De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCHOUW

29 minuten leestijd

NA-KLANKEN UIT DB SYNODE (2)
Bestuur en Beheer. „Moed toonde de Synode tegenover de fameuse kwestie van bestuur en beheer", aldus prof. Korff. „Hier onderscheidde zij zich duidelijk van haar voorgangster. De Synode van 1938 had er zich zorgvuldig van onthouden eenig oordeel uit te spreken over de vraag, of de Synode al dan niet bevoegd is een regeling van het beheer tot stand te brengen. Zij had er zich toe beperkt de gronden, waarop het toen ingediende „Ontwerp-reglement op de financieele aangelegenheden der gemeenten" berustte, te onderzoeken en deze, terecht, ontoereikend geoordeeld".
„Maar de Synode van dit jaar heeft anders gedaan. Met 10 tegen 9 stemmen vereenigde zij zich met de conclusie van het uitnemende rapport over deze zaak van mr. De Roon Swaan, in welke conclusie de bevoegdheid der Synode wordt uitgesproken en tevens 't voornemen „te zijner tijd, na rijp beraad en na ernstig overleg" met de beheersorganen van deze bevoegdheid gebruik te maken".
„Met 15 tegen 4 stemmen aanvaardde zij de conclusie van het niet minder degelijk rapport van den heer Bolt, strekkende tot schrapping van Art. 65 al. 2 van het Alg. Reglement. Men gaf aan schrapping van deze alinea de voorkeur boven wijziging, omdat het bij wijziging den schijn kon hebben, alsof de Synode zich een nieuw recht wilde aanmatigen, terwijl schrapping duidelijk maakt, dat het alleen gaat om het wegnemen van een rem, die de volledige uitoefening van de bevoegdheid der Synode belemmert". De rem, die de volledige uitoefening van de bevoegdheid der Synode inzake Beheer belemmert, is dus weggenomen met deze schrapping van Art. 65 al. 2. Waarover natuurlijk de Classicale Vergaderingen D.v. in 1940 haar oordeel zullen moeten uitspreken en haar advies zullen moeten geven.
Natuurlijk zit hieraan nog al wat vast
„Op deze beide besluiten", zegt prof. Korff verder, „heeft het bekende rapport der Leidsche hoogleeraren Meyers en de Blécourt zeker invloed geoefend, m'aar dit toch niet alleen. Het was overigens niet de eerste maal, dat de Synode de overtuiging van haar bevoegdheid uitsprak".
„Men moet nu afwachten" — zoo besluit prof. Korff — „hoe de Kerk, dat is in dit geval de Classicale Vergaderingen en de beheersinstanties, op het door de Synode beslotene en voorgestelde zal reageeren".
Over dit zelfde onderwerp schrijft een vrijz. lid der Synode (ds. Boonstra ? ) in „Kerk en Wereld" (22 Sept. '39) in „Synodale Nabetrachting". Ook deze wijst er op, „dat de Synode een stap verder gegaan is dan haar voorgangster van 1938, die zich vereenigd heeft met het rapport-Haitjema, waarin nadrukkelijk de kwestie der bevoegdheid in het midden werd gelaten (in de beoordeeling van de wetsvoorstellen Van Empel, Van Deelen en Boer). Over dat besluit loopen allerlei geruchten (zie de noot op blz. 68 van de brochure van den Bond van Predikanten) en wel : dat het rapport van 1938, nadat het in de Synode was gebracht en behandeld, op verlangen van den toenmaligen president ds. Smit, op dit punt van de Synodale bevoegdheid zijn omgewerkt. Maar het vrijz. lid van de Synode (ds. Boonstra ? ) zegt, dat hij heel de wording van 't rapport van 't begin tot het einde meegemaakt heeft en dat hij het gerucht met de meeste stelligheid tegenspreekt ! Van meet afaan heeft de Commissie uit de Synode gezegd, dat zij zich zou onthouden van de wel heel moeilijke taak, in het netelige vraagstuk der beheersbevoegdheid zelve een uitspraak te doen. „Dit gerucht", zegt het vrijz. Synodelid X, „is althans in den kring van de Synode van '39 den verdienden dood gestorven".
„Daarna heeft deze Synode den grooten stap gedaan, die haar voorgangster van 1938 gemeend heeft nog niet te moeten of te hoeven of te mogen doen, maar dien ook zij — naar ons voorkomt — indien zij het toen noodzakelijk gevonden had haar kleur te bekennen, wel gedaan zou hebben", schrijft X. „Zoo beschouwd, zien we tusschen de Synodes van '38 en '39 niet zoo groot verschil".
Maar wat nu verder ? Het is nog maar een eerste stap en de zaak is hiermee niet uitgemaakt, nu de Synode zich zelf bevoegd verklaard heeft. Het zal uiteindelijk moeten worden uitgemaakt voor den burgerlijken rechter. „En dat laatste" — aldus X — „zal nog wel haken en oogen blijken te hebben".
In de brochure van den Bond van Predikanten wordt de opmerking gemaakt „dat in de Hervormde Kerk nog nooit iemand blijk gegeven heeft, het advies van de Leidsche hoogleeraren Meyers en de Blécourt inzake het proces-Ouddorp te kennen of er van te hebben gehoord".
In hoever of dat juist is, zal wel niemand kunnen uitmaken. Maar X zegt : , , dat indertijd naar de uitslag van het proces-Ouddorp met groote spanning door de Synode is uitgezien, „omdat wij óók een advies kenden, óók door de Synode bij een hoogleeraar in de rechten van naam ingewonnen, welks eindconclusie lijnrecht tegen de conclusie van de hoogleeraren Meyers en de Blécourt inging".
Misschien is het proces-Ouddorp ook wel gewonnen feitelijk langs de kwestie van de beheersbevoegdheid der Synode heengaande.
„Wij vermelden een en ander alleen maar" — aldus het vrijz. Synodelid — „om duidelijk te maken, dat de zaak nog niet zoo eenvoudig is, als de brochure van den Bond wel­ licht dezen en genen aanleiding geeft te onderstellen. Er zijn er onder de juristen — en nog niet zoo heel weinigen — die anders denken over deze kwestie dan de Leidsche hoogleeraren, en die ook school maken onder de toekomstige rechters. Ten slotte zal alles afhangen van de samenstelling van het hoogste burgerlijk rechtscollege, dat mettertijd de kwestie uiteindelijk zal hebben te beslissen".
„Wel meenen we te kunnen constateeren aanwijzingen van kentering in de gevoelens : het getal van overtuigden van de bevoegdheid der Synode neemt, naar ons voorkomt, onder de juristen toe".
Maar men denke — om dit eene maar te noemen, dat ook door den President opgemerkt is — maar eens aan de Colleges van Toezicht, die er nu eenmaal zijn en wier bevoegdheid, even zoovele malen als zij ter sprake kwam, altijd onveranderd door den burgerlijken rechter is erkend.
„Men leze ook het rapport van de hand van den heer Bolt over het voorstel tot wijziging van Art. 65 Alg. Reglement. Op de hem eigen, rustige, kristalheldere, streng logische wijze, pleit de heer Bolt uit den overvloed van zijn groote kennis, voor rustig overleg" —, aldus besluit X.
Wij kunnen ons met dat advies van „rustig overleg" zeer wel vereenigen. Hier liggen voetangels en klemmen. En vooral in dezen felbewogen tijd, waarin zooveel gebeuren kan, moet men met een zaak als deze, rakende : de bevoegdheid van de Synode inzake het Beheer, zéér, zéér voorzichtig zijn.
(Wordt voortgezet.)

DE KINDERDOOP VERBOND EN DOOP (19)
Uit hoofde van dit onbekrompen en tevens positief geloovig standpunt der Kerk, waardoor zij allen wil omvatten, die de oogen naar den Heere richten — maar tevens aandringt op waarachtige wedergeboorte en bekeering (zooals Catech. Zondag 33 handelt over het afsterven van den ouden mensch en de opstanding van den nieuwen mensch) kon de Apostel Paulus aan de Kerk te Corinthe schrijven als : aan de gemeente Gods te Corinthe ; aan de geheiligden in Christus Jezus, aan de geroepen heiligen ; en haar tegelijk zeggen : „Sommigen: hebben de kennis Gods niet ! ik zeg het u tot schaamte". (1 Cor. 15 vers 34).
De Apostel geeft hier geen onbestemde klacht, maar wel komt hier beschaamdmaking wegens hun traagheid en onverschilligheid te pas. En ze bevinden zich bij de bron, waar de kennis Gods onfeilbaar te verkrijgen is. De Kerk, die de geloovigen aanspreekt en de kinderen der geloovigen beschouwt als de kinderen des Verbonds, aan wie de belofte des Evangelies gedaan wordt, neemt geen genoegen met het ongeloof inplaats van het geloof, met de goddeloosheid inplaats van de godzaligheid, met de ongehoorzaamheid inplaats van de gehoorzaamheid, maar zegt ernstig altijd weer, dat ieder Christen een ware geloovige behoort te zijn, en dat het tegenovergestelde, n. 1. een ongeloovige en onbekeerde Christen te wezen, onnatuurlijk is en de toorn Gods opwekt in den weg der ongehoorzaamheid.
De Kerk erkent en predikt, dat ieder Christen in verbondsbetrekking staat met God, en komt tot een iegelijk met den eisch van de ernstige zelfbeproeving, of men wel in waarheid aan het tweede deel van het verbond voldoet.
De kinderen der Christenen dan (of „de kinderen der geloovigen") moeten uit kracht des Verbonds gedoopt worden.
En hoewel onze jonge kinderen (bij den doop der volwassenen staat dit natuurlijk anders) deze dingen, de leer des doops, bestaande in drie stukken, niet verstaan, zoo mag men ze nochtans daarom van den doop niet uitsluiten . Zij moeten gedoopt worden — zegt de Gereformeerde Kerk — uit kracht des Verbonds.
„Zulk een uitnemend gewicht", schrijft Wormser (blz. 57), „werd door de Vaderen gehecht aan het genadeverbond, 't welk thans, ook door de godvruchtigen, bijna algemeen verwaarloosd wordt".
„Liever dan door een geloovig waardeeren van dit genadeverbond, zoekt men thans dikwijls kracht en heil in een lijdelijk wachten op onmiddellijke toespraken en ingevingen in het hart, waardoor èn het genadeverbond, èn de Kinderdoop (èn de doop aan volwassenen) inderdaad ongebruikt worden gelaten. En de Kerk wordt daarbij van alle vastheid en vruchtbaarheid, glans en heerlijkheid beroofd". „Het is het voorrecht en de heerlijkheid van de Kerk, dat zij met God staat in een eeuwig Verbond der genade, hetwelk zóó krachtig is, dat het de geloovigen zóó geheel in alles omvat, dat zelfs hun kleine kinderen daarin dadelijk begrepen zijn en daarom moeten gedoopt worden.
Hoevelen echter brengen hun leven in een stelselmatig klagen over gebrek aan genade door, zoodat men het van vele plaatsen zelfs als iets uitmuntends vermeldt, dat de godvruchtigen er, gelijk men het eigenaardig noemt, altoos spreken „uit het gemis".
Er is echter geen reden om te klagen over God en gebrek aan Zijn genade. Indien sommigen de kennis Gods niet hebben (hetgeen alles omvat), zegt de Apostel hun dit tot schaamte. (1 Cor. 15 vs. 34). Er valt te klagen over onze zonden, over onze traagheid in het gelooven, over het verwaarloozen en miskennen van Zijn genadeverbond, en het inslaan van eigenwillige wegen ; wegen, die Hij niet bevolen of aangewezen heeft", (blz. 58)
„Reeds de juistheid der stelling, dat de kinderen uit kracht des verbonds gedoopt moeten worden, wordt thans door velen, die gewoon zijn zich op de Vaderen te beroepen", zegt Wormser, „betwijfeld". En de zaak zelve wordt dan opgevat als van weinig belang. Maar de uitspraak van de Dordtsche Synode (Leerregels hoofdstuk 1, art. 17) is recht geschikt om de diepe en krachtige opvatting van het genadeverbond door de Vaderen, te doen uitkomen, en om tegenwoordig geheele vergaderingen van godvruchtige Gereformeerden in verbazing en verwarring te brengen".
De Dordtsche Leerregels zeggen aldaar : „Nademaal wij van den wille Gods uit Zijn Woord moeten oordeelen, hetwelk getuigt, dat de kinderen der geloovigen heilig zijn, niet van nature, maar uit kracht van het genadeverbond, in hetwelk zij met hun ouders begrepen zijn, zoo moeten de geloovige ouders niet twijfelen aan de verkiezing en zaligheid hunner kinderen, welke God in hun kindsheid uit dit leven wegneemt".
, , Niet één op" twintig van de bekrompen richting, die het hierin met de Vaderen eens is, zegt Wormser, „omdat het denkbeeld zelfs van het genadeverbond, hetwelk zij altoos met de praedestinatie (uitverkiezing) verwart, bij haar bijna verloren is gegaan".
(Wordt voortgezet.)

JONGE THEOLOGEN IN DUITSCHLAND.
Het aantal studenten in de Evangelische theologie aan de Duitsche Universiteiten gaat in de laatste jaren sterk achteruit. In de jaren 1932—'34 had het een hoogte bereikt als nooit te voren, maar sindsdien is het gestaag gedaald. Het tegenwoordige totale aantal bedraagt minder dan een vierde van dat hoogste aantal en nog slechts ruim een derde van het gemiddelde aantal der laatste jaren vóór den oorlog van 1914—'18. Vooral aan de Noordduitsche Universiteiten daalt het cijfer sterk ; 't is daar met drie-kwart verminderd. In Zuid-Duitschland, in Tubingen en Erlangen, staat het wat gunstiger. Maar ook in Erlangen is het zóó achteruitgegaan, dat er nu maar één derde is van het aantal studenten van 1933—'34 ; toen waren er 660, en nu maar 220. Dat deze achteruitgang nog zal aanhouden bewijzen de cijfers. Onder de „betrekking-zoekenden" zijn niet veel theologen.
In 1934 bedroegen de evangelische theologen nog meer dan Q% van het totale aantal van alle studenten aan de Duitsche Hoogescholen ; maar in 1937 was het geen 4% meer, en in 1939 nog slechts ruim 2%.
De aankomende theologen verminderen in sterke mate. In 1938 waren er ongeveer 300, in 1939 nog maar 250. En de jaarlijksche behoefte aan jongeren in de Evangelische Kerk van Duitschland wordt geschat op ongeveer 600. Hier is dus een schrikbarend tekort te wachten ; hoewel er van vorige jaren nog een overschot is. Maar blijft deze daling aanhouden, dan is het waarschijnlijk, dat er over 10 jaar vele onbezette predikantsplaatsen in de Evangelische Kerk zullen zijn. Ook in de onderwijzerswereld schijnt een groot tekort op handen te zijn.
De oorzaken van den achteruitgang van het aantal theologen zijn van verschillenden aard. In de eerste plaats heeft de hoogconjunctuur in andere beroepen, vóór alles in de techniek en den militairen dienst, de toeloop van de universiteitsvakken en daaronder van de theologie, afgeleid. Velen aarzelden tusschen de theologie en het officiersberoep. Daarbij heeft het verminderen van het aantal humanistische gymnasia juist op de studie der theologie een schadelijken invloed gehad. Nog slechts ongeveer 50% van de jonge theologen komt van het gymnasium, de anderen moeten maar langs anderen weg naar de Universiteit zien te komen. Daarbij komt ten slotte de algemeene geestelijke toestand, waarvan het getij nu niet bepaald gunstig is voor de theologie.
Het is tegenwoordig reeds voor de zonen uit predikantsgezinnen allesbehalve vanzelfsprekend om theoloog te worden, laat staan voor de anderen. Daartoe behoort een zeer persoonlijke en zeer dappere beslissing. De onzekerheid van de kerkelijke toestand, de bijzondere moeilijkheden van het predikantsambt en van den kerkdijken arbeid binnen de religieuse meeningsverschillen van onzen tijd, dat alles kan er niet bepaald toe aanmoedigen den weg der theologen te gaan. De innerlijke eer van dit beroep weerspiegelt zich tegenwoordig niet altijd in een overeenkomstige waardeering. Wie tegenwoordig een gemakkelijke en snelle weg naar een zeker bestaan en een geachte positie zoekt, die zal zeker niet tot de theologie gaan. Bovendien wordt de studie tegenwoordig telkens langdurig onderbroken en stapelen zich de moeilijkheden bij de studie op. Zij, die tegenwoordig theoloog worden, zijn dappere menschen !
Voor kort stond in een tijdschrift : ,,Men kan tegenwoordig onder het volk de meening hooren, dat tot de moeilijkste, maar daarom schoonste beroepen dat van den vliegerofficier en den predikant behooren" !
Dat teekent ongeveer de gezindheid, die heden mannelijke en levende jeugd tot de theologie doet gaan.
Zeker, het zijn er minder geworden. Maar het zijn dan ook héele, geen halve. Wij zijn er zeker van, dat de geest, die hun beslissing draagt, niet zal uitsterven. Want hij heeft de kracht, de aantrekkende en getuigende macht van een levende, moedige en doorleefde belijdenis".
[Bovenstaand is door v. d. M. vertaald uit de Deutsche Allgemeine Zeitung van 13 Aug. 1939. Het is een artikel van prof. D. Paul Althans uit Erlangen. We lazen dit stuk in Algemeen Weekblad van 8 Sept. j.l.]

JONGE THEOLOGEN IN NEDERLAND
In aansluiting op bovenstaand artikel over jonge theologen in Duitschland, laten we nog eens volgen een klein stukje, waarin we de cijfers vinden van de theologische studenten in Nederland. In de rubriek „Kerknieuws" namen wij het vroeger reeds op, we geven het nu in de rubriek „Kerkelijke Rondschouw" nog eens ; het is een stukje uit de Verslagen van de Synode van dit jaar :
Het verslag der Kerkelijke hoogleeraren vermeldt, .dat gedurende het laatste studiejaar te Leiden stonden ingeschreven 117 theologische studenten (vorig jaar 127), onder wie 17 vrouwelijke. Het aantal eerstejaars-studenten was 23.
Te Utrecht waren 252 theol. studenten (vorig jaar 248), waaronder 9 vrouwelijke.
Het aantal eerste-jaars was 45.
Te Groningen waren 81 in totaal, waarvan 2 vrouwelijke en 22 eerste-jaars.
Het totaal aantal eerste-jaars is dus 23 en 45 en 22 = 90.
Men ziet : in den toevloed van a.s. pre­ dikanten is dus nog geen noemenswaardige vermindering te constateeren.
Er zijn in onze Hervormde Kerk ook altijd nog ruim 260 vacatures. Jammer, dat vele gemeenten echter niet beroepen. En zoodoende loopen er, in weerwil van de 260 vacatures, nog tal van beroepbare candidaten, die geen plaats nog kunnen vinden ! Een opmerking in het verslag van de Synode zij hier nog vermeld.
Van de 79 personen, die het proponentsexamen aflegden, slaagden er 66. Niet minder dan 13 werden er dus afgewezen. In de verslagen werd gewezen óp „het ontstellend gebrek aan algemeene ontwikkeling bij sommige candidaten".
Dat is jammer. Jammer bij een examen. Maar ook jammer, later. Want zoo'n gebrek is doorgaans een blijvend gebrek en waarlijk geen klein en onbeteekenend gebrek.

VRAGEN OM TE PLAGEN
Dat er wel eens vragen gesteld worden met een bepaalde, niet altijd vriendelijke bedoeling, weten we wel. Het gaat dan niet zoozeer om die vragen, maar die vragen zijn om te plagen.
We werden er aan herinnerd door een stukje ,,uit de oude doos", door De Standaard dezer dagen naar voren gebracht. Het was een herinnering aan de groote spoorwegstaking, nu de spoorfeesten werden gehouden. De ouderen onder ons herinneren zich die rampzalige geschiedenis nog wel uit de vlegeljaren van de Socialisten, toen Hermans nog redacteur was van „De roode Duivel". Toen Oudegeest nog voor dictator speelde. Toen de klassenstrijd nog op het scherpst gepredikt werd. Toen de felste strijd gevoerd werd tegen het kapitalisme. Toen het nog brutaal heette : Geen God en geen meester. Toen er niet de minste Oranjeliefde was. Toen men de Koningin liefst op 't grofst beleedigde, zelfs voor de klas in de lagere school bij de kinderen van „de proletariërs".
Uit die dagen nu vertelt de heer Schaper in zijn boek : „Een halve eeuw van strijd", dat pas toen „het vragenrecht" in de Tweede Kamer was ingesteld, onder het ministerie- De Meester. Dat recht was aan de Kamerleden gegeven om inlichtingen te vragen in betrekking tot verschillende aangelegenheden, het publieke leven rakende, waarbij dan de betrokken Minister gelegenheid kreeg om op die vragen antwoord te geven. Hij kon dan allerlei inlichtingen verstrekken, die opheldering konden geven en waardoor de betrokken aangelegenheden konden behandeld worden in dien zin, dat men met de zaak, waarom het ging, vooruit kon komen. Het moest om de zaak zelve en om het algemeen belang gaan, om zoo het volksleven te dienen. Nadrukkelijk was bepaald, dat er geen vragen gesteld mochten worden, die bedoeld waren om te beleedigen, of om openlijk critiek uit te oefenen op de regeering, of uitsluitend propagandistisch bedoeld waren met het oog op een bepaalde politieke partij. Het vragenrecht mocht het politieke leven niet néértrekken, maar moest juist dienen om de dingen vooruit te helpen en de goede gang van zaken te bevorderen.
En nu vertelt de heer Schaper, zelf socialist zijnde, dat hem in de dagen na de spoorwegstaking, door den oproerigen Oudegeest, z'n vuur-roode partijgenoot, een stel vragen werd toegezonden, die de heer Schaper, als lid van de Tweede Kamer, dan aanhangig moest maken, opdat ze in 't publiek, voor de ooren van „het volk", zouden komen.
Dat was zoo de methode van de rode heeren. Om „voor de tribune" te spreken ! En dan moest het natuurlijk wat „ongezouten" toegaan. Want anders „geniet" Jan Publiek niet. En anders wordt „de partij" niet genoeg gediend.
De heer Schaper had er echter geen zin in, om die vragen, door z'n partijgenoot Oudegeest hem toegezonden, in de Kamer te stellen. Hij wilde wel de zaak zelve dienen, maar niet op die manier.
Hij schrijft er dan (later dus) in zijn boek: „Een halve eeuw van strijd" (waarin meer merkwaardige dingen staan, die voor de politieke geschiedenis van ons volk van belang zijn en ook soms een eigenaardigen kijk geven op de S.D.A.P.) het volgende van :
„Deze vragen" — zoo verhaalt hij  „bevatten echter ettelijke venijnige sneeren" aan het adres van den minister of de directies der spoorwegen, en ik kon ze dus niet zóó indienen. Intusschen besloot ik, meer te geven dan gevraagd was en even naar Minister Kraus te gaan. Ik besprak met hem de kwestie waar het om ging en de minister deed bevredigende toezeggingen. Verheugd schreef ik dit naar den Bond, doch wat antwoordde men ? Vlug daarna ontving ik een brief met de kategorische boodschap : „Wij hebben je niet gevraagd om een bezoek aan den minister te brengen, maar om die vragen in te dienen".
Men voelt het : die vragen waren niet gesteld om de zaak, waarom het ging, te dienen. Want de heer Schaper had de zaak zelve uitnemend gediend door zijn onderhoud met den Minister. De vragen waren met opzet gesteld en wel zóó gesteld, dat ze weer eens flink „beleedigen" en „kwetsen" konden.
Vragen dus om te plagen.
Wat ons weer een kijk geeft op de mentaliteit van sommige menschen.
Als ze maar plagen kunnen.
Of ze de zaak dienen, is minder de vraag.
Als ze maar plagen kunnen.
Maar verstandige menschen leggen zulke vragen kalm naast zich neer en zoeken de zaak, waarom het gaat, te dienen.
En dat staat hóóger, dan vragen stellen om te plagen.

EEN NIEUW SOORT CHRISTENEN
In Duitschland spreekt men de laatste jaren van Duitsch-geloovigen en van Duitsch-Christenen. Dat is een heel eigenaardig soort van Christendom en een allervreemdst geloof. Want dat Duitsch-geloof en dat Duitsch-Christendom brengt ons niet bij Christenen, die in Duitschland wonen, zooals er Nederlandsche Christenen zijn, die in Holland wonen, en zooals er Engelsche Christenen zijn, die in Engeland wonen. Maar die z.g.n. Duitsch-geloovigen zijn menschen, die in Duitschland gelooven, in het Duitsche volk, in het Duitsche bloed ; en die al hun vertrouwen zetten op Duitschland zelf. De Duitsche bodem, het Duitsche bloed, het Duitsche ras is hun God, in wien zij gelooven en op wien zij vertrouwen.
En een van de stellingen van dat Duitsch Christendom is, dat het Christendom van de Christenen niet past bij den Duitscher.
Het gewone Christendom komt met den Bijbel en met de belijdenis ; met het Oude Testament en met het Nieuwe Testament ; met de leer van zonde en verlorenheid, met de leer van verzoening en verlossing ; met de leer van het kruis en van de genade ; met de leer van deze wereld en van het Koninkrijk Gods ; met het tegenwoordige leven en het toekomende leven. Maar van al die dingen moet de Duitsch-geloovige en de Duitsch- Christen en de Duitsch-Christelijke beweging niets, maar dan ook niets hebben. De echte Duitscher is altijd Germaan geweest, en de goede, rechtgeaarde Duitscher zal met het bloed der Germanen in de aderen, niet anders willen dan Ariër zijn. En zoo'n Duitscher, die een echte Ariër is en die den dood gezworen heeft aan alle niet-Ariërs, met name de Joden, begeeren een Bijbel, die product is van Arischen geest en Arischen bodem, wortelend in de oer-geschiedenis van het Germaansche ras. Men bedankt er voor, om een Bijbel te hebben van de Joden, met Joodsche helden (? ) en Joodsche ideeën. Men wil ook van geen Heiland weten, die Jóodsch bloed in de aderen zou hebben. Van Joodsche ideeën als : zonde, dood, hemel, hel enz., wil men niet hooren. Er moet een ander geluid worden gehoord. En daarom past het Christendom, dat spreekt van zonde en verzoening en verlossing, dat komt met het Evangelie des Kruises, niet bij den Duitscher, die zich bewust is Ariër te zijn. De echte Duitscher kan en mag z'n aard niet verloochenen door zich „af te geven" met het Christendom van den Bijbel en de belijdenis. Dat is verraad van het Duitsche volk en van het Vaderland. Aan zulke ontrouwe zonen en dochteren heeft Duitschland niets.
Gelukkig, dat er in Duitschland ook nog andere Christenen zijn, dan de menschen van het moderne heidendom.
Maar het is overbekend, dat de Staat, de „almachtige" Staat, partij kiest voor het Duitsch-Christendom en de jeugd, de school, de Kerk en alles wat er verder toe dienen kan, in de richting van de Duitsch-geloovigen stuurt en de beginselen van het moderne heidendom met kracht propageert, daarbij de belijdende Christenen en de belijdende Kerk, die wenscht vast te houden aan Bijbel en belijdenis, in alles tegenstaat ; ja, de predikanten en voorgangers der gemeente overal door politieke instanties laat bespieden en vervolgen ; om ze ook zelfs in de gevangenis te werpen of ze te verwijzen naar een concentratiekamp.
In die zonde leeft de Duitsche Staat.
En in die zonde leeft een groot deel van het Duitsche volk.

DE LETTER DOODT HAAR DE GEEST MAAKT LEVEND
Ons werd een vraag gedaan in betrekking tot deze woorden uit de Schrift (2 Cor. 3 vs. 6b). Het komt ons voor, dat we goed doen in deze rubriek er iets van te schrijven.
Dikwijls heeft men deze woorden — die men dan niet in het verband leest — misverstaan. Zoo zijn er „over-geestelijke" menschen, die maar dadelijk zeggen : men moet niet bij den letterlijken zin van een Schriftwoord blijven staan, maar men moet trachten den geestelijken zin van het woord te verstaan. Men spreekt dan graag van „een waarheid achter de waarheid". Het letterlijke is zoo doodig, het geestelijke is vol leven. Men heeft dan tegelijk een ruim veld om de woorden der Schrift te „vergeestelijken", waarbij dan de „inlegkunde" vrij spel heeft. De Apostel wil met het woord : „De letter doodt, maar de Geest maakt levend" natuurlijk volstrekt niet zeggen, dat we niet bij de letter van het Woord moeten blijven, doch dat we gerust wat kunnen gaan spelevaren op de wijde wateren van eigen „geestelijke" wijsheid. Want dan wordt het Woord Gods verwaarloosd en ons eigen woord komt naar voren met „geestelijk" gezag. En dat heeft de Apostel nooit in de hand willen werken.
Natuurlijk niet.
Er zijn er ook — en dat is weer een heel ander soort menschen — die deze tekst zóó willen lezen en verklaren, alsof er stond „de letter is een dood ding" ; als men zich aan alles wil houden, wat er alzoo geschreven is, dan verstikt men het leven ; dan wordt men begraven onder allerlei woorden, geboden en inzettingen ; men moet wat meer vrijheid zich veroorloven, want het gaat om , , geest en leven" en niet om de letter, die dood is en alle leven doodt en drukt.
Zulk soort menschen, die het niet graag „zoo precies" nemen, is het dan te doen om aan den greep van het Woord Gods te ontkomen. Men neemt het niet zoo nauw. Men houdt zich maar liever bij datgene, waarin meer „geest" en „leven" zit, dan aan al die doode letters, regels en formules. Men spreekt dan graag van „de vrijheid van den Christenmensch" ; en die Christen is, moet zich niet door al de Joodsche letters en inzettingen laten leiden. Van het Oude Testament b.v. wil men dan niets meer weten.
Nu staat er niet : „de letter is dood". Het gaat niet over doode letters. Er staat : de letter doodt. De letter heeft kracht en doet wat ; doet iets geweldigs ; de dienst van de letter doodt ons.
Waarom leest men deze woorden toch niet in 't verband waarin ze staan ? Paulus, als de „dienaar des Nieuwen Testaments" (vers 6a) heeft het over „de bediening des doods", onder de Wet, die „heerlijk" is geweest (vers 7). Waarbij hij getuigt : dat de bediening des Geestes heerlijker is ! De bediening der verdoemenis — onder de Wet — noemt hij heerlijk (vers 9). Maar de bediening der rechtvaardigheid is overvloediger in heerlijkheid (vers 9b).
Het wil dan zeggen : De Wet, in letters ingegrift in de twee steenen tafelen, is vol heerlijkheid, maar voor den mensch verdoemelijk. De Wet is doodelijk voor ons. De Wet beschuldigt ons, veroordeelt ons, vonnist ons, vervloekt ons, spreekt het doodvonnis over ons uit. We kunnen onder de Wet, die in leesbaar schrift, ingegrift in de steenen tafelen, door den Heere aan Mozes gegeven is, niet bestaan voor God. 't Oordeel der Wet is vernietigend voor ons. We moeten vallen, staande voor die spiegel. Ja, de Wet, als we die waarlijk leeren kennen — doodt ons. Vervloekt is een iegelijk, die niet blijft in 't geen geschreven staat in het boek der Wet, om dat te doen. De zondaar zal niet leven ! De bezoldiging der zonde is de dood. Ja, de dienst der letter, de dienst der Wet, doodt ons.
Als wij dan ook waarlijk door de Wet aangegrepen worden — door de genadewerking des Heiligen Geestes — en de Wet komt om ons voor onze zondeschuld te plaatsen, is er maar één weg : we moeten sterven.
Maar dan zal er óók — door de genadewerking des Heiligen Geestes — een zuchten en vragen om genade geboren worden ; een zoeken en bidden om verzoening, verlossing, barmhartigheid en vrede. En dien vrede te geven is de bijzondere werking des Geestes, Die uit Christus neemt en den zondaar komt voorstellen aan Hem, Die den goddelooze, zonder de werken der Wet, komt rechtvaardigen. Dan wordt de bediening der Wet, als de bediening der verdoemenis, ten slotte heerlijk, omdat zij leidt tot het roepen om genade en omdat de Heilige Geest de bediening der verdoemenis dan gebruikt, om te brengen tot vrede en zaligheid. En dat werk des Geestes was aan Paulus, die eerst leefde bij de Wet — dwaas en verblind zijnde — nu zoo heerlijk geopenbaard. En hij mocht nu door Gods genade komen met „de bediening der rechtvaardigheid", die heerlijker nog is dan „de bediening der Wet, de bediening der verdoemenis".
Het is het hart van de Nieuw Testamentische bediening, om te mogen getuigen van het werk des Geestes ten leven. Want dan wordt de zondaar gewezen op Christus, Wiens bloed reinigt van alle zonden.
De Wet leert ons onze schuld, zegt ons ons oordeel aan. De Geest verlicht het hart door het Evangelie des Kruises en troost de ziel, die schreiend tot God vlucht. De Wet strijkt het oordeel, de Geest wijst de vrijspraak aan, door den veroordeelden zondaar — door Gods Geest daartoe gebracht, door de toepassing van de Wet aan de ziel — bekend te maken met het oordeel en den vloek, die over Christus gekomen is. Door Zijne striemen wordt ons dan genezing. Hij, de Heere onze gerechtigheid, is dan onze vrede.
Zoo moet noch de prediking van de Wet, noch de prediking van het Evangelie een doode letter voor ons zijn ; een ledige boodschap, die langs ons henen gaat. Neen, ons harte moet door de Wet — onder de werking des Geestes — vervuld worden met droefheid, die naar God uitgaat, en onze ziel moet door Gods Geest in het Evangelie der genade onderwezen worden, begeerig gemaakt zijnde om uit te gaan in het geloof tot Christus, Die voor zondaren — en niet voor rechtvaardigen en zelfgenoegzamen — in de wereld is gekomen, zeggende : komt allen, die bedroefd van hart en verslagen van geest en onrustig van ziel zijt, tot Mij, en Ik zal u ruste geven.
Dan wordt óók — dat is de wondere werking van Gods Geest — de Wet levend voor ons, om haar te beminnen ; „hoe lief heb ik Uwe wet, zij is mijne betrachting den ganschen dag". En al onze gerechtigheid en heerlijkheid, ja, onze volkomene verlossing ligt dan in Jezus Christus, onzen Heere.
Heeft de Wet ons reeds gedood ?
Heeft de Geest ons reeds levend gemaakt ? Kennen wij onzen vloek en ons oordeel reeds — en mogen wij reeds gewagen van onzen éénigen troost, beide voor leven en sterven ?

EEN RUSTIGE ZONDAG
De Zondag die achter ons ligt was, door het onverwachte „benzine-verbod" aan het adres van automobilisten, een zoo stille, rustige Zondag, dat we onze oogen en onze ooren haast niet konden gelooven. Was 't nu waarheid en werkelijkheid, of was het gezichtsbedrog, was het misschien omdat we plotseling hoorende doof geworden waren ?
Anders een jagen en jachten op straat en langs de wegen door motorrijders en automobilisten, dat hooren en zien een mensch vergaat ; met levensgevaar voor kleinen en grooten, voor ouden van dagen, ma^r evengoed voor jongeren ; vooral door de woeste, gevaarlijke „Zondagsrijders". Men kan niet eens rustig naar de kerk gaan. De gevaren omringen de rustige kerkgangers overal en altijd.
Op de Coolsingel in Rotterdam staan 's Zondagsavonds altijd een onafzienbare rij luxe auto's, ten gerieve van bioscoop- en cafébezoekers ; veelal ook „buiten-menschen". De danszalen zijn dan vol van „boeren, burgers en buitenlui" van beider sexe. En niet één zijde van de Coolsingel staat dan vol, maar in dubbele rijen staan de luxe wagens (!!) en dan aan beide zijden van de royale boulevard. Pompenburgsingel is dan niet minder bezaaid met wagens ; en bij nacht en ontijd gaat het dan weer door de stad en langs de buitenwegen. De cafe's en de bioscopen zijn er goed mee. Maar de Zondag wordt er, zonder noodzaak, door bedorven.
Wat was het nu heerlijk stil en rustig. En eigenlijk vond ieder het ten slotte prettig. Wie men ook sprak, ieder gaf te kennen : wat zou het heerlijk zijn, als het altijd zoo was.
Ieder nu ja, ieder, dat moet met een paar uitzonderingen natuurlijk worden genomen. Want, dat begrijpt men zelf ook wel, niet ieder neemt met zoo'n stillen, rustigen Zondag genoegen. Er zijn menschen, die kunnen niet buiten vertier en vermaak, en die hebben natuurlijk niet weinig gemopperd. Maar wat óns — en duizenden anderen -- betreft : wij zouden het heerlijk vinden, als dat méér gebeurde, dat we zoo'n rustigen Zondag mochten hebben.
Natuurlijk weten wij wel, dat de Overheid niet alles kan. Vooral niet wat de Zondag betreft. Een gemengde bevolking, waar de gedachten en gevoelens aangaande den Zondag zoo sterk uit elkaar loopen, kan niet over één kam geschoren worden ; en de burgerlijke vrijheden, óók op Zondag, moeten worden geëerbiedigd. Maar na zoo'n rustigen, stillen Zondag, leeft toch weer sterk in ons hart : och, mocht er meer gedaan kunnen worden om de Zondagsrust beter te verzorgen en te verzekeren.
En vooral : mocht ons volk zelf meer voor deze dingen gaan gevoelen ! Want waarom moeten deze dingen nu alléén van de Overheid komen ? Moeten we ook in deze dingen hcelemaal leunen en steunen op de Overheid? En hebben we zelf nog een roeping en een taak ten opzichte van het volksleven ?
En het raakt hier de eere Gods ; maar zeker óók ons persoonlijk- en ons huiselijk leven ; en ons volksleven, dat zoozeer bedorven en verkankerd wordt door weelde, overdaad, losbandigheid — en dat vooral in deze dagen, die de oordeelen Gods in zich dragen en ons volk toch wel tot ernst en bezinning moeten roepen.
Beware de Heere ons land en ons volk — en neige Hij de harten van^ velen, in stad en dorp, tot de vreeze Zijns Naams, om Hem meer en meer te dienen naar Zijn Woord. Heerlijk, als de Zondagen daartoe meer mochten meewerken ten goede !

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 oktober 1939

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 oktober 1939

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's