De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

NIENKE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

NIENKE

EEN VERHAAL UIT HET FRIESCHE VOLKSLEVEN

6 minuten leestijd

Met toestemming Uitgever J. H. Kok te Kampen
De godsdienst 's Zondags in de kerk, en verder als het zoo te pas kwam, b.v. op begrafenissen of bij heel ernstig zieken ; maar voor de rest moest men daar niet zoo mee te koop loopen. Daarvoor was het artikel veel te duur en te voornaam. De beste artikelen werden niet op de markt uitgestald, maar bleven binnen de deur en kwamen alleen maar voor het licht, als het zoo te pas kwam, en dan nog wel door degenen, die daartoe bevoegd waren. Zoo moest het ook met den godsdienst zijn, dacht Santema. Deze was veel te teer, en veel te heilig ook, om in de drukte van het gewone wereldleven besmeurd te worden met al de gebreken en vuiligheden, die dat leven vaak aankleven. Laat Gurbe zich met zijn eigen zaken bemoeien, de schoenmakerij of zijn barbierszaak of die andere baantjes, die hij daar nog bij waarnam, en verder den godsdienst laten aan de Kerk en degenen, die daartoe geroepen werden en er voor gestudeerd hadden.
Toen eindelijk de preek uit was, zooals Santema het noemde waartoe hij zélf het stilzwijgen gedaan had, en Gurbe, vroolijk als altijd, de boerderij verliet, liet de boer zich ontvallen : „Zoo'n blikken dominé !" Dat was net iets voor de kinderen, vooral voor Gabe.Nog dienzelfden dag werd Gurbe door de schooljeugd zoo genoemd en, gelijk het vooral in de dorpen gaat, was weldra een versje in elkaar geflanst, waarvan het refrein telkens was „De blikken dominé".
Gelske en vooral Nienke, hebben in 't begin daar wel veel last van gehad. De laatste kon het niet hebben, dat op zulk een wijze door de straatjeugd gesproken en gezongen werd over den man, dien zij als haren vader eerde en liefhad, en Jochem heeft in 't eerst wel eens een belhamel bij de kraag gepakt en flink door elkaar geschud, wanneer het hem tenminste gelukken mocht dezen in handen te krijgen omdat hij meende het voor zijn baas te moeten opnemen, maar Gurbe zelf lachte daarom. „Laat ze maar", zei hij. „Wat hindert het ? Men brengt mij zoodoende in een eerwaardig gezelschap, nog wel zonder dat ik ooit voor dominé gestudeerd heb en nooit kan een mensch weten, waar 't goed voor is". Feitelijk was het zoo, dat Gurbe vér boven de kleinzieligheden van het gewone leven uit leefde. Want de godsdienst zat er bij hem en hoe langer hoe meer ook bij zijn vrouw, niet boven op. De stroom des Geestes, die door beider hart was gegaan, had een spoor achtergelaten, 't welk niet weer kon uitgewischt en altijd breeder en dieper bedding zocht. Hij was een type, maar niettemin een kind Gods en een blijmoedig christen.
'Soms kon hij het vreemd zeggen, op een wijze, waar vele Zevenhuizers, die gewoon waren altijd de oude, platgetreden paden te gaan van de voorgeslachten en zich te bedienen van de terminologie der ouden, zich moeilijk in konden vinden. Gurbe stond zoo in de vrijheid van de kinderen Gods. Hij wist, eens „onder het Bloed'' te zijn geweest, gelijk hij het noemde, en daardoor gereinigd en gelouterd, verzoend met God te zijn en toen gerechtvaardigd en verheerlijkt. Dat alles was voor hem niet iets, dat nog gebeuren moest, maar 't welk had plaats gehad en waarin hij daarom zoo dankbaar wezen kon. Gurbe geloofde. En dat geloof was bij hem geen dood ding, maar het leefde in hem en bewoog zich, en openbaarde zich en sprak zich uit, in woord en lied en daad. Soms kon hij vroolijk jubelen en dan wist de kanarie al, dat hij zich geweldig inspannen moest om daar nog boven uit te komen :
'k Heb geloofd, en daarom zing ik, Daarom zing ik van gena, Van ontferming en verlossing Door het bloed van Golgotha.
Kijk, daar moesten menschen als boer Santema eigenlijk niets van hebben. Hij zei dat zoo wel niet, maar liet het voldoende merken. De schoenmaker ging met zijn gezin wel trouw naar de kerk — feitelijk niet ééne huishouding uit heel het dorp zoo geregeld als de familie Huitema — en hij zong daar ook het hoogste lied, maar 't was nog de vraag, waar om men het deed. Gurbe was in zijn optreden heel anders dan de meesten. Nooit sprak hij over de dominees, wie de beste was. Nooit wist hij iets te vertellen van de kerkelijke berichten, wie hier beroepen was of daar bedankt had, hij las niet eens de Kerkbode. Nooit maakte hij zich druk over de kerkelijke stemmingen, wie gekozen werden voor de verschillende ambten of colleges en eigenlijk hoorde men hem ook maar heel weinig redeneeren over den godsdienst, zooals anderen. Hij sprak als iemand, die wist. Zelfs de brieven van Paulus, in welke, volgens de apostel Petrus, sommige dingen zwaar zijn om te verstaan, die de ongeleerde en onvaste menschen verdraaien tot hun eigen verderf, schenen voor hem geen moeilijkheden te bevatten, omdat hij d'r zoo mee vertrouwd werd en in zijn bijbel zóó thuis was, en dat Woord zoo voor hem leefde. Nog veel minder gevoelde hij voor de twisten der christenen onderling over de verschillende kerken, over de opvattingen van sommige Schriftgedeelten, of over de wijze waarop de Sacramenten bediend moesten worden. „Allemaal bijzaak" — zei Gurbe — „'t welk de groote quaestie, waar het om gaat, niet raakt en die de menschen vaak tot groote dingen opblazen, om aan den greep van den Geest des Heeren te ontkomen".
Maar juist daarom werd hij niet verstaan. Thijs Sangers, de veekoopman, zei : „Gurbe-baas is niets anders dan een verkapte heilssoldaat, een vrijbuiter, die liefst altijd maar „Hallelujah" zingt en heelemaal niet past in de kerk. Hij durfde hier niet, ook al met het oog op zijn klandisie, maar anders begon de blikken dominé vast op een goeden dag in Zevenhuizen nog te preeken". Thijs moest niets van die dominé's onder den preekstoel hebben en oordeelde, dat men aan één predikant genoeg had. En Tamme Visser, de timmerman, die van zijn zoon Harm wel wist, hoe op „Donia-state" over den schoenmaker gedacht werd, was het met de beschouwing van Thijs volkomen eens. Gurbe liep veel te veel met den godsdienst te koop. Eigenlijk was men in zijn tegenwoordigheid nooit veilig, om niet op de een of andere wijze met dezen in aanraking te worden gebracht, ook al was het hoofd bij geheel andere dingen, 't Gaf voor een schoenmaker in het geheel geen pas, altijd over die onderwerpen te praten.
(Wordt vervolgd).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 september 1939

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

NIENKE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 september 1939

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's