De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

UIT DE HISTORIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

UIT DE HISTORIE

SAMUEL MARESIUS GEEN AANTREKKELIJKE FIGUUR

7 minuten leestijd

SAMUEL MARESIUS GEEN AANTREKKELIJKE FIGUUR
III.

Maresius' Groningsche periode.
We komen thans tot het voornaamste deel van Maresius' leven, hetwelk hij te Groningen heeft doorgebracht, de dubbele functie van predikant en hoogleeraar vervullend. Gedurende niet minder dan dertig jaar heeft hij in . genoemde stad zijn beste krachten in dienst gesteld van theologie en kerk. Dat Maresius alle zeilen moest bijzetten, verstaat men, wanneer men weet, dat hij de vacature te vervullen had, die ontstaan was door het overlijden van Gomarus op 11 Januari 1641.
Vrijdag 20 Januari 1643 hield Maresius te Groningen zijn inaugureele oratie, welke haiidelde over de plaats, die in de theologie aan de menschelijke rede mag worden toegekend. Volgens Maresius behoort de theologie uitsluitend en alleen te putten uit de Heilige Schrift. Gelijk de zon slechts in haar eigen licht kan worden gezien, zoo is ook de Goddelijke openbaring noodig, willen we God kunnen kennen. Als zoodanig staat het geloof tegenover de rede. Door het geloof wordt de rede tot haar ware proporties teruggebracht, terwijl 't haar ook voor dwaling bewaart. Onder alle omstandigheden moet 's menschen verstand zich gevangen geven, en zich onderwerpen aan Gods Woord. Zonder redelijk denkvermogen zou de mensch echter van de mysteriën Gods niets weten, en wanneer het zijn plaats en taak kent, kan het de theologie in het algemeen de grootste diensten bewijzen. Wroeten in hetgeen God niet geopenbaard heeft, is evenwel niet geoorloofd. We mogen Zijn bestel niet curieuselijk onderzoeken.
Tot vandaag toe hebben deze opmerkingen haar waarde behouden.
Met het geven van colleges en het houden van disputaties had Maresius het zóó volhandig, dat hij, naar hij zelf verzekert, heel wat meer uren maakte, dan een schoolmeester destijds. Viermaal heeft hij aan de Academie het ambt van Rector-magnificus bekleed. Het feit, dat hij de Nederlandsche taal nimmer machtig is geworden, schijnt hiervoor geen beletsel geweest te zijn.
Zijn eerste rectoraat ving Maresius aan met een toespraak over „het huis en de maaltijd der Wijsheid", een woord naar aanleiding van Spreuken 8, waarbij hij er op wees, dat het bij het vervullen der rectorale waardigheid niet zoozeer op macht, dan wel op wijsheid aankomt.
Toen Maresius voor de tweede maal rector werd, had hij een heel ander onderwerp gekozen. Daar de drinkgewoonte hand over hand toenam, sprak hij over het kwaad van herbergen en kroegen. Heel Groningen was op weg, om kroeg te worden, wijl het aantal herbergen dat der kerkgebouwen meer dan honderdvoudig overtrof Vooral de studenten gingen zich vreeselijk te buiten, en eens kwam het tot een oproer onder hen, bij welke gelegenheid men de ruiten van Maresius' huis ingooide, terwijl er tevens geschoten werd. De „goede" oude tijd, zullen we maar zeggen !
Ter gelegenheid van het neerleggen van zijn tweede rectoraat sprak Maresius over de zaligheid van den wijsgeer Aristoteles, een kwestie, die de gemoederen nogal bezighield. Meenden de scholastieken in 's mans zaligheid te moeten gelooven, — Maresius verwierp haar op grond van zijn levenswijze zeer beslist. De talenten van Aristoteles wilde Maresius wel erkennen, maar hiji weigerde te gelooven in zijn zaligheid.
Meerdere actueele redevoeringen zijn nog in z'n kwaliteit van rector-magnificus door Maresius uitgesproken, maar over alle kunnen we niet in bizonderheden handelen.
Al lagen Maresius' voornaamste werkzaamheden op het terrein der Academie, — we zeiden het reeds, dat hij te Groningen ook predikant was. In de Waalsche gemeente ging hij geregeld in den dienst des Woords voor.
Een niet onbelangrijk deel van Maresius' leven te Groningen wordt in beslag genomen door een twistgeschrijf met Voetius en diens medestanders. De oorsprong van het conflict, dat loopt tot 1669, ligt in beider verschil van meening over de Broederschap van Onze Lieve Vrouw te 's-Hertogenbosch, waarover wij in ons vorig artikel schreven. Doch ook over andere vraagstukken en personen verschilden beide theologen van inzicht.
Over de schuldvraag merkt Maresius' levensbeschrijver het volgende op : „Al wil ik Voetius in dezen niet vrijpleiten, toch meen ik gegronde redenen.te hebben voor de bewering, dat Maresius hem in het hanteeren van verkeerde strijdmethoden de baas is geweest. Wel verstond Maresius uitnemend de kunst, om op roerenden toon over vrede en verzoening te schrijven, doch een schrille tegenstelling daarmee vertoont niet zelden het overige gedeelte van eenzelfde geschrift. De onvriendelijke betitelingen en smadelijke invectieven (schimpwoorden), welke hij tegen zijn bestrijders en inzonderheid ook tegen Voetius lanceerde, zijn legio. Ook zag hij er niet tegen op, om allerlei persoonijke zaken, zelfs van den intiemsten aard, in het publiek te brengen. Uit vertrouwelijke stukken en uit kerkeraadsacten citeerde hij, zonder scrupules (bezwaren), in boeken, welke onder ieders bereik vielen. De vuile wasch behandelde hij soms vlak onder de oogen van de vijanden der Gereformeerde kerken. Terwijl hij achter vrijwel al zijn bestrijders Voetius zocht, en aan dezen het zenden van dergelijke afgezanten uiterst kwalijk nam, schroomde hij zelf niet, zijn medewerking bij de uitgave van schotschriften te verleenen, en het middel der pseudonymiteit te gebruiken, om daarmee het verbod zijner overheid te ontduiken of om blijkbaar den schijn te wekken, dat hij zijn afgelegde belof; ten niet verbrak. Op deze wijze poogde hij Voetius verdacht te maken, door dezen tal van ketterijen aan te wrijven, zonder dat hij daarvoor behoorlijke bewijzen aanvoerde.
Zeiden we te veel, toen we Maresius „geen aantrekkelijke figuur" noemden ?
Men moge de verschilpunten tusschen beide theologen belangrijk vinden, — vast staat, dat persoonlijke motieven een belangrijke rol gespeeld hebben in het conflict, dat zoovele jaren de vijandschap tusschen beide mannen heeft gevoed en levendig gehouden. En dit persoonlijk element is er door Maresius in gebracht ?  Waarover liepen echter de zakelijke ge­schillen ?
In de eerste plaats over de Lieve-Vrouwe- Broederschap ; vervolgens over de vraag, of de Utrechtsche kanunniken de beschikking over de geestelijke goederen mochten hebben ; en ten slotte over de kwestie, of tafelhouders tot het Heilig Avondmaal mochten worden toegelaten. Ten opzichte van al deze punten nam Maresius een soepeler standpunt in dan Voetius.
Hiertegenover, staan echter andere dingen, die Maresius in Voetius terecht veroordeelde. In verschillend opzicht legde Voetius beslist een te groote „precysheyt" aan den dag. Zoo mocht men volgens hem geen dronk uitbrengen op iemands gezondheid. Ook maakte hij bezwaar tegen het gebruik van kerkgebouwen in een kruisvorm. Christus en de apostelen, zoo hield Maresius staande, zijn altijd verre geweest van zulke preciesheden. En hij prijst de Fransche kerken gelukkig, die dergelijke „bezwaren" niet kennen.
Ook in ander opzicht had Maresius tegen opvattingen van Voetius bedenkingen. Groote waardeering koestert bijvoorbeeld Voetius voor Thomas a Kempis, wat zonder meer misplaatst is. De monnik van den Agnietenberg moge sympathiek aandoen, — hij vertoont weinig overeenstemming met de echt Schriftuurlijke beginselen.
Voorts meende Maresius in Voetius' supralapsarisme een afwijking van de Dordtsche Synode te constateeren. Evenmin waren beide mannen het eens over den grond, waarop Christus moet worden aangebeden, enz.
Uit dit alles kan men opmaken, dat het mogelijk van belang is, om de opvattingen van beiden te toetsen op hun Schriftuurlijke gronden. Maar met stelligheid willen we echter betoogen, dat, hoe dit onderzoek ook moge uitvallen, er nimmer aanleiding of gerechtvaardigde grond bestaan heeft voor den heftigen, somtijds onchristelijken strijd, die tusschen hen gevoerd is. En als men het conflict tusschen Maresius en Voetius zou willen aanvoeren als bewijs, hoe noodzakelijk het is, om ketterij te weren, dan zouden wij voor ons niet weten, in het voordeel van wien de schaal zou doorslaan, om de eenvoudige reden, dat beide mannen gemeend hebben, te ijveren voor de gereformeerde beginselen.
Iets anders is, dat niet beiden kunnen gelijk hebben. Maar dwaling en misverstand kwalificeer e men niet aanstonds als ketterij, mits de afwijking komt van iemand, die onvoorwaardelijk wenscht te buigen voor het gezag van Schrift en Belijdenis. En dat wilde zoowel Maresius, als Voetius.
Nogeens, ten einde niet misverstaan te worden : zoolang er overeenstemming is in de fundamentalia, zoolang drage het debat een zakelijk en welwillend karakter.
De oorzaak van de langdurige verwijdering tusschen beide theologen moet gezocht worden in verschil in nationaliteit, in hun uiteenloopend karakter en temperament, en wellicht ook in een zekere rivaliteit.
Dat het eindelijk tusschen Maresius en Voetius tot een verzoening is gekomen, zij het dan op reeds hoogen leeftijd, is verblijdend. Hieruit blijkt tevens, dat er schijnbaar toch voldoende overeenstemming tusschen beide mannen heerschte, op grond waarvan de vrede kon worden geteekend. Beter is het dan ook, om gemeenschappelijke vijanden te bestrijden, dan z'n kracht te verteren in een twist over betrekkelijke kleinigheden.
 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 oktober 1939

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

UIT DE HISTORIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 oktober 1939

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's