De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCHOUW

22 minuten leestijd

NAAR HET NIHILISME?
Bij vele menschen komt een geestelijke verwarring, die tot vertwijfeling leidt, daar zij het leven niet meer verstaan. Wel zien velen: de band met God is gebroken, zoo leidt de weg naar het Nihilisme : het wegvallen van alle waarden !
Het is Nietzsche geweest, die 't eerst op dit Europeesch Nihilisme de aandacht heeft gevestigd : het verval van alle waarden. De crisis der Europeesche cultuur komt voort uit het wegvallen, het vervallen of verzakken, van de oorspronkelijke Christelijke geloofsmotieven, waaruit de cultuur werd geboren. De critiek heeft zich op het dogma geworpen en het in twijfel getrokken. De rationalistische Bijbelcritiek heeft meer in 't bijzonder het geloof in de historiciteit der „heilsfeiten" ondergraven. Door de 18de eeuwsche verlichting en haar uitloopers in de 19de eeuw, is het fundament der cultuur ondermijnd. Het gevolg is — aldus Nietzsche — dat de moraal, die gebaseerd was op de Christelijke religie, steeds meer „in de lucht kwam te hangen". En de vraag, waarvoor de denkende vertegenwoordigers der cultuur dan komen te staan is deze : hoe moet men leven in en met een cultuur, waarvan de grondslagen zijn ondermijnd ? "
„ledere zuivere moreele waardebepaling , loopt uit op Nihilisme — zegt Nietzsche — „zie maar b.v. op het Boeddhisme".
„Dit staat Europa te wachten. Men meent, dat men het kan stellen met moralisme zonder religieuzen achtergrond ; maar daardoor wordt de weg naar het Nihilisme noodzakelijk".
Nietzsche zelf heeft aan dat Nihilisme meegewerkt. En het gaat hier niet slechts om een cultuur-aangelegenheid, maar om de beteekenis der eeuwige waarheden. En dat moet uitloopen op Nihilisme. Gods Woord zegt het ons, dat we dan niets, maar dan ook niets overhouden.
Het Evangelie verwerpen sluit in zich het verwerpen van alle wezenlijke waarden. Mr. Groen van Prinsterer wees er reeds op in zijn bekend boek : „Ongeloof en revolutie", waar hij de revolutie, als verwerpen van alle wezenlijke waarden, noemt het gevolg van de Evangelie-verwerping.
„De Evangelische waarheden, wier onmisbaarheid nooit treffender dan in hun gemis bleek, zijn geen mysteriën, waarin men, door diepzinnigheid of lichtzinnigheid eener menschelijke filosofie, ingewijd wordt ; het zijn de verborgenheden, welke de Heere den nederige en zachtmoedige bekend maakt. Het zijn de waarheden welke, even stellig als eenvoudig, in de Heilige Schrift uitgedrukt zijn : vrede door het bloed des Kruises ; een offer, waardoor het rantsoen voor velen betaald is ; verandering des harten, zichtbaar in de werkzaamheid der liefde en in het licht der goede werken. Die waarheden zijn het voorwerp van veelsoortige bestrijding nu, waarvan de Zaligmaker zegt : „Ik dank U, Vader ! Heere des hemels en der aarde ! dat Gij deze dingen voor de wijzen en verstandigen verborgen hebt, en hebt ze den kinderkens geopenbaard".
Het kinderlijk aannemen dezer dingen is eerste voorwaarde om de verborgenheden der wetenschap te verstaan en het geloof overwint de wereld.
„Welnu" — zoo zegt De Standaard — „dit moet weer door het diepgevallen Europa worden verstaan, zal er ontkoming zijn aan de bedreiging van het Nihilisme, dat thans zoovelen verschrikt".
Tot de Wet en de Getuigenis — anders zullen we geen dageraad hebben !

ALLE MORAAL WEG!
In 1935 verscheen van de hand van prof. dr. J. Huizinga het boek : In de schaduwen van Morgen. Daar wordt gesproken over de verwording der zedelijke beginselen en begrippen en van Staten, die alle moraal op zij zetten, om eenvoudig hun eigen zin te doen, hun eigen weg te volgen en hun eigen belang te zoeken, ook, als 't moet, ten koste van andere Staten. Met het oog op Duitschland wordt dan gezegd, dat er staatkundige theorieën zijn, die bijna zonder uitzondering daar beleden en aanvaard worden. En het wordt dan (blz. 108) nader aangeduid als volgt : „Het spreekt voorts vanzelf, dat aangezien elk belang van machtsuitbreiding ter beoordeeling blijft van den Staat zelf en altijd als bestaansvoorwaarde te interpreteeren valt, de overweldiging van een kleinen Staat door een grooten louter een kwestie wordt van wensch en gelegenheid".
De moderne moraal vertolkt Hans Freyer, een bekend Socioloog, aldus : de eerste bestaansvoorwaarde voor den Staat is, zich een sfeer te scheppen van verovering. „Hij moet veroveren om te bestaan". Prof. Huizinga zegt : Bondiger ontkenning van het recht van bestaan van den kleinen Staat is niet mogelijk. Volgens dergelijke theorieën komt den Staat in de meest volstrekte mate de beslissing toe, wanneer en hoe den vijand te bevechten. Beoordeeling naar de maatstaf van goed en kwaad komt niet te pas. De Staat is niet ondergeschikt aan de moraal : hij bepaalt zelf v^'at goed en kwaad is, of liever, wat hem voordeelig is, en daarmee uit. En zoo krijgt de Staat een eigen moraal, naast de grondslagen van het ware goede.
Men duldt het niet, dat de Christenen dan spreken van de beginselen, die zijn naar Gods Woord, dat zij spreken van een levens- en wereldbeschouwing, waarbij wèl rekening gehouden moet worden met de vraag van goed en kwaad. De leer van het zelfstandig politiek leven van den Staat is nu eenmaal anders, en daarmee uit. „Het wordt een sanatisme, dat het kwaad tot richtsnoer en vuurbaken heeft".
Dit werd in 1935 door prof. Huizinga als „een theorie der verschrikking" in zijn somber boek beschreven. En in 1939 wordt het in al de verschrikking eener „amoreele" practijk aanschouwd. Men houdt er eenvoudig geen moraal meer op na. „Toetst men de algemeen gangbare hedendaagsche overtuigingen aangaande goed en kwaad aan het Christelijk beginsel, dan blijken de grondslagen van het Christendom te zijn prijsgegeven over een veel grootere linie" dan men vaak meent.
Hoe noodig is het voor Christus' Kerk en haar belijders op haar wachtpost te staan — zeggen we ds. Van Dijk na, die hierover schrijft in Noord-Hollandsch Kerkblad.

DE STRIJD OM DEN BIJBEL OP DE SCHOOL (1)
De Schoolstrijd is in hoofdzaak de strijd om den Bijbel op de School geweest. En de historie bewijst, dat de Openbare- of Overheidsschool is geworden een School, waar noch Bijbel, noch bijbelverhaal meer tot de leerstof behoort. Vroeger, in de dagen van de Republiek, vlak na de Hervorming, was het geen vraag : of de Bijbel op de School zou gebruikt worden. De School was van de Overheid en de Overheid oordeelde, dat de Bijbel op School thuis hoorde. Natuurlijk, want de Nederlandsche Staat had, na de Reformatie, een Christelijk karakter, dus sprak het vanzelf. De Overheid schreef het voor en liet er de hand aan houden. Het ging — zoo stond in een Schooierde van 1612 — „om de jeugd wèl op te voeden in de vreeze Gods". Men meende dat dit Staatszaak was en de Overheid zorgde er voor. De „hoofdstukken des Christelijken geloofs, uit Gods Woord", moesten geleerd worden.
De School ging niet uit van de ouders ; daarvan had men toen geen begrip ; de Staat zorgde er voor. De School ging ook niet uit van de Kerk — hoewel dat méér voor de hand zou liggen, dan dat de Staat onderwijs geeft — maar de Kerk besefte er groot belang bij te hebben en zorgde mee. Bekend is, dat in de 17de zitting van de Dordtsche Synode expresselijk en uitvoerig is gehandeld over het Schoolonderwijs aan de kinderen des volks (die officieel allen als Protestant en wel van de Gereformeerde religie gerekend werden) te geven. Ook toen werd besloten, dat men zou omzien naar vrome schoolmeesters, opdat de kinderen „neerstelycken in de fondamenten der ware Religie onderwesen ende met Godsaligheyt vervult moghe worden". Typisch is, dat de Synode meer den nadruk legde op het leeren van den Catechismus, dan op het lezen van den Bijbel. Niet, natuurlijk, omdat onze Gereformeerde Vaderen den Catechismus stelden boven den Bijbel. Want Gods Woord alleen heeft onder ons volstrekte autoriteit, en de Catechismus niet. Maar het was, omdat de Catechismus als een leerboekje bedoeld was, voor de eenvoudigen in de Gemeente en voor de kinderen op de Scholen. Het was bedoeld, om het ook werkelijk te „leeren", ten grondslag van het Christelijk geloof.
In verschillende boeken kwamen ook stukken uit den Bijbel voor, om bij de leesles gebruikt te worden.
Natuurlijk is dit alles zoo niet gebleven, zooals b.v. ook de toestanden van de eerste dagen na de uitstorting van den Heiligen Geest niet blijvend zijn geweest in de Christelijke Kerk. In de 18e eeuw kwam het meer en meer uit, dat de éénheid onder het volk inzake het Gereformeerd geloof, niet meer bestond (als ze er in werkelijkheid ooit geweest is? ). En de Regenten waren niet meer van de ware religie. En de schoolmeesters waren niet meer „de vrome mannen"(? ) van vroeger. En de huisgezinnen liepen in deze niet meer zoo gewillig (? ) mee als vroeger. Het werd heel anders, omdat er andere gevoelens in de menschen openbaar werden, onder invloed van allerlei onchristelijke of anti-christelijke stroomingen. Algemeen was men geïnfecteerd door de rationalistische ideeën —• men sprak van „het gezond verstand" — uit het buitenland ook onder ons volk algemeen verspreid en met vreugde begroet. Men dronk die „nieuwe filosofie" in als water ! De magistraten, die veelal uit eerbied aan de traditie — want het formalisme nam in de Kerk en daar buiten schrikbarend toe, waarbij men alleen nog maar vasthield aan uiterlijke dingen inzake het geloof — nog in de schoolverordeningen spraken van „de Christelijke religie", wisten wel, dat vele onderwijzers niet consciëntieus genoeg waren „om Christus te leeren" aan de kinderen (zooals het heette). De ideeën van Locke, Rousseau en van de Philantropynen, drongen overal door ; en vooral in de 2de helft van de 18e eeuw werd het heel erg. Men schudde alle „ware geloof" uit en hoogstens werd de Bijbel nog genoemd een „leesboek, om lezen te leeren", hoewel men ook daartegen veelal bezwaar maakte, omdat men den Bijbel liefst niet in handen zag van de kinderen, omdat hij de ware religie en de ware zedelijkheid veelszins in den weg stond !
Een' roep om schoolhervorming en onderwijsvernieuwing werd gehoord (er is niets nieuws onder de zon !), en „de vorming van het verstand" werd het voornaamste geacht. Daarmee kon het kind later vooruit komen in de wereld, maar met die andere dingen niet. Het ging om het „weten", om „kundigheden". En ook op godsdienstig gebied ging het om de „natuurlijke godsdienst", uit de rede èn uit de Schrift geput ; maar dan zóó uit de Schrift, dat alleen wat „redelijk" verstaan en met het verstand begrepen kon worden, als 't echte Godswoord werd beschouwd. Het andere legde men naast zich neer, omdat de hóoggevoelende mensch niet beliefde aan te nemen en te gelooven, wat hij met zijn „gezond verstand" niet kon verwerken en verklaren en bewijzen. Men moest van „het denkend deel der natie" (en dat was groot) niet denken, dat dit genoegen nam met gelooven, als men het niet „begrijpen" en „bewijzen" kon. De z.g.n. bewijzen voor het bestaan van God deden b.v. toen opgeld !
De Schoolautoriteiten begonnen meer en meer te verklaren, dat de Bijbel wel op de School moest zijn, maar dat de Bijbel toch eigenlijk voor de lagere school ongeschikt moest worden geacht. De schoolopziener ds. A. Hulshof (1734—1794), Doopsgezind predikant te Amsterdam (een man, die verschillende wijsgeerige, godgeleerde en opvoedkundige verhandelingen geschreven had, waarvan sommige zelfs „bekroond" waren), schreef, dat men het verstand en het hart van een kind bestieren moet om het te eeniger tijd een nuttig en gelukkig mensch te doen worden (1765), meende, dat de Bijbel daarvoor ongeschikt was. Wel bleef nog lang b.v. het bekende vragen-boekje van ds. Borstius, maar ook dat ging boven het „verstand" van het kind en alles werd te „formalistisch" geoordeeld, met gevolg, dat de Bijbel hoe langer hoe meer verdween van de School, en waar de Bijbel nog gebruikt werd, was het een „verstandelijk" redeneeren, met humanistischen of deïstischen inslag. Het werd hoe langer hoe meer „de brave, gave, deugdzame, goedwillige mensch", met een supra-naturalistischen godsdienst, waarbij de mensch altijd het recht aan zichzelf hield en niet van het laatste woord wilde afzien. Vooral ,, de houding tegenover den Bijbel" werd meer en meer bedenkelijk en schadelijk. De Fransche Revolutie heeft dat alles in de hand gewerkt, en weldra kwamen er weer andere toestanden hier in de School, waarbij de strijd om de School beheerscht werd door den strijd om den Bijbel, naar veler oordeel geen boek zijnd voor de lagere school en de éénheid van het volk in den weg staande !
Zoo hebben de didactische en paedagogische bezwaren van de Schoolhervormers — aldus dr. D. Langedijk in „Antirevolutionaire Staatkunde" (Mei 1939) en de anti-Christelijke geest van de Fransche Revolutie, die de scheiding van Kerk en Staat heeft veroorzaakt, beide medegewerkt, om een proces te stimuleeren, dat de godsdienstloosheid van de Staatsschool tot gevolg gehad heeft. (blz. 214)
(Wordt voortgezet.)

DE ONRECHTVAARDIGE RENTMEESTER.
In Lucas 16 lezen we de gelijkenis van den onrechtvaardigen rentmeester — in den vorm van een gewoon verhaal, aan het aardsche leven ontleend — die licht moet werpen op de dingen van Gods Koninkrijk. En in Gods Koninkrijk gaat het niet langs kromme, maar langs rechte wegen, en niet met slechte, maar goede practijken.
Hoe zit dat dan met dien onrechtvaardigen rentmeester, die hier geprezen wordt ?
Waarom wordt hij geprezen ? Dat moeten we goed onderscheiden, want anders varen wel hier vast. Waarom wordt die „onrechtvaardige rentmeester" geprezen? Om de wille van zijn onrechtvaardigheid? Immers neen ! Letterlijk staat er : „En de heer prees den onrechtvaardigen rentmeester, omdat hij: voorzichtig gedaan had".
De voorzichtigheid is het punt in kwestie ; de waakzaamheid en de voorzichtigheid. En die waakzaamheid en voorzichtigheid worden aan de kinderen des lichts aangeprezen, terwijl zij dikwijls bij de kinderen der wereld kunnen opmerken, dat die méér waakzaam en voorzichtig zijn, dan zij !
Als men nu eens leeren mocht, om in deze gelijkenis die woorden te onderstrepen : „omdat hij voorzichtig gedaan had". Dan zouden we een heel stuk vorderen bij de uitlegging van deze gelijkenis, die toch mee bedoelen moet, om de kinderen Gods te onderwijzen voor hun weg en wandel, voor hun gaan en staan, voor hun leven en sterven. En dan kan het nooit zijn, dat ze verwezen worden naar „onrechtvaardigheid" ; maar wel worden ze verwezen naar : voorzichtig handelen ï Naar: waakzaamheid en 'bedachtzaamheid !
De geschiedenis is bekend. De rentmeester heeft het vertrouwen van z'n meester beschaamd en krijgt z'n ontslag. Maar wordt niet „op staanden voet" weggezonden. Hij krijgt nog eenigen tijd om orde op de zaken te stellen, ook voor zich zelf ; anders zou de heer hem aanstonds als een hond hebben weggejaagd. Is de mensch óók niet als rentmeester door God geschapen en over alles in het huis des Heeren gezet ? En heeft ook de mensch z'n rentmeesterschap niet misbruikt ; en is hij niet uitgejaagd uit het paradijs — om nu de dagen te mogen en te kunnen gebruiken, die God hem nog laat onder de verkondiging van het Evangelie ? Moet hij nu „onrechtvaardig" handelen ? Neen, en nogmaals neen ! Maar wel moet hij voorzichtig handelen, waakzaam en werkzaam zijnde ; bedachtzaam op wat dienen kan tot leven en vrede !
De rentmeester is ontslagen en gaat naar de pachters, die jaarlijks een deel van den akker en van den wijngaard aan hun heer moeten betalen, dat beschreven is. Dat laat de rentmeester door hen veranderen en verminderen, zoodat ze jaarlijks daardoor ontzaglijk veel voordeel zullen hebben ; jaar na jaar, omdat de getallen in het contract naar beneden zijn gebracht !
Dat is het „onrechtvaardige'^ en dat prijst de heer niet ; natuurlijk niet. Maar het voorzichtig handelen met het oog op gansch zijn verder leven — waar hij deelen zal in de gunst van de pachters, die jaar op jaar door hem bevoordeeld worden — dat prijst de heer.
Dat hij waakzaam en bedachtzaam was op zijn toekomst, en zijn toekomst zich zocht te verzekeren, weldadigheid ontvangend van de pachters, door hetgeen hij aan hen gedaan had. Bij eiken oogst zal men hem de olie en de vruchten brengen. Dat zal zijn jaarlijksch inkomen zijn. Want de pachters zullen zeggen : hij heeft óns bevoordeeld, nu zullen wij hem weldadigheid bewijzen. Voor wat, hoort wat. Zij zullen! voor hem zorgen — zij zullen hunne huizen voor hem openstellen, zij zullen hem onderhouden in het leven.
Als de heer dat hoort, prijst hij hem. Natuurlijk niet om zijn „onrechtvaardigheid"; neen, de lof des heeren is niet onvermengd ! Maar hij prijst hem : om zijn voorzichtig handelen !
Die zwarte vlek blijft. Die wordt niet geprezen, niet vergoelijkt. Maar wat geprezen wordt is : omdat hij zoo bedachtzaam, zoo waakzaam, zoo voorzichtig is geweest, te midden van zijn grooten nood, waardoor hij nu leven kan, en vriendelijkheid ontvangt van z'n medemenschen, die hij weldadigheid bewees.
Dat is de draad, die we moeten vasthouden in de gelijkenis, dat een gelijkenis is, en met één voornaam ding naar voren komt, in betrekking tot het Koninkrijk Gods.
Niet de onrechtvaardigheid brengt de gelijkenis naar voren. Natuurlijk niet. En dan mogen wij het óók niet doen. We moeten de gelijkenis nemen, waartoe de gelijkenis gegeven is. Doen we anders, dan misbruiken we de gelijkenis en miskennen de bedoeling van den Heere Jezus.
Het gaat om de deugd der voorzichtigheid ! „De heer prees den onrechtvaardigen rentmeester omdat hij voorzichtig gedaan heeft". En datgene, wat op zichzelf genomen, zoo handig en verstandig, zoo voorzichtig en bedachtzaam geweest is, wordt ernstig aangeprezen aan de kinderen des Koninkrijks, aan de kinderen des lichts, die dikwijls ten opzichte van hun leven, van hun vreugd, van hun welzijn veel te onhandig en veel te onvoorzichtig en veel te onbedachtzaam en veel te weinig werkzaam zijn ! Wat heusch niet te prijzen is. Wat inderdaad te laken, af te keuren, te bestraffen is. Wat wij hebben, is een rijkdom, die ons niet toekomt ; die we verbeurd hebben, waarop we geen recht hebben.
Besteden wij het als „rentmeester" ?
En wat moeten we dan doen met die goederen die ons niet toekomen, verzondigd en verbeurd zijnde ?
Ook zij moeten den korten tijd, dat zij nog het beheer hebben over dat goed, zoo besteden, dat zij er vreugd door ontvangen van degenen, waarmee ze omgaan. Ze moeten weldadigheid bewijzen aan anderen, vriendelijkheid. Ze moeten helpen en bijstaan, die hun hulp en bijstand van noode hebben. Zij moeten hun hulpbehoevende broeders en zusters handreiking doen. Dan zullen degenen, die geholpen worden, met vriendelijkheid betalen hun dankbaarheid ! Ze zullen in hun huizen vriendelijk worden ontvangen en wederdiensten der liefde zullen het leven veraangenamen.
En neen, ze zullen er den hemel niet mee verdienen. Dat is voor de geloovigen genadegoed, in en door Christus verkregen.
Maar ze zullen er wèl vriendelijkheid en liefde door verwerven in hun leven.
En in den hemel zullen ze er nog blijdschap door smaken ; ja, hun vreugd en zaligheid zal er door verhoogd worden.
Want de Heiland kent Zijn kinderen, die als rentmeesters hier hebben te leven, bij goed, dat verbeurd is en verzondigd, maar dat zij hebben te gebruiken tot eere Gods en tot heil en vreugd voor den naaste, vooral voor den arme, die hulp en bijstand zoozeer van noode heeft.
De Heiland weet van dien dronk koud waters en van die handreiking hier en van die gift daar en van dat vriendelijke woord in dit gezin, en van die bijstand in dat gezin.
De Heiland weet het en zal de Zijnen prijzen in den dag des oordeels. En ze zullen in den hemel stralende blijdschap zien bij degenen, die ze daar zullen ontmoeten ! Ze zullen ze juichend welkom heeten, met de en­ gelen, allen, die God hebben liefgehad en hun naaste weldadigheid hebben bewezen.
Zijn wij wel voorzichtig, bedachtzaam, waakzaam, ijverig in goede werken, om ons leven meer licht en meer vreugd te verschaffen, om onzen ingang in den hemel met meer blijdschap te doen zijn, onder het oog van Hem, die een dronk waters meetelt en die de gave der weduwe prijst, al is het maar een penningske !
Het is voor den Heiland niet te min om er naar te zien, om er op te letten, om het te onthouden, om het te bewaren tot in den dag des oordeels ! Zal Hij ons prijzen straks : omdat we als Zijn rentmeester voorzichtig hebben gehandeld ?
[Zie : dr. H. A. van Andel : De verborgenheden van het Koninkrijk Gods, Deel H, blz. 33—46.]

NA-KLANKEN UIT DE SYNODE (3)
Huwelijksinzegening na echtscheiding geoorloofd. Daarover spreekt prof. Korff verder in zijn artikel in „Kerkopbouw".
„Bepaald teleurgesteld heeft de houding van de Synode bij de kwestie : of het al dan niet geoorloofd is een huwelijk in te zegenen, waaraan een echtscheiding is voorafgegaan. De Kerkeraad van Oegstgeest had deze zaak aan het rollen gebracht door een aantal vragen, die in 1936 door het Classicaal Bestuur van Leiden bij de Synode waren overgebracht. Nadat deze vragen wat heen en weer geschoven waren tusschen Synode, Synodale Commissie en Ned. Herv. Vereeniging voor geestelijke volksgezondheid, had ten vorigen jare prof: Sevenster in de Synode een uitnemend rapport uitgebracht over de Nieuw-Testamentische gegevens in dezen. In aansluiting daaraan had de Synode de meening der kerkelijke hoogleeraren in de Chr. Zedekunde gevraagd. Dezen waren tot een eenstemmig oordeel gekomen, hetwelk was neergelegd in een door prof. Berkelbach van der Sprenkel opgesteld rapport. Het rapport liep uit op het voorstel : om de kerkelijke inzegening van personen, van ,, wie een vorig huwelijk niet door den dood ontbonden is, te verbieden".
„Ik had zeker niet verwacht" — aldus prof. Korff — „dat dit voorstel er met vlag en wimpel door zou gaan, maar dat in de geheele Synode verder niemand er zich vóór verklaarde, heeft mij toch wel zeer bevreemd. Men hield zich aan de gedachte : dat in elk zich voordoend geval de betrokken predikant zeer wel kan onderzoeken, of de echtscheiding op toelaatbare gronden heeft plaats gehad".
„Deze gedachte moet naar mijn meening een fictie heeten", aldus prof. Korff. Die dan ook besluit met deze woorden : „Een regeling wordt dus niet getroffen, alles blijft overgelaten aan de prudentie der plaatselijke Kerkeraden en predikanten".

DE KINDERDOOP VERBOND EN DOOP (20)
Wormser, die een zoo warm verdediger is is van de Kinderdoop, op grond van het Verbond Gods, haalt dan ten bewijze óók aan wat de Ned. Geloofsbelijdenis zegt in Art. 34. De Anabaptisten of Wederdoopers, zegt die Belijdenis, verdoemen den doop van de kinderkens der geloovigen ; „dewelken wij gelooven" (aldus de Belijdenis) „dat men behoort te doopen en met het merkteeken des Verbonds te verzegelen, gelijk de kinderkens in Israël besneden werden, op dezelfde beloften, die onzen kinderen gedaan zijn". „En voorwaar, Christus heeft Zijn bloed niet minder vergoten om de kinderkens der geloovigen te wasschen, dan Hij gedaan heeft om de volwassenen. En daarom behooren zij het teeken te ontvangen en het sacrament van hetgeen Christus voor hen gedaan heeft; gelijk de Heere in de Wet beval hun mede te deelen het sacrament des lijdens en stervens van Christus, kort nadat zij geboren waren, offerende voor hen een lam, hetwelk was een sacrament van Jezus Christus. Daarenboven hetgeen de besnijdenis deed aan het Joodsche volk, dat doet de doop aan onze kinderen ; hetgeen de oorzaak is waarom de heilige Paulus den doop noemt de besnijdenis van Christus".
Niet minder duidelijk en krachtig spreekt onze Heidelb. Catechismus in het antw. op vraag 74 (Zondag 27), waar gevraagd wordt: „Zal men ook de jonge kinderen doopen ? " We lezen dan als antwoord : „Ja, want mitsdien zij zoowel als de volwassenen in het verbond Gods en in Zijn gemeente begrepen zijn, en dat hun door Christus' bloed de verlossing van de zonden en de Heilige Geest, die het geloof werkt, niet minder dan den volwassenen toegezegd wordt, zoo moeten ze ook door den doop als door het teeken des Verbonds der Christelijke Kerk ingelijfd en van de kinderen der ongeloovigen onderscheiden worden, gelijk in het Oude Verbond of Testament door de besnijdenis geschied is, voor welke in het Nieuwe Verbond de doop ingezet is".
„De leer der Gereformeerde Kerk geeft dus geenerlei aanleiding tot bekrompenheid", aldus Wormser. „Neen, de thans bij zoovele Gereformeerden heerschende bekrompenheid behoort niet in de Gereformeerde Kerk, maar onder de dwalingen der Wederdoopers". „Die bekrompenheid spruit voort uit een geheele miskenning van het genadeverbond, waardoor de Doop, óók die van volwassenen, alle beteekenis verliest, en de aard van het geloof en het karakter der godzaligheid onkenbaar, en onzeker worden, vermits niets goeds is of waarde heeft, alvorens men op een buitengewone wijze van zijn verkiezing verzekerd is".
Wormser betreurt die bekrompenheid ten zeerste, omdat hij ziet en weet en voelt : „Niet één op twintig van de bekrompen richting, die het hierin met de Vaderen eens is, omdat het denkbeeld zelfs van het genadeverbond, hetwelk zij altoos met de praedestinatie verwart, bij haar bijna verloren is gegaan".
„Die richting" — zoo vervolgt Wormser — „heeft natuurlijk voor de pasgeboren kinderen niets : geen verlossing, geen beloften, geen genadeverbond. Zij heeft ook niets voor de opvoeding van het opkomend geslacht, want zij heeft geen gronden om aan te manen tot geloof en bekeering. Immers, wat moet men gelooven, waar men niet gerechtigd is - te gelooven, dat Christus zijn Zaligmaker is, alvorens men weet uitverkoren te zijn ; en hoe zal men zich bekeeren, waar men niet verzekerd is onfeilbaar vergeving van zonden te zullen vinden ? "
„Hoevele godvruchtige zielen, die alle reden hebben zich te verheugen in de genade, aan hen geschied, loopen niet tientallen van jaren en zelfs tot in hoogen ouderdom, in donkerheid en troosteloosheid daarhenen, omdat hun, in strijd met de leer der Kerk, geleerd wordt, niet in het genadeverbond, maar vooral en uitsluitend en het eerst in de praedestinatie hun behoudenis en vertroosting te zoeken !"
„Bij de Vaderen" — zegt Wormser — „en zelfs bij de Dordtsche Vaderen, door de vrijzinnigen zoo dikwijls, maar ten onrechte, van 'bekrompenheid beschuldigd, was dit anders ! De Gereformeerde Kerk erkent deze richting dan ook niet als de hare. Want bij haar is altoos het genadeverbond de hoofdzaak, de groote vastigheid van het geloof, de overvloeiende bron van troost, en de krachtige hefboom tot evangelische heiligheid ; en langs geen anderen weg, dan dien des geloofs in dat genadeverbond, leidt de Gereformeerde Kerk de geloovigen, om hun roeping en verkiezing vast te maken ; dat is, óp te klimmen tot hun praedestinatie of uitverkiezing".
(Wordt voortgezet.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 oktober 1939

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 oktober 1939

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's