KERKELIJKE RONDSCHOUW
NA-KLANKEN UIT DE SYNODE (1)
De laatste jaren is er veel meer belangstelling voor de Synode onzer Kerk. Dat komt niet voort uit het feit, dat we altijd zoo geweldig instemmen met hetgeen de Synode doet, besluit en vaststelt, maar het vindt z'n oorzaak in onze interesse voor het kerkelijk leven zelve. De Kerk als Kerk staat meer in het centrum van de belangstelling bij alle richtingen, bij modernen en ethischen, bij confessioneelen en gereformeerden. We voelen meer dan vroeger, dat er zoo ontzaglijk veel aan gelegen is, dat de Kerk als Kerk tot openbaring komt en dat 't met name dan gaat om de Hervormde Kerk. We kunnen de Kerk niet missen en dan moet het niet den kant uit, dat de Hervormde Kerk in stukjes en brokjes wordt gesneden of getrokken, maar dat de Hervormde Kerk weer als Kerk van Christus, als Kerk des Woords in 't midden des volks komt staan. We voelen en zien al de ellende van de verscheuring en verbrokkeling van de Kerk. Daardoor raken we meer en meer achterop. We vallen van de wal in de sloot. Voor onze gezinnen, voor het maatschappelijk leven, voor de scholen en het onderwijs over de breede linie, voor allen arbeid van barmhartigheid, in de politiek en bij alles. Waarbij we tegelijk voelen, dat nu de Kerk, zal zij tot een zegen, tot een zoutend zout zijn, als Kerk van Christus, als Kerk des Woords, als belijdende en getuigende Kerk moet uitkomen. Wat zij is, moet zij ook willen zijn. En als zij het niet is, moet zij aan haar wezen, haar taak, haar opdracht herinnerd worden. Zij moet zich daarvan meer bewust worden, om er met lust en liefde naar te 'leven, te handelen en te wandelen.
En dan is de Synode, zooals wij die hebben, van groote beteekenis, omdat wij die Synode hebben en zonder, buiten die Synode om, niet verder kunnen komen. Waarbij weer de nood onzer Kerk is, dat wij principieel en practisch met de Synode niet in den rechten weg zijn. En toch kunnen wij zonder en buiten die Synode om, niet verder komen. Daarom moet in de Synode zelve gevoeld worden waarom het gaat, en wel : dat de Kerk weer als Kerk, als Kerk van Christus, als Kerk des Woords, als belijdende Kerk zal uitkomen !
En als dat nog niet zoo is, als we zouden wenschen, dan herinneren we aan 't gezegde : de Kerk krijgt de Synode, die zij verdient. Zooals de Kerk is, zoo is de Synode. En de Kerk is — in dit opzicht — zooals wij zijn Laat ons daarom bij ons zelf beginnen, als er wat herzien moet worden.
Wij willen nu enkele „na-klanken" beluisteren. Ze komen nu los van alle kanten. En we luisteren dan nu naar prof. Korff van Leiden, die als kerkelijk-hoogleer aar dit jaar de vergaderingen van de Synode heeft meegemaakt en die z'n oordeel meedeelt in „Kerkopbouw" (Sept. '39).
Prof. Korff begint met de opmerking, dat de leden der Synode uit verschillende deelen van ons land komend en van verschillende richting zijnde, al beraadslagend en al vergaderend onwillekeurig min of meer naar elkaar toegroeien in 't besef : wij vormen samen de Synode, die voor de Kerk van zoo groote beteekenis is. „Zoo gaan de zittingen voort van dag tot dag als in een levende „eenheid van tegendeelen", een eenheid, die de formuleering der onderlinge verschillen ietwat tempert".
„Veel werk is er verricht". „Er waren de ieder jaar terugkeerende werkzaamheden, waarover de kortzichtigheid misschien goedkoope aardigheden kan maken, maar die, hoe de Kerk ook georganiseerd of gereorganiseerd moge zijn, toch in elk geval verricht moeten worden".
De agenda telde 122 punten, die deels „uit de hand", deels door de verschillende commissies in den vorm van rapporten werden behandeld, o. a. het belangrijke verslag van den Herv. Schippersraad. De Synode steunt het werk met ƒ 2000.—.
De Classicale Vergaderingen van 1940 zullen slechts enkele reglementswijzigingen te beoordeelen krijgen, o.a. ook die, welke predikanten verbiedt lid van den Gemeenteraad te zijn, welke wijziging bij eventueele aanvaarding door de Kerk, van kracht zal worden Jan. 1941.
„Er is hard gewerkt", schrijft ook het Synodelid van Middelstum, „het is niet zooals menig gemeentelid oordeelt, een aangename vacantietijd in Den Haag van den 3en Woensdag in Juli tot half Augustus ; het is een tijd van vergaderen en werken in de commissies, veelal ook 's avonds voor het opmaken van rapporten over stukken, wetsvoorstellen, consideraties, persoonlijke kerkvisitatie, enz."
„Typisch is geweest" — en nu geven we weer het woord aan prof. Korff — „dat de Synode nu eens moedig toegreep, dan weer ontbrak het haar aan courage, de ééne maal bleef zij hardnekkig in het spoor van de Synode des vorigen jaars, den anderen keer koos zij vrijelijk een anderen weg".
„De leiding was bij dit alles in goede handen. De nieuwe president heeft de te zijnen aanzien gekoesterde verwachting niet beschaamd. Ik heb nu drie presidenten in de Synode meegemaakt : Weyland, Smit en nu Addink. Zij deden en doen hun werk elk op eigen wijze. Ook de manier van den tegenwoordigen president mag er zijn. Wegens zijn eerlijkheid en onpartijdigheid geniet hij in alle kringen der Synode het volledige vertrouwen. De Ned. Hervormde Kerk heeft alle reden om den predikant van Heeze (N.-Br.) zeer dankbaar te zijn, dat hij zich voor deze zware taak beschikbaar wilde stellen". „De Secretaris kondigde tot aller leedwezen zijn heengaan aan. Gelukkig kon de opvolging nog tijdens de vergadering, en dat op zoo bevredigende wijze, geregeld worden". (Wordt voortgezet.)
MEER LITURGIE?
Wij hebben in onze Hervormde Kerk natuurlijk liturgie, oftewel: orde voor den eeredienst. Ons Kerkboek bewijst dat. En uit de practijk weten we het. Er is orde in Gods huis, orde voor den Voorganger en orde voor de Gemeente. Van het begin tot het einde is dat (moet dat) te zien, te hooren, te bemerken zijn. We hebben votum en zegen, we hebben zingen en bidden, we hebben voorlezing van het Woord en van de Wet, we doen tezamen belijdenis van ons allerheiligst geloof ; we hebben den dienst des Woords, der gebeden en der Sacramenten, met de kerkelijke formulieren voor Doop en Avondmaal, ook voor de kerkelijke huwelijksbevestiging en inzegening. We hebben onze kerkelijke orde bij bevestiging van een predikant, van ouderlingen en diakenen. We zorgen voor de goede orde van de collecten, opdat de Gemeente daarin den dienst der gehoorzaamheid en barmhartigheid oefene.
Nu is er een liturgische-beweging (van prof. Van der Leeuw e.a.) die toch op dit punt van de liturgie of eere-dienst heel wat verder wil gaan dan wij nu zijn. De samenkomst der Gemeente moet meer „eere-dienst" worden. Men komt in Gods huis om Hem daar te ontmoeten. Hem te aanbidden. Hem eere en lof te brengen. En daarom — zoo zegt men — moet de Gemeente meer actief worden op dit punt ; ieder moet meer aandacht geven aan deze zaak, meer mede-werken met den Voorganger, om samen, naar de orde die vastgesteld wordt, actief in beweging te komen en b.v. te antwoorden na het aanhooren van de Wet met een lied, of in te stemmen met de Apostolische belijdenis met een lied, of te antwoorden op 't geen de Voorganger zegt, en op te staan bij het aanhooren van schuldbelijdenis en zondevergeving, enz. enz.
Nu zullen wij niet tegenspreken, dat er in onze godsdienstoefeningen wel wat meer meeleven en mee-werken mocht zijn, om samen. Voorganger en Gemeente, tot openbaring te brengen, dat de Heere Zijn Gemeente wil en Zijn Gemeente haar God mag ontmoeten. En dat er b.v. na de voorlezing van de Wet — en ook wel na het doen van belijdenis met de woorden van de 12 Artikelen — door de Gemeente zingend geantwoord wordt, is volstrekt niet in strijd met ons Gereformeerd kerkelijk leven. Integendeel. Gelijk we ook na de Doopsbediening samen zingen (vóór de Doops soms Ps. 105 : 5 en na den Doop Ps. 134 : 3) en na de bevestiging van een predikant of van ouderlingen en diakenen, ook na de huwelijksinzegening. Hoe „verzot" is men b.v. bij bevestiging en intree van een predikant niet (vooral in onze Herv. Geref. kringen, veel erger dan in andere kringen) om toch vooral maar te spreken en te zingen, waarbij ieder gaarne een woordje meespreekt.
Men is dus volstrekt niet tegen activiteit en mede-werking in het Huis des Heeren. Maar — het valt niet te ontkennen — in den gewonen dienst des Woords, als het juist om het Woord en om den Heere gaat, kan 't wel eens wat veel een „sleurgang" zijn. En dat is jammer. De heiligheid is voor Uw huis, o Heer ! En dat brengt ook mee geestelijke spanning, geestelijke opmerkzaamheid, geestelijk meeleven, wat dan ook in de liturgie blijken moet.
Nu is echter bij de liturgische beweging (van prof. Van der Leeuw c.s.) iets op te merken, wat velen bang en beangst maakt. We hebben maar te wijzen op het mooie boek van dr. Noordmans : Liturgie. (Uitg. Holland, Amsterdam).
Dat komt zóó. Men meent een neiging te ontdekken in de liturgische beweging, die niet vrij is van Roomsche, van Anglicaansche elementen en die de liturgie wil heendrijven naar een andere eeredienst dan onze Gereformeerde protestantsche altijd is geweest en moet blijven. Het gaat de Roomsche kant uit.
En de cultus of eeredienst van de Engelsche Kerk staat dan menigeen voor oogen. Soms komt dat uit in de wijze, waarop men de Kerk, de kerkedienst, wil inrichten. Het Gereformeerd protestantisme heeft het koor, waar vroeger het altaar stond, en waar „onze lieve Heer" (zooals de Roomschen zeggen) woont (Luther sprak van „de brood-God") links laten liggen en heeft in de kerk, midden in de kerk, de kansel met den open Bijbel staan. De kansel, de plaats waar het Woord bediend wordt en aan welks voet de Sacramenten bediend worden (Woord en Sacramenten hooren bij elkaar in 't midden van Gods huis) het hoofdmoment in de eeredienst. Daar ontmoet de Heere Zijn Gemeente en ontmoet de Gemeente haar God.
Maar de liturgische kring peutert overal om, waar eenigszins mogelijk, de kansel wat opzij te dringen, uit het middelpunt wèg, en de Avondmaalstafel .('bij Rome : het altaar) in het midden ; en dan liefst met kaarsen en met bloemen versierd. En de bedoeling is dan, dat de eeredienst niet zoozeer is het komen en spreken van God tot Zijn Gemeente, maar het „aanbidden" van de Gemeente ; zooals de Roomsche Kerk, zij 't in veel sterkere mate en op andere wijze, óók heeft.
Er komt een sacramentalisme in sommige kringen, waarvoor een Gereformeerd protestantsch mensch bang wordt.
De liturgische beweging in haar huidige vorm is in strijd met de historie onzer Hervormde Kerk. in de dagen der Reformatie heeft men noch met de Luthersche, noch met de Anglicaansche Kerk, die beiden een stuk van den Roomschen eeredienst duldden en behielden, meegedaan en meegegaan. Met bewustheid heeft men inzake de belijdenis een keuze gedaan, maar óók in den eeredienst. Men heeft z'n volle aandacht gegeven aan de liturgie, gelijk blijkt uit ons Kerkboek met z'n rijken inhoud. En men heeft welbewust overal den Roomschen zuurdeesem zoeken uit te zuiveren. Men was bang voor alle Roomsche „poppenkasterij", waardoor altijd het Woord verdrongen wordt en de mensch, de afgoderij, naar voren komt.
„Wat toont de geschiedenis ? " zoo vraagt ds. Bakker in „de Geref. Kerk", bij wiens artikel „Meer Liturgie ? " we ons hebben aangesloten. „Dat juist die Kerken, waar men consequent is te werk gegaan, de sterkste bolwerken voor het reformatorische beginsel zijn geweest". „De samenkomst der Gemeente bedoelt niet allereerst aanbidding van den Allerhoogste. Daarop wijst het Roomsche kerkgebouw, waar „ons-lieve-Heer" op het altaar zetelt en dfe Gemeente neerknielt voor den gewijden ouwel".
„De samenkomst der gemeente vraagt allereerst naar de verkondiging van 's Heeren Woord —• en daarop is haar lied het Amen". Wij hebben dit artikel maar vast gegeven, om hierna een en ander te schrijven over het bovengenoemde boek van ds. Noordmans, dat onze volle aandacht verdient, juist omdat hij het ontleedmes hier zoo diep inzet, als een goed kenner, die niet wil verderven, maar juist wil behouden.
DE KINDERDOOP VERBOND EN DOOP (18)
Velen maken, door de schuld van de Kerk en van de ouders, die beide verzuimden hen in de leer des Doops te onderwijzen, of door eigen wereldsgezindheid, van hun verbondsbetrekking tot God geen gebruik, zegt Worniser (blz. 54). Nochtans hebben we vast te houden, dat zij dat geloof, hoe oppervlakkig ook, bezitten, 't welk hen, als het zaad van geloovigen, belang doet stellen in den doop ; en hen tot den doop van hun kinderen het recht behouden doet.
Onze Vaderen namen „de kinderen der Christenen" (Formulier voor den Doop der volwassenen) of „de kinderen der geloovigen" in het midden der Gemeente als kinderen des Verbonds. En zij waren daarbij niet zóó onnoozel om te meenen, dat het genadeverbond voor „ongeloovigen" is, wat in den weg der verbondsgehoorzaamheid moet blijken. Maar zij waren ook niet zoó onnoozel, dat ze zich gingen inbeelden, dat bij allen, die hun kinderen ten doop aanboden, een levend geloof in den Drieëenigen Verbonds-God aanwezig was.
En nochtans, iets minder dan dit laatste was bij hen tot zaligheid niet voldoende !
Waarin bestaat dan het geheim, dat onze Vaderen eenerzijds zoo streng vasthielden aan de noodzakelijkheid van het geloof voor een ieder persoonlijk — en tegelijk in hun doopspractijk zoo ruim waren, dat zij „de kinderen der Christenen" of „de kinderen der geloovigen" doopten en ook den Doop van andere kerkelijke gezindten erkenden ?
Wormser antwoordt daarop : „In hun kloeke en frissche eenvoudigheid, waardoor zij bewaard bleven, de leer van de praedestinatie (uitverkiezing) met de leer van het genadeverbond te verwarren".
De laatste (als geopenbaard) is onze regel ; de eerste (als verborgen) niet. En wandelend in den weg van het genadeverbond mochten zij zich vasthouden aan de verkiezing Gods ten leven, van welke de Heere Zelf en alleen de wetenschap heeft ; waarom Hij b.v. ook nooit zegt : predikt het Evangelie aan de uitverkorenen, maar : predikt het Woord aan alle volkeren..En die belijdenis van zijn Christelijk geloof mag doen, zal in den Doop het teeken en zegel van Gods genade zien, voor zich zelf èn voor zijn zaad.
„Al de Christenen", zegt Wonnser (blz. 55) „staan met God in het verbond der genade, dat alle eeuwen door blijft. En hun doop is daarvan een zegel en ontwijfelbaar getuigenis". „Dit Verbond heeft (in onderscheiding van de praedestinatie) twee deelen" : en wel de belofte en de verzekering Gods eenerzijds, en de verplichting tot gehoorzaamheid en liefde anderzijds. „Het eerste deel, dat de verzekeringen van Gods zijde bevat, wankelt nooit ; het tweede deel, dat de verplichtingen van den mensch insluit, wordt uit den aard der zaak altoos gebrekkig, en door velen gansch niet onderhouden" (blz. 55). De Kerk, de regeering der Kerk, heeft allen, die betoonen op het genadeverbond prijs te stellen, te beschouwen als „Christenen" of „geloovigen", en de Kerk, de ambtsdrager, kan daarbij niet beoordeelen in hoeverre men van de voorrechten des verbonds waarlijk met het hart gebruik maakt. Ook kan straks reeds de bondeling gebruik gaan maken van de voorrechten, die hij jarenlang verwaarloosde. Dat zien wij in het voorbeeld van den verloren zoon. Na een gruwelijk leven herinnert hij zich eensklaps, dat hij een Vader heeft, die, niettegenstaande zijn diepe afwijkingen en ofschoon hij hem langen tijd vergat, zijn Vader gebleven is. Hij besluit tot hem te gaan als tot zijn Vader, en hem als Vader toe te spreken, en doet dat niet tevergeefs. Nochtans — geloovigen inderdaad en in waarheid, zijn dus alleen zij (zegt Wormser), die waarlijk in het Verbond wandelen (verbondsgehoorzaamheid betoonen) en, volgens het tweede deel van dat Verbond, van het eerste deel gebruik maken ; en uit hun doop leven. (Wordt voortgezet).
HET LEVEN EEN „DAADLOOZE-DROOM”?
Er dreigt een gevaar, betoogt de heer W. J. Hemmes, de directeur van de Federatie van Diaconieën, in een artikel : „Kerk en werk", dat het leven bij velen gaat gelijken op een „daadlooze-droom". Men „droomt" op verschillende manier, jongeren en ouderen, en zoo komt er dan ten slotte niets van het actieve werk als christen terecht. Kerk en werk schijnen dan niet meer bij elkaar te hooren.
„Zie ik goed", aldus de heer Hemmes, „dan bedreigen het jonge opgewekte geestelijke leven nu ook alweer gevaren. Ik denk hierbij aan wat ik zou willen noemen de leeringen uit de „psycho-analytische school", die zoo langzamerhand reeds tot „het groote publiek" zijn doorgedrongen. Een mensch moet zichzelf — zoo leert men — door en door leeren kennen, zijn zieleleven binnenste buiten durven- keeren. Alle ervaringen .in z'n leven en alle beweegredenen om tot iets te komen, hebben diepere oorzaken. Men moet die opsporen, registreeren, men moet tot zichzelf inkeeren, daardoor veel met zichzelf bezig zijn enz. enz.
Natuurlijk hebben al deze dingen op zichzelf groote beteekenis en waarde. Wie zou het ontkennen. Maar deze analyse, dit onderzoek, vaak met sexueelen of erotischen inslag, door half — of geheel onbevoegden beoefend, richt in veler zieleleven groote schade aan. 't Leidt dikwijls tot een minderwaardigheidsgevoel, waarmee men dan nog dweept.
Mijn ervaring is — aldus de heer Hemmes — dat dit „gepeuter aan de ziel" (deze psycho-analyse) aan menigeen meer kwaad dan goed gedaan heeft. Men wordt zoo ontzettend voorzichtig en scrupuleus „welke motieven liggen aan een daad, aan een actie eigenlijk ten grondslag liggen", dat men niet tot de daad, tot de actie meer komt, maar het leven laat verglijden als een „daadlooze droom". Men kiest voor de passieve levenshouding, omdat men meent dat dit dan nog „'t minst gevaarlijk" is, althans schijnt te zijn.
Naast dit gevaar, dat uit de psycho-analytische school komt, wordt dan verder gewezen op een ander gevaar, dat (zouden we kunnen zeggen) uit de Bartiaansche-school komt.
„Een ander gevaar is er nog", aldus de heer Hemmes. „Er wordt in dezen tijd veel gesproken over „de verkondiging", de verkondiging des Woords ; daarin ligt alles begrepen — zegt men. De daad is dan bijzaak geworden. Alles ligt onder het oordeel — zegt men ; en God is het alleen, die werkt. Wie zijn wij, menschen, dat wij in dit leven (dat eschatologisch gezien moet worden) en in deze maatschappij iets ten goede zouden kunnen uitrichten. Laat het alles maar aan God over — zegt men ; wij weten immers toch niet wat Gods wil is, wal goed en kwaad is ; God werkt in het verborgene, en wij weten niet hoe ; en dan is ons ijveren zelfs gevaarlijk en al dat werken van de menschen zonde, want het leidt tot zelfoverschatting en eigenwaan ; het is niets anders dan hoogmoed, waarbij de mensch denkt of zegt : ik wil als God zijn.
„Hier worden", zegt de heer Hemmes, „dingen naar voren gebracht, die zeer zeker in deze tijden, die voor het „christelijk volksdeel" aardig succesvol zijn, wel eens gezegd moeten worden. Maar een zekere eenzijdigheid valt hierbij toch ook niet te ontkennen. Het is goed eraan herinnerd te worden, dat al onze arbeid op kerkelijk en maatschappelijk gebied in zichzelf geen waarde heeft, maar het is toch gevaarlijk op dezen éénen kant van de waarheid allen nadruk te leggen of al te sterk den nadruk te leggen. Wat zin zou het leven dan nog hebben voor den christ-geloovige ? Er komt op die manier een zekere minachting 'voor alles ; en gezien de menschelijke natuur, vrees ik, dat men straks heel mooi en dierbaar het Woord verkondigt en beluistert, maar dat het christelijk leven in zijn vollen omvang er bij in het gedrang komt.
Het leven mag niet worden een „daadloozedroom" !
Zoo goed als het moet zijn „de rank in den Wijnstok", zoo goed moet het ook zijn een actief christelijk leven met een heilige taak voor jongeren en ouderen. Als voorbeelden worden terecht genoemd mannen als Heldring en Pierson, waarnaast nog wel honderd andere namen zouden te noemen zijn in verband met velerlei werk in Gods Koninkrijk. De Kerk, de Zending, het werk der barmhartigheid, de maatschappij, de Staat, de School — het roept alles niet om „daadlooze droomers", maar om arbeiders in Gods Wijngaard, die wijd en zijd zich uitstrekt hier en in Indië en overal.
In Gods belofte : „Mijn genade is u genoeg. Mijn kracht wordt in uwe zwakheid vervuld" ligt een zoo rijke vertroosting voor hen, die geen kracht hebben, en die God als Zijn medearbeiders gebruiken wil.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 september 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 september 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's