De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

5 minuten leestijd

Het zal voor velen, die in de staatkundigeen maatschappelijke dingen belangstellen, een groote tegenvaller zijn geweest, dat èn in de Troonrede èn in de Millioenen-nota met geen woord gerept wordt van het politieke programma van het Kabinet-De Geer.
Reeds uit een Regeeringsverklaring, bij het optreden van het Kabinet afgelegd, hadden de voornemens en plannen kunnen blijken ; doch toen zulk een verklaring uitbleef, had mogen verwacht worden, dat mr. De Geer de eerste de beste gelegenheid zou aangrijpen om het Nederlandsche volk met het politiek beleid van zijn Kabinet in kennis te brengen.
Te meer bestond voor het geven van opening van zaken aanleiding, nu Roomschen, Vrijzinnig-Democraten en Socialisten vanwege de huns inziens onjuiste politieke opzet van het vijfde Kabinet Colijn, dit Kabinet hadden laten vallen, terwijl van de laatste groep, de Socialisten, wat nog nooit te voren had plaaLs gehad, twee man als Minister in het Kabinet waren opgetreden.
Wat de laatsten betreft, had de voorzitter van de Sociaal Democratische Arbeiders Partij in een partij vergadering op 14 Aug. te Amsterdam, gezegd : „Wat er in de nieuwe Troonrede zal staan, weten wij nog niet. De Communisten zijn er wel zeer benieuwd naar. Het spreekt vanzelf, dat Albarda en Van den Tempel (de beide Socialistische Ministers) er zich van te voren van hebben overtuigd, dal de grondslag van het Kabinet-De Geer voldoende ruimte biedt voor ernstige werkzaamheid van twee Sociaal-Democratische Ministers", dat wil dus zeggen, dat basis en program van het Kabinet ook voor de Socialisten aanvaardbaar zou zijn.
En in diezelfde vergadering zeide Minister Albarda : „Een nieuw tijdperk is aangebroken. Wij treden dit moedig binnen, ons bewust van de moeilijkheden, doch met blijdschap, omdat nu eindelijk onze kracht en moed tot volle gelding zullen komen en op haar juiste waarde zijn getaxeerd".
Alzoo zou het Kahinet-De Geer — naar het zeggen der Sociaal-Democraten — aan de Socialisten terzake van het trekken der richtlijnen van de werkzaamheden van het Kabinet een werkzaam aandeel geven en zou door het intreden van Socialisten in het Ministerie een nieuw tijdperk in het staatkundig leven van Nederland zijn intrede, doen.
Daarom kon het niet verwonderen, dat èn de Troonrede èn de Millioenen-nota ditmaal mei groote belangstelling werd tegemoet gezien.
Natuurlijk dient rekening te worden gehouden met de tegenwoordige zorgvolle omstandigheden, doch dit neemt niet weg, dat in de twee jaren, die ons nog van de eerstkomende Kamerverkiezingen van 1941 scheiden, toch parlementair werk zal moeten worden verricht. Aanhangig zijn bij de Tweede Kamer b.v. het echtscheidingsontwerp, nadere voorziening ter bescherming van de openbare orde, vaststelling van nieuwe bepalingen betreffende de inenting tegen pokken, enz. enz.
Uit dien hoofde is het van belang, dat ons volk weet, wat het van het Kabinet-De Geer te wachten heeft en hoe groot de invloed der Sociaal-Democratische Ministers op het werk van het Kabinet zal zijn.
Zooals wij zeiden, zwijgt de Troonrede en de Millioenennota op het een en ander.
Toch laat het laatste staatsstuk, terzake van de voornemens van het Kabinet ons niét in alle opzichten in 't onzekere. Op het punt, dat wij noemen willen, is de nota zelfs zeer leerzaam.
Zoo deelt het staatsstuk op bladzijde 13 mede, dat in de omstandigheden, dat het jaar 1941 een vermeerdering van uitgaven zal eischen van ƒ 60.4 millioen, waardoor een tekort voor dat dienstjaar van ƒ 116 millioen zal ontstaan en reeds voor 't dienstjaar 1940 de inkomstenbelasting met niet minder dan ƒ 50 millioen zal moeten worden verhoogd, het een eerste vereischte is, dat op den gewonen dienst van 1940 het evenwicht tusschen uitgaven en inkomsten moet worden verkregen.
En iets verder op dezelfde bladzijde, dat om de ƒ 5 millioen boven de reeds genoemde ƒ 50 millioen te dekken een verdere besparing op de uitgaven zal moeten worden gevonden.
De Regeering schrijft in de Millioenen-nota woordelijk :
Het zal (de toestand van 's Rijks middelen) o.a. meebrengen, dat wij ons dingen zullen weten te ontzeggen, waaraan wij gehecht zijn en dat wij wenschen zullen weten prijs te geven, ook al kan de redelijkheid daarvan op zichzelf niet worden betwist. Het is op dien grond, dat de Regeering verplicht is voorshands alle nieuwe uitgaven op den gewonen dienst, ook die, waarvan de urgentie zich in de laatste jaren in toenemende mate heeft opgedrongen, achterwege te laten en bovendien er ernstig naar te streven, ook op de bestaande diensten voor zoover eenigszins mogelijk gelden vrij te krijgen.
Met dit financieele beleid van het Kabinet om niet meer gelden uit te geven dan binnen komen, dus de tering naar de nering zetten, zijn wij het hartgrondig eens.
Maar waarom moest dan het Kabinet Colijn tot aftreden gedwongen worden ?
e aanpassingspolitiek van dr. Colijn was toch geen andere, dan die welke mr. De Geer thans volgen wil.
En hoe is in dit verband de verklaring te verstaan van den voorzitter van de S.D.A.P. in de meergenoemde vergadering te Amstei'dam, dat te constateeren valt, dat de Nederlandsche politiek onder dr. Colijn hopeloos was vastgeloopen, en dat het daarom een geluk was, dat deze staatsman heenging. De taaie strijd tegen aanpassing — zoo zcide hij — is volstreden.
Hoe is dit alles te begrijpen, nu de heeren Ministers Ir. Albarda en dr. Van den Tempel zelf aan die aanpassing zullen gaan meedoen?
In de roode kring der onderwijzers spreekt men reeds van een bittere
teleurstelling.
Zooals onze lezers weten, ontstond het conflict in het vierde Kabinet Colijn door de indiening van het wetsontwerp betreffende de registratie van de jeugdwerkloosheid. Het ontwerp door mr. Romme, de Roomsche Minister van Sociale Zaken, moest aan de schatkist ƒ 10 millioen kosten. Daartegen verzette zich in het bijzonder de Minister van Financiën, mr. De Wilde, die op dit wetsontwerp ook heenging.
En thans lezen wij in de Millioenen-nota op blz. 16, dat het wetsontwerp terzake van de jeugdwerkloosheid zal worden ingetrokken. Ook hier wordt dus gehandeld geheel overeenkomstig de richtlijnen van dr. Colijn en mr. De Wilde.
Maar waarom moesten deze Ministers dan aftreden ?
Bij de behandeling van de Rijksbegrooting zal men daarover wel interessante dingen vernemen.
Tot zoolang hebben wij ons ongeduld op te schorten.
De Millioenen-nota was ditmaal wel leerzaam.
 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 oktober 1939

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 oktober 1939

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's