De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De Raad Gods.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De Raad Gods.

Geen Fatalisme.

7 minuten leestijd

Geen Fatalisme.
We willen toch ook nog even de aandacht richten op het fatalisme van den Islam. Onder het woord Islam verstaan we da godsdienst van de Mohammedaansche volkeren. Het beteekent eigenlijk onderwerping, en de aanhangers van deze leer heeten Moslim.
We zullen over den Islam kort zijn. Toch is het misschien dienstig voor de lezers, om even het leven van Mohammed, den stichter van den Islam, onder de oogen te zien.
Hij is omstreeks 580 geboren. Al vroeg verloor hij zijn ouders. Abdalah heette zijn vader, Amina zijne moeder. Zijn oom Aboe Taleb heeft hem opgevoed. Toen hij 25 jaar oud was, huwde hij met de rijke koopmansweduwe Khadidja. Het schijnt, dat omstreeks 610 Mohammed een innerlijke religieuse crisis heeft doorleefd. Hij kwam in verzet tegen de materialistische opvattingen, die in zijn omgeving heerschten.
In den Koran, die we den bijbel van de Mohammedanen zouden kunnen noemen, deelt hij mede, dat in nachtelijke visioenen de engel Gabriel aan hem verschenen is. Vanaf dien tijd acht hij zich geroepen om als profeet het volk te vermanen.
Vooral waarschuwt hij de goddeloozen vanwege de komst van den oordeelsdag. Mohammed eischt onvoorwaardelijke onderwerping aan God (Islam).
Slechts weinigen sloegen geloof aan zijn woorden.
Omdat hij in Mekka geen aanhang vond, is hij uitgeweken naar Medina. Deze uitwijking vond plaats op 16 Juli 622. In Medina hoopte hij op hulp van de Joden. Hij was namelijk van meening, dat de Thora (de wet) van de Joden hetzelfde inhield als zijn eigen openbaring. De Joden wilden echter absoluut niets van hem weten. Toen is Mohammed tot de overtuiging gekomen, dat de openbaring van de Joden valsch was. Van nu af stelt hij den Islam voor als een in 't bijzonder voor Arabië bestemde openbaringsgodsdienst. Zijn prediking was volgens hem een voortzetting van die van Ibrahim (Abraham), die ook te Mekka had gepredikt en de Ka'ba zou hebben gebouwd.
In de Ka'ba-tempel te Mekka wordt nog thans een groote steen afgodisch vereerd. De oorspronkelijke godsdienst van Arabië bestond namelijk in een steencultus, een vereering van reusachtige steenen. Alle pelgrimsreizigers in Mekka moeten dien heiligen Kabasteen kussen.
Mohammed heeft de om Medina wonende Joodsche stammen uitgeroeid. Ook Mekka heeft zich aan hem onderworpen, zoodat hij in 632 weer in Mekka verscheen om dezelfde ceremoniën van de bedevaart naar de Ka'ba te verrichten.
Zoo heeft zich de Islam hoe langer hoe verder uitgebreid, zoodat ze in latere eeuwen in Europa de Christelijke Kerk menigmaal heeft bedreigd met den ondergang.
Mohammed is maar zeer oppervlakkig op de hoogte geweest van den bijbel der Christenen. Hij schijnt den bijbel zelf niet gelezen te' hebben. Zijn gegevens heeft hij alleen van hooren zeggen. Het behoeft ons dan ook niet te verwonderen, dat we bij het lezen van den Koran telkens stuiten op allerlei onjuistheden in de citaten van Mohammed.
Eén ding heeft hij wèl van de Joden overgenomen, en dat is het onuitroeibare besef, dat er maar één God is. Als monotheïst bestrijdt hij overal het veelgodendom. Hij noemt God Allah, een naam, die samenhangt met 't Hebreeuwsche woord El, den naam voor God.
Hoe stelt zich Mohammed nu dien God voor ? Niet anders dan een Oostersch despoot, wiens grillige wil wet is. Het woord uit den brief van Johannes, dat God liefde is, is voor Mohammed een onbekende zaak.
De Arabier heeft zich aan het fatum, het door de godheid gesprokene, te onderwerpen, gelijk een slaaf gehoorzaamt aan de grillen van zijn heer.
Ge gevoelt wel, dat dit een heel andere onderwerping is dan die, welke we vinden in Psalm 39. Daar roept de dichter vol vertrouwen uit : Wij zwijgen stil, o God, want Gij hebt het gedaan.
Neen, de stille, Christelijke onderwerping aan datgene, wat de Heere over Zijn kind beschikt, heeft eigenlijk niets te maken met de passieve onderwerping, zooals ze tot openbaring komt in het Fatalisme van den Islam.
We missen in de voorstelling, die Mohammed zich maakte van zijn God, zoowel de liefde als de heiligheid.
Het is dus niet zoozeer het praedestinatiegeloof, als wel de valsche voorstelling van het wezen Gods, die de Mohammedanen geleid heeft tot het Fatalisme.
We nemen hiermede afscheid van het Fatalisme. Al erkent het Fatalisme evenals hel Calvinisme het noodzakelijke in de wereld met verwerping van al het toevallige, de verschillen zijn verder zoó groot, dat ze de overeenkomende factoren verre overtreffen.

De Verwerping.
We komen thans in de gelegenheid onze gedachten te laten gaan over de Verwerping.
Bij de behandeling van dit leerstuk past ons de grootste voorzichtigheid. Het is geen wonder, dat men van alle kanten tegen het stuk der verwerping in het krijt is getreden. Roomschen, Ethischen en Methodisten komen in het gareel tegen deze leer.
Ze willen nog wel spreken over de verwerping, maar dan bedoelen ze alleen die verwerping, die haar grond vindt in de voorkennis en in de voorwetenschap Gods. Men wil het dan nog wel zóó formuleeren, dat God dezen of genen zondaar verworpen heeft, omdat Hij te voren gezien had door middel van Zijn alwetendheid en voorwetenschap, dat die zondaar zich op den breeden weg zou blijven verharden.
Maar we hebben bij de uiteenzetting van de leer van de verkiezing er al op gewezen, dat de aanhangers van de leer der eeuwige verkiezing van een verkiezing op grond van vooruitgezien geloof nooit iets hebben willen weten.
Ze hebben die verkiezing alleen gegrond in den vrijmachtigen souvereinen wil Gods.
En zoo staat het nu ook precies met het leerstuk der verwerping.
We erkennen onmiddellijk, dat het leerstuk der verwerping iets aangrijpends is.
Calvijn zelf heeft het een vreeselijk besluit genoemd.
Laten we even mogen aanhalen, wat de groote Hervormer van Geneve er van heeft gezegd, in boek III 23, 7 van zijn Institutie.
„Zij zeggen, dat dit met duidelijke woorden nergens te lezen is, dat God besloten heeft, dat Adam door zijn overtreding zou vergaan. Eveneens alsof die zelfde God, van wien de Schrift getuigt, dat Hij doet, al wat Hij wil, het edelste schepsel van al Zijn schepselen tot een onzeker en twijfelachtig einde geschapen had. Zij zeggen, dat hij een vrijen wil had om zich zelf zulk een staat te doen verkrijgen als hem goed dunkt ; maar dat God niet anders verordineerd en besloten heeft, dan met hem te handelen naar verdienste. Is het, dat men zulk een ijdel en onnut gedichtsel voor goed aanneemt, wat zal dan de almacht Gods zijn en blijven, waardoor Hij naar Zijn verborgen raad, die geen oorzaak heeft buiten Hem, alle dingen stuurt en leidt.
Maar wederom, of ze willen of niet, de praedestinatie vertoont zich in de nakomelingen van Adam. Want het is niet natuurlijker wijze geschied, dat alle menschen van de zaligheid zijn vervallen door de schuld van éénen vader.. Wat verhindert hen van éénen mensch te bekennen, hetgeen ze gedwongen worden toe te staan en te bekennen van het gansche menschelijke geslacht.
Want waartoe zouden ze toch hierin een toevlucht zoeken ? tevergeefs
De Schriftuur roept, dat alle menschen in den persoon van één mensch tot den eeuwigen dood overgegeven zijn. En dewijl dit aan de natuur niet kan worden toegeschreven, zoo is het klaar, dat dit is voortgekomen van den wonderbaarlijken raad Gods.
't Is al te ongerijmd, dat die goede voorstanders van Gods gerechtigheid voor een splinter of stroo versteld staan en nochtans springen over hooge balken. Ik vraag wederom, waardoor het geschied is, dat zoo veel volkeren tezamen met hunne onmondige kinderen tot den eeuwigen dood vervallen zijn, zonder eenige remedie, zoo het niet is geschied, omdat God zulks gewild en goed gevonden heeft ?
Hier moeten de tongen verstommen, die anderszins zoo veel te zeggen hebben, 't Is wel een vreeselijk besluit, ik beken het : nochtans zal niemand kunnen loochenen, dat God van te voren, eer Hij den mensch schiep, geweten heeft wat voor einde en uitgang de mensch zou nemen en hebben en dat Hij 't daarom te voren geweten heeft, omdat Hij 't door Zijn besluit in zulker voegen verordineerd had.
Zoo iemand alhier Gods voorwetenschap scheldt en beschuldigt, die handelt lichtvaai'dig en onwijs. Want, ik bid u, wat reden is er, waarom de hemelsche Vader zou beschuldigd worden omdat Hij geweten heeft, wat er in de toekomende tijden stond te geschieden".
Tot zoover Calvijn.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 oktober 1939

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

De Raad Gods.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 oktober 1939

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's