De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De Raad Gods.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De Raad Gods.

Geen Fatalisme.

8 minuten leestijd

Geen Fatalisme.
In het vorig artikel teekenden we u den student in de theologie, die in de gevangenis op zijn doodvonnis wacht en daar bezoek krijgt van een gereformeerd predikant.
Als deze uit den mond van den gevangene diens levensgeschiedenis heeft vernomen, vraagt hij hem, wat hij denkt aangaande zijn eeuwige toekomst.
Spottende antwoordt nu de student, dat hij natuurlijk in den hemel wenscht te komen net als die dominé, die hij niet veel beter acht dan zich zelf.
Nu ontwikkelt zich een gesprek over allerlei godgeleerde problemen. Het ligt er duimen dik op, dat het den schrijver, ds. Slatius, er alleen maar om te doen is om de gereformeerde beginselen in een bespottelijk daglicht te stellen.
De gevangene spreekt het uit, dat de gereformeerde beginselen juist voor hem de oorzaak zijn geweest van zijn losbandig leven. Volgens de gereformeerde beginselen word! een zondaar immers door het geloof gerechtvaardigd. Welnu, zegt de gevangene, daarom heb ik mij juist over de werken volstrekt niet bekommerd.
Enkele citaten van Luther worden aangehaald om dit te bewijzen. (Valsch gebruik). Voorts beroept de gevangene er zich op, dat hij het toch ook niet helpen kan, dat hij zulk een slecht leven heeft geleid. Alles geschiedt immers naar Gods Raad, die verborgen is. Het wordt hier in den tijd slechts ten uitvoer gebracht, wat van eeuwigheid in Gods Raad besloten was.
De gevangene tracht nu te bewijzen, dat de gereformeerden leeren, dat God de auteur van de zonde is.
Bij het lezen van het geschrift van Slatius valt het op, dat het dezen moeilijk gevallen is, om schrijvers aan te halen, die het hebben geleerd, dat God de auteur van de zonde is. Hij wijst op een syllogisme van Ruardus Acronius in diens Uitlegging over den Catechismus. Acronius beweert daar aldus : „Nadien Adam de oorzaak van de zonde is en God een oorzaak van Adam, hoe en zal God de oorzaak van de zonde niet wezen.
De dief gebruikt verder het zelfde argument, hetwelk ook nog heden ten dage tegen de leer der eeuwige verkiezing wordt gesmeed. Hij beweert namelijk, dat de Gereformeerde leer van de praedestinatie hem alle zorg voor de eeuwigheid ontneemt. Is hij uitverkoren, dan wordt hij immers toch zalig, en is hij niet uitverkoren, dan zou alle zorg en ijver hem ook niets baten.
De predikant begint nu den gevangene te wijzen op de roeping Gods tot bekeering. De gevangene maakt zich hier eenvoudig van af, door op te merken, dat hij het toch eigenlijk ook niet helpen kan, dat hij die roeping niet heeft opgevolgd. Het was immers maar een uitwendige roeping. En de inwendige roeping door de krachtdadige werking van den Heiligen Geest heeft niet bij hem plaats gehad, omdat God deze in zijn Raad besloten had hem te onthouden.
De dief houdt zich ten slotte toch voor een uitverkorene.
Maar als de predikant er op wijst, dat hij zijn roeping en verkiezing had moeten vast maken, maakt hij weer de opmerking, dat de vastheid van de verkiezing geenszins afhangt van de werken.
et is te begrijpen, dat Slatius den predikant-gevangenisbezoeker ons niet heeft willen teekenen als een man van groote pastorale bekwaamheid. Op al de tegenwerpingen, die de gevangene maakt, weet hij immers zoo goed als niets te antwoorden.
Ten slotte wekt de predikant hem op tot geloof in Christus en wijst er op, dat het noodig is als een berouwvol zondaar om vergeving te bidden.
De dief beroept zich nu weer op de canones van Dordrecht, waarin wordt gezegd, dat de zaligmakende kracht van den dood van Christus zich alleen maar uitstrekt tot de uitverkorenen.
De predikant is nu ten einde raad. Hij stelt zijn gevangene voor om te bidden. De dief weigert ook dit. Wat over hem beschikt Is, ten kwade of ten goede, is immers ook door het gebed niet meer af te wenden. Het bidden helpt toch niet.
In plaats van te bidden heft hij het lied aan van ds. Bernard. Bushof. Deze ds. Bushof te Oyen, in Gelderland, later predikant te Utrecht, heeft een Lofzang over Gods Verkiezing gedicht.
Als het laatste van de vijf coupletten is gezongen, door den gevangene, komt de cipier binnen, die den spot begint te drijven met den lofzang van ds. Bushof. Hij noemt het een galgenlied.
En dan voegt hij den predikant de volgende beleedigende woorden toe : „Ich mercke wel, dat gij niet veel zaeks en weet, om desen ghevangene tot recht berouw en bekeeringe synder souden te brengen, ja dat hij door uw lieder leere veelmeer daar in gestijft wort".
We ontkennen niet, dat datgene wat Slatius van de praedestinatieleer in zijn werkje: , , De gepraedestineerde dief" heeft gezegd, met de echte praedestinatieleer eenige gelijkenis heeft vertoond, maar de gelijkenis is dan toch maar hoogst gering.
Het is er hoogstens een caricatuur van. De praedestinatieleer is bij Slatius ontaard in Fatalisme. Het grenst aan noodlotsleer. Fatalisme wil echter niet weten van heiligheid en gerechtigheid. Maar in de Heilige Schrift is slechts sprake van een verkiezing tot heiligheid. Ten overvloede herinneren we nogmaals aan den bekenden tekst uit Efeze 1 vers 4 : „Gelijk Hij ons heeft uitverkoren in Hem, vóór de grondlegging der wereld, opdat wij zouden heilig en onberispelijk voor Hem zijn in de liefde".
Men lette goed op het woordeke „opdat". Daarmee toch is de rijke bedoeling geteekend, die met de verkiezing beoogd wordt.
Als dus iemand van meening is om uit de leer der eeuwige verkiezing een wapen Ie smeden tegen een heiligen levenswandel, dan moet hij goed bedenken, dat hij hiermede in strijd komt met de Heilige Schrift.
Maakt de valsche voorstelling van de leer van de praedestinatie zorgelooze menschen — maar de Schriftuurlijke leer van den Raad Gods kan geen zorgelooze menschen maken, want het is onmogelijk, dat, zoo wie Christus door een waarachtig geloof ingeplant is, niet zou voortbrengen vruchten der dankbaarheid.
Het Fatalisme wil van het recht Gods niet weten. Het kent het snoode en het Godonteerende van de zonde niet. Het vergoelijkt de zonde door te durven beweren, dat men er toe gezet is.
De Schrift leert het ons anders. Zij predikt ons het recht Gods, opdat de zondaar in het diepe besef van zijn schuld en verlorenheid tot God om genade zou roepen. Dan verschuilen we ons niet achter den verborgen raad Gods. Neen, dan hebben we in de eerste plaats te rekenen met den geopenbaarden wil Gods. En die geopenbaarde wil Gods predikt ons, dat wij de zonde zullen haten en vlieden en dat alleen in den weg van berouw en geloof genade bij God te vinden is.
En nu zult ge misschien vragen, waarom er zooveel plaatsruimte is gevraagd om dat boekje van ds. Slatius nog weer eens op te halen.
Wel hierom, omdat de argumenten, die in dat boekje worden aangehaald, ook hier en daar wel voortleven onder onze menschen en omdat er zelfs wel theologen zijn, die het verschil tusschen praedestinatieleer en Fatalisme niet schijnen te kennen.
Welke predikant heeft het niet moeten hooren op zijn huisbezoek, dat men hem na de prediking van den eisch van bekeering toevoegde dat een mensch dit niet van zich zelf bezit, doch dat het hem van Boven moet geschonken worden.
Ik heb nooit op deze tegenwerpingen geantwoord, dat het niét van Boven zou moeten worden geschonken. Maar wèl heb ik menigmaal gevraagd, hoe men gekomen was tot de kennis, dat men uit en van zich zelf niet bidden kan. Zou het in vele gevallen geen napraterij zijn, van wat anderen hebben gezegd? Ik heb daarom degenen, die aldus spraken, weleens voor de vraag gesteld, of ze wel waarlijk in de eenzaamheid de knieën hadden gebogen om God te vragen om de genade van een nieuw hart.
O, wat blijkt het dan menigmaal, dat de mensch zich wel verschuilt achter zijn onmacht, terwijl het veel eerlijker zou wezen om zich achter zijn onwil te verschuilen. Jezus zegt niet tot Jeruzalem, dat zich niet wil laten vergaderen, gelijk de kiekens door de hen worden vergaderd : „Gij hebt niet gekund", maar in dé eerste plaats : „Gij hebt niet gewild".
Als Saul van Tarsen dan ook op den weg naar Damascus door God in de ziel wordt gegrepen, is het eerste, wat hij betuigt : Heere, wat wilt Gij, dat ik doen zal ?
Het eerste wat moet geschieden, is de verbreking van den onwil. Pas daarna heeft de apostel in het kamertje in de rechte straat te Damascus geleerd, dat het onmogelijk was aan zijn kant om nog ooit te worden gezaligd. Maar juist tóén werd er door Gods Geest plaats gemaakt voor dat rijke evangelie, die rijke blijde boodschap, dat er ook voor hem, Paulus, den grootste van de zondaren, genade en redding was te vinden bij Jezus. Dat is steeds de gang van het Woord Gods. Het Woord Gods spreekt ons van Gods recht. Het wil ons door de kennis der wet tot zondebesef brengen en ons als arme zondaren tot Christus leiden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 september 1939

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

De Raad Gods.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 september 1939

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's