WAT CALVIJN ONS LEERT
De biecht.
Calvijn laat het woord van Jacobus nog niet los. Belijdt elkander de misdaden en bidt voor elkander, op dat gij gezond wordt; een krachtig gebed des rechtvaardigen vermag veel, (Jac. 5 : 16).
Hier is duidelijk sprake van een belijden voor elkander, dus voor menschen. Daarom behoort dit ook ernstig te worden genomen, want het woord heeft natuurlijk een beteekenis voor de toepassing.
Daarover nu spreekt Calvijn.
Hij houdt deze belijdenis voor eene, die om onzentwil geschiedt. De bedoeling is n.l. dat wij elkander de zonden zullen belijden om vertroost te worden en om met raad en daad geholpen te worden.
Het komt toch voor, dat iemand het zoo moeilijk heeft met zijn misdaad en ongerechtigheid, dat hij geen rust kan vinden en behoefte beeft aan raad en voorlichting van andere menschen, die bekwaam zijn om die te geven.
Hij maakt daaraan nog een ander geval vast, niet om onzentwil, maar om des naasten wil.
Het tweede geval veronderstelt een toestand, waarin het belijden ter wille van den naaste geschiedt. Calvijn ziet op voldoening aan en bevrediging van den naaste b.v. wanneer deze in eenige zaak door ons beleedigd of benadeeld is geworden en derhalve redenen heeft om op ons verstoord te zijn. Dan is het noodig, dat wij hem belijden om te verzoenen.
Over het gebruik.
Vooreerst de vraag, voor wien zullen wij belijdenis doen.
Dat is een voorname vraag. Jacobus wijst geen bepaalden persoon aan. Dat is dus een zaak van vrije verkiezing. Men kiest daartoe den man, die men daartoe het meest bekwaam acht. Dat kan dus ook iemand zijn, die geen herder en leeraar is. Toch wijst Calvijn er op, dat in het algemeen gesproken de herders tot de meest bekwamen moeten worden gerekend.
Vooral uit dien hoofde is dat zoo, omdat zij geroepen zijn tot den dienst en ons van den Heere verordineerd worden, opdat wij door hen zouden worden onderricht aangaande de bestrijding der zonde en vertroost te worden.
Het ambt van onderlinge vermaning en bestraffing is inderdaad allen Christenen bevolen, maar den dienaren bijzonderlijk opgelegd, opdat zij de consciëntie zekerheid geven mochten van de vergeving der zonden.
De Schrift gaat zelfs zoover, dat zij gezegd worden de zonden te vergeven en de zielen te ontbinden. (Matth. 16:19 en 18 : 18, Joh. 20 : 23).
Wanneer iemand dus door zijn zonde wordt gedrukt moet hij de middelen door God bevolen niet .voorbijgaan, maar tot zijn herder en leeraar gaan, wiens ambt het is Gods volk in het openbaar en in het bijzonder te onderwijzen en te vertroosten.
Zulk een belijdenis moet echter vrij zijn en niet gedwongen.
Men moet ook iemand geen last opleggen noch list gebruiken om iemand te dwingen al zijn zonden op te biechten, maar alleen voor zooveel oorbaar is om een volkomen vrucht tot vertroosting te ontvangen.
Die vrijheid behooren de getrouwe leeraars niet alleen in acht te nemen, maar zij moeten die ook verdedigen en beschermen, opdat zij tyrannie en afgoderij weren.
Wat de tweede vorm van belijdenis voor menschen aangaat, daarover spreekt Christus bij Mattheus : Zoo gij dan uw gave zult op het altaar offeren, en aldoor gedachtig wordt, dat uw broeder iets tegen u heeft, laat uw gave voor het altaar en gaat henen, verzoent u eerst met uw broeder en komt dan en offert uwe gave. (Matth. 5 : 23, 24).
De verbroken liefde door onze schuld moet wederom worden gehecht door het bekennen en afbidden van onze misdaden.
Hieronder worden begrepen, zoo vervolgt Calvijn, degenen, die door hun zonde de gansche gemeente hebben geërgerd.
Want — zoo zegt hij —, als Christus de ergernis jegens een mensch zoo ernstig neemt, gelijk uit de aangehaalde plaats blijkt, zoodat hij van het altaar weert, die tegen zijn broeder heeft misdreven, totdat hij wederom verzoend is, hoeveel te meer reden is er, dat iemand, die de gansche gemeente ergert worde geweerd.
Lezen wij bovenstaanden tekst nog eens, dan zal het duidelijk zijn, dat Calvijn gelijk heeft.
Christus stelt daar iemand voor, die bezig is te offeren, dus deel neemt aan het religieuse leven of wil men aan een godsdienstige plechtigheid. En Hij zegt: laat af, ga weg. Ga u eerst met uw broeder verzoenen en kom dan weder.
Het is dus juist, als Calvijn zegt, dat Christus zulk eenen van de religie weert.
Brengen wij dat nu over van de Israëlietische plechtigheid op de Christelijke religie, dan moet volgen.dat de man, die tegen zijn broeder iets misdaan heeft, geen deel heeft aan de voorrechten der gemeente. Men zij dus gewaarschuwd, als men in zulk een geval meent ongestoord deel te kunnen nemen aan het Heilig Avondmaal en aan den Doop of die vraagt voor zijn kind. Het spreekt van zelf, dat het hier met name die heilige handelingen betreft. Men zal niet van den toegang tot de prediking worden geweerd. Dat is ook niet de bedoeling van Christus' woord, omdat het van een gave op het altaar spreekt.
En zoo constateert Calvijn uit deze vermaning van Christus, dat zulks nog veel meer van toepassing is op iemand, die door zijn handel en wandel de gansche gemeente ergernis geeft.
Daarbij verwijst hij naar 2 Cor. 2:6.
Zoo heeft men ook in de oude kerk gehandeld.
Dezulken werden vermaand en bestraft en eerst na belijdenis van schuld wederom opgenomen in de gemeente.
De sleutelmacht.
Zoo erkent Calvijn dus drieërlei vorm van belijdenis voor de menschen.
1. De belijdenis der gansche kerk door openbare bekentenis van haar zonde en schuld, en het gebed om vergeving.
2°. De bijzondere belijdenis, wanneer iemand de gansche gemeente ergernis geeft, en zijn leedwezen betuigt.
3°. Wanneer iemand in de onrust zijner consciëntie de hulp van den Dienaar des Woords noodig heeft en zijn zwakheid belijdt.In deze drie vormen wordt de sleutelmacht uitgeoefend. Haar kracht ligt echter alleen in de prediking des Woords door degenen, die daartoe geordineerd zijn, om in de harten der geloovigen openbaarlijk en in het bijzonder de genade des Evangelies te verzegelen.
* Zoo raakt Calvijn hier aan het vraagstuk der kerkelijke tucht, een stuk, dat onder ons haast vergeten en in ieder geval veronachtzaamd wordt tot groote schade voor het kerkelijk leven.
Het mag dan ook van belang heeten, daarop met klem te wijzen. Heel spoedig is men gereed om te wijzen op de kerkelijke organisatie. En nu is het wel waar, dat deze in den weg staat — wij spreken dus over de organisatie der Hervormde Kerk — aan de uitoefening der kerkelijke tucht op zulk een wijze, als overeenkomt met den eisch des Woords. Dat zal niemand ontkennen.
Wat is echter het gevaar ? Dat men die kerkelijke organisatie tot een zondebok maakt, waarop alle schuld wordt geworpen. De kerk moet tucht oefenen en de kerk kan niet of doet het niet. Het wordt zoo iets als de gemeenschap, die naar het zeggen van sommigen, alles moet doen en voor alles aansprakelijk is, maar wie is de kerk en wie is de gemeenschap ? Practisch komt dit er op neer, dat „anderen" het moeten doen, „anderen" aansprakelijk worden gesteld, en „anderen" de verantwoordelijkheid dragen, waaraan wij zelf een persoonlijk deel hebben. Het wordt op die wijze een afschuiven op anderen, die voor de kerk of de gemeenschap zouden moeten opkomen, terwijl wij werkeloos blijven.
Een algemeen begrip wordt onder den naam van de kerk, de organisatie, de gemeenschap, de staat e.d.g. ingevoerd, hetwelk niet meer is dan een idee, welke noch persoonlijkheid bezit, noch verantwoordelijkheid.
De feiten mogen niet worden ontkend, maar de waarheid ook niet. De organisatie der Hervormde kerk bedoelt zelfs de handhaving der Christelijke tucht naar eisch harer beginselen onmogelijk te maken, maar de waarheid eischt, dat de tucht niet wortelt in de organisatie, maar omgekeerd de organisatie in de tucht, m.a.w. de gehoorzaamheid des geloofs.
Wanneer deze laatste in meerdere mate werd gevonden en door een krachtig en nauwgezet leven des geloofs werd gesterkt, zou de openbare belijdenis de staketsels der organisatie spoedig overwinnen en de sleutelmacht in eere herstellen.
Bij de behandeling der kerkregeering zal aanleiding zijn om over deze zaken nader te handelen.
Calvijn is het ook in dit verband te doen om aan te toonen, dat de leer van de biecht, zooals de „theologanten van het Pausdom'' die verstaan, moet worden veroordeeld. Zij leeren, dat alle personen, van beiderlei kunne, minstens eens per jaar, al hun zonden zullen belijden voor hun eigen priester. Men zal een vast voornemen moeten hebben om te biechten, anders kunnen de zonden niet worden vergeven. Men kan in het Paradijs niet ingaan, tenzij dat voornemen wordt volbracht. Voorts, dat de priester de macht der sleutelen heeft om daardoor de zondaren te binden of te ontbinden. Dit steunt dan op het woord van Christus in Matth. 18 vs. 18 : Al wat gij op de aarde binden zult, zal in den hemel gebonden wezen, en al wat gij op de aarde ontbinden zult, zal in den hemel ontbonden wezen.
De verschillende opvattingen en verklaringen van de sleutelmacht laten wij rusten, omdat dit gevoegelijk achterwege kan blijven. Calvijn zegt er nog iets van, en dat kan zijn aanleiding hebben in de omstandigheid, dat de menschen van zijn tijd bij de Roomsche biecht waren opgevoed.
Hij merkt daartegen o. a. op, dat den priesters het woord bij Jesaja niet onbekend is geweest, waar de Heere spreekt : Ik, ik ben de Heere, en daar is geen heiland behalve Mij. Ja, ik ben het, die uwe overtredingen uitdelg, o Israël. (Jes. 43 vs. 11—25).
Derhalve kunnen zij niet naar waarheid meenen, dat het den priesters zou toekomen de zonden te vergeven.
Zij oordeelen echter, dat het den priester toekomt te oordeelen, wie gebonden of ontbonden zijn, en te verklaren, wier zonden vergeven of gehouden zijn en dat hij zulks verklaart, of door de biecht, als hij de zonden vergeeft en behoudt, óf door het vonnis, wanneer hij verbant of tot de gemeenschap der sacramenten opneemt.
Deze redeneering is echter niet steekhoudend, omdat telkens weer de zonden vergeven worden aan personen, die zulks onwaardig zijn. Denzulken zijn de zonden niet vergeven in den Heere.
Doch, wat antwoordt men daarop ?
Dit, dat de vergeving, door de priesters gedaan, aan het voorbehoud wordt gebonden, dat het vonnis der priesters rechtvaardig en voor den rechterstoel van Christus goedgekeurd moet zijn. Dit voorbehoud neemt dus in beginsel de beteekenis van zulk een biecht weer weg, daar de zekerheid der vergeving twijfelachtig wordt gemaakt.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 oktober 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 oktober 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's