw gebeden, uw tranen). Ook niet: Christus wat en gij wat, al is 't ook heel weinig. Maar enkel op grond van Christus volbrachte werk dat deel als een vrije genadegift afgesmeekt. Dan zal het u op Gods tijd, hoe groot en heerlijk ook, hoe onverdiend ook, zeker worden geschonken.
De HEERE is mijn deel, zegt mijn ziel, daarom zal ik op Hem hopen. Wie in de schuilplaats des Allerhoogsten is gezeten, die zal vernachten in de schaduw des Almachtigen. Wie den Heere heeft tot zijn deel, mag vertrouwend de toekomst tegengaan.
„Wacht op den Heer', godvruchte schaar, houd moed, Hij is getrouw, de Bron van alle goed Zoo daalt Zijn kracht op u in zwakheid neer. Wacht dan, ja wacht, verlaat u op den Heer".
Hij is en blijft, wat ook geschiede, uw deel. Want zoo zegt Hij Zelf : Wanneer gij zult gaan door het water. Ik zal bij u zijn, en door de rivieren, zij zullen u niet overstroomen ; wanneer gij door het vuur zult gaan, zult gij niet verbranden en de vlam zal u niet aansteken.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 september 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 september 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's