MEDITATIE
Nu dan ook, spreekt de Heere, bekeert u tot Mij met uw gansche hart, en dat met vasten en met geween en met rouwklage; en scheurt uw hart en niet uwe kleederen, en bekeert u tot den Heere uwen God; want Hij is genadig en barmhartig, lankmoedig en groot van goedertierenheid, en berouw hebbende over het kwade. Joel 2 vers 12 en 13.
EEN OPROEP TOT BEKEERING
Waarde lezers, het is een ernstige en benarde tijd dien wij doorleven. Het is niet noodig, dat wij u dat teekenen, het is overbekend genoeg. Ook al mogen wij gespaard blijven voor het leed en de ellende en de schrijnende nood van den oorlog, waaronder de oorlogvoerende volken gebukt gaan en geslagen worden, zoo gevoelen wij ook den weerslag daarvan in allerlei, wat ook ons volk treft. De Heere heeft ongetwijfeld een twist met de volken en vaart met Zijn gerichten over de aarde.
Dit mag ons niet zonder uitwerking voorbijgaan, want het heeft ook ons wat te zeggen. De Heere komt met Zijn geeselroede de zonde straffen en bezoeken. Dat wij toch niet in farizeeschen eigenwaan meenen, dat het niet om onze zonden, ook van ons persoonlijk zou zijn! Wij maken deel uit van een volk, dat, evenals de anrdere volken, aan allerlei zonden tegen den Heere schuldig staat.
Waar wordt gezien een vragen naar de geboden des Heeren, werden en worden zij niet als met voeten getreden ? Lichtzinnigheid, dartelheid en allerlei goddeloosheid worden ook onder ons volk maar al te zeer, helaas, gevonden. Ook nu, te midden van den ernst des tijds. Wat kwam er b.v. van den dag des Heeren terecht ? Wat een Zondagsontheiliging werd den iaatsten tijd gezien, benauwend voor hen, die den Heere mogen vreezen! Wij waren en zijn niets beter dan andere volkeren. En dat, waar hier de Heere zoovele bemoeienissen met ons volk gemaakt heeft, zoodat het eenmaal is genoemd — zeker niet geheel ten onrechte — „het Israël van het Westen".
De Heere heeft ons, ons volk in dit alles wat te zeggen! Wat Hij daarin te zeggen heeft, hebben wij saamgevat naar den inhoud van bovenstaanden tekst als : een oproep tot bekeering.
O, dat wij gehoor mochten geven daaraan en het onder ons een gezegende uitwerking mocht verkrijgen! Dan zou ook gezien en ervaren worden, wat onze tekst verder bevat, dat van Gods ontferming getuigt, temidden van Zijn oordeel en richten. Gaan wij dit eens een oogenblik na.
De profeet Joel moest aan het zondige Israël het oordeel Gods aankondigen, zooals zeer duidelijk uit het teksthoofdstuk blijkt, en waaraan gij goed zult doen, dit eens met aandacht door te lezen. De Heere zal in Zijn toorn opwaken en naar Zijn heilig recht Israels zonden bestraffen.
Maar als de profeet dit oordeel aangekondigd heeft, dan zegt hij niet hardvochtig en onmeedoogend : en nu is er geen uitweg meer. Neen, hij wijst den weg, waarin ontkoming aan dat oordeel is te verkrijgen. Daarom roept hij met heiligen en dringenden ernst: Bekeert u.
Ziet, dat is het wonder van Gods genadige ontferming, dat Hij nog tijd geeft tot bekeering. Dat is ten allen tijde waar, wanneer de Heere Zijn gerichten zendt en vooral, wanneer Hij, daarmede dreigt.
Bij dit laatste, opdat Hij Zijn roede nog zou inhouden, bij het eerste, wanneer Hij met de roede reeds slaat, opdat deze zou worden weggenomen.
Het is nog het heden der genade. Dit geldt ook thans. Hebben de oordeelen Gods reeds lang gedreigd, gingen zij reeds over ons heen en worden zij .thans uitgevoerd, het is alles om ons te vermanen tot bekeering.
Bekeert u nu. 't Kan geen uitstel lijden, 't is hoog tijd. Bekeer ing, 't wil zeggen, dat wij met zonden, zondigen levenswandel, zondige gewoonten breken.
Bekeert u tot Mij. Velen bekeeren zich op zijn best van de zonde tot de deugd. Onder den indruk van allerlei leed en ellende, willen velen soms nog wel wat ingetogener voor een tijd leven. Is het leed en de ellende wat voorbij, dan zijn zij de oude knechten weer. Dat is slechts een halve, een uiterlijke, een schijnbare bekeering. De ware bekeering leidt tot den Heere. Het doet den waarlijk 'bekeerde vragen naar den goeden welbehagelijken en volmaakten wil Gods.
Het doet in waarheid vragen : Heere, wat wilt Gij, dat ik doen zal ? Het doet zien in het licht van Gods heiligheid en dan dringt het tot de waarachtige vreeze Gods. Het doet niet dienen in schijn of om loon, maar uit liefde tot en naar God.
Opdat er nu geen vergissing zou bestaan, heet het ook : met uw gansche hart.
De Heere is en kan met het uitwendige niet tevreden zijn. Hij kan dat niet, omdat Hij niet aanziet, wat voor oogen is, want Hij ziet het hart aan. Luid misbaar en uitwendige beroering zijn niet genoeg, maar 't moet uit het hart voortkomen. Dat wil zeggen, dat de innerlijke vermogens, dat de ziel daarbij in actie moet raken. Praten met den mond en ook nog wat verrichten met de daad is van geen beteekenis voor den Heere, als het niet opkomt uit den waren, drang des harten.
Nu weten wij wel, dat is een onnoemiijk zware eisch, zoo gansch onmogelijk voor het zelflievend hart van den zondaar. Ach, wat is dat hart aan velerlei verknocht, verkleefd en gebonden! De zondaar is zijn hart kwijt, hij heeft het verpand aan den duivel, de wereld en de zonde.
En toch, die eisch Gods blijft in al zijn strengheid! Daar kan niets van af, de Heere weet van geen schikken en plooien, Hij kent geen compromis, geen voorzichtig verdrag.
Zal er iets uitwendigs bij zijn, dan moet dit gepaard gaan met vasten, geween, rouwklage. Er is hier vanzelf niet bedoeld dat vasten, zooals het in Israël ook wel gebeurde, vooral ook in den tijd, dat de Heere Jezus op aarde was. Dit vasten en alle rouwmisbaar moest de Heere veroordeelen en Zijn „wee" er over uitspreken. Het was niet anders dan farizeesche schijn, een ijdele vertooning om van de menschen gezien te worden.
Het is bedoeld als de openbaring naar buiten van wat er binnen in de ziel omgaat. Het geeft te kennen de echte smart en rouw over de zonde. Zóó geldt het nog immer in den weg der ware bekeering. Al zou dan het oog droog blijven, dan kan toch a.h.w. het harte nat zijn van de tranen van berouw. Al zouden er geen uitwendige teekenen zijn, dan kan er zijn en is er in de ware bekeering oprechte, ongehuichelde smart en droefheid voor God over de zonde. Dan wordt het allereerst tusschen God en de z^iel, in de binnenkamer, innig uitgeschreid over de zonde en schuld. O zeker, het blijft niet achter, dat het ook naar buiten openbaar zou worden. Waar oprechte ziclesmart is voor God over de zonde, daar zal er ook iets van gezien worden door anderen in de levensgang van een die zich tot God bekeert, tot den Heere wederkeert.
Neen, dan is het niet om van de menschen gezien te worden. Eerder zal men het voor de menschen zoeken te verstoppen en versteken. En toch zullen de menschen het zien, omdat heilige ernst den levensgang van zulken richt. Dan wordt met allerlei zonden gebroken, de zonde wordt gehaat, men zoekt haar te vlieden en te laten. Hoewel hier de volkomenheid niet gezien wordt en veel geklaagd moet worden, omdat men niet innig en oprecht genoeg over de zonden klagen kan, toch zal zulk een daar echt mee bezet zijn.
„En scheurt uw hart en niet uw kleederen". Deze laatste gewoonte kennen wij wel uit Gods Woord. Dat was zoo smartelijk niet, geen groot verlies of schade, een breuk, die gemakkelijk te heelen was. Maar 't harte scheuren, dat is smartelijk. Weer al zullen wij zeggen : maar dat is ons onmogelijk, dat moet de Heere doen! 't, Is waar, maar- des Heeren eisch blijft onverbiddelijk staan : Scheurt uw hart. Calvijn zegt hierbij : „alle geveinsdheid moet van het harte weggedaan, alle omwindsel van dat harte weggescheurd".
En daar is zooveel bewindsel. Ach, wat hebben wij veel vijgebladeren, verontschuldigingen. Wij willen er zoo maar niet aan om alle bewindsel af te scheuren. Zich nog wat opknappen, nog een vroom kleed er bij aantrekken, zelfs in het vasten en bidden, in het schijnbaar klagen, dat wil men nog. Maar nu moeten alle bewindselen hier af, anders zal de Heere het eenmaal afrukken en ons naakt en bloot ten toon stellen, uitgestroopt van al onze bedekselen.
Daarom blijft de eisch en zullen wij daarvoor ook moeten vallen. Bij den oprechte is er dan ook gewilligheid om alle bedeksel af te scheuren, — och, kon hij de zonde maar met wortel en tak uitroeien ! Daarom leert hij roepen tot God om ontdekking en ontblooting en schreeuwt hij in zijn nood tegen zijn zelfhevend vleesch, dat gespaard wil blijven, in, en hij wijt het zichzelf zooveel, dat hij niet nog veel ernstiger er mee bezet is. Daarom, lezers, zullen wij moeten komen in de benauwende beklemming van dien onverbiddelijken eisch des Heeren : Bekeert u tot den Heere uwen God.
Klagen doen wij veel, klachten vernemen wij allerwege, ook om de moeiten, zorgen en benauwdheden van den tijd, maar bij wien wordt dit nu gevonden?
Nu is er aan de andere zijde nog wat anders dat deze oproep tot bekeering aandringt. Wij mogen zeggen, dat is de lichtzijde. Dit maakt deze oproep zoo heerlijk aantrekkelijk. Het is wat wij verder in onzen tekst vinden : „Want Hij is genadig en barmhartig, lankmoedig en groot van goedertierenheid en berouw hebbende over het kwade".
Calvijn en anderen zeggen: dit moet bij de roepstem tot bekeering ook altijd worden toegevoegd. Wij mogen het een, noch het ander achterwege laten. De Heere wil nog genadig zijn. Hij slaat niet uit lust tot toorn. Hij beproeft en bedroeft de menschenkinderen niet van harte.
Dit mag den tot Hem terugkeerenden, berouwhebbenden zondaar bemoedigen. De Heere is rechtvaardig, daarom straft en bezoekt Hij de zonde; Hij is rein in Zijn richten, maar Hij is ook barmhartig. Hoewel het andersom ook waar is : Hij is barmhartig, maar ook rechtvaardig.
O, wat heeft de zondige mensch toch veel harde gedachten van den Heere, vooral, wanneer de Heere komt met Zijn heilige eischen, als hij er aan denkt, dat de Heere den schuldige geenszins onschuldig houdt.
Maar zoo is de Heere niet in werkelijkheid. Hij dringt en maant den zondaar tot bekeering opdat Hij hem genadig zou zijn. „Komt dan. en laat ons samen rechten, al waren uwe zonden als scharlaken Ik zal ze maken ais witte wol!"
Lees maar, waar gij wilt in Gods Woord en gij zult zien, dat dit immer het doen des Heeren is. Hij is in niets aan den mensch gelijk. Deze kan wel tot rechten
oproepen om enkel maar hard te vonnissen, zonder dat hij van genade, van vergeving weet.
Bij den Heere niet alzoo. Al is het nóg zoo verdorven, al staan wij nog zoo schuldig, zoo er maar waarlijk een wederkeeren tot den Heere mag wezen, zal Hij genade voor recht laten gelden. „Al hebt gij met vele boeleerders geboeleerd, keert nochtans weder tot Mij en Ik zal uwe afkeeringen genezen". O, dan behoeft de mensch, die wederkeert, niets mee te brengen, alleen zich schuldig te keuren en daarover voor Hem zich te verootmoedigen. De Heere kan dit en wil dit doen, omdat Hij een weg van verzoening in Christus geopenbaard heeft, waarin dat nu heerlijk is opgelost, dat de vertoornde rechter een vergevend, genadig weldoener is.
Dat mag wederkeerenden bemoedigen, dit moet ons, ons volk, de volkeren dringen tot wederkeer tot den Heere. O, dat dit door ons en rondom ons worde gekend : te vallen voor den eisch tot bekeering, wederkeeren tot Hem om genade te ontvangen en gered te worden. Zoolang wij nog tegenredenen weten in te brengen, zullen wij het heerlijke daarvan niet kennen, 't zal ons beide vreemd blijven. En zoo wij dit hier nooit leeren, wat zal ons dan nog geworden?
Indien wij hierop geen acht geven, indien deze roepstem tevergeefs tot ons komt, wat zal dan het einde wezen ? Dan geldt het voor den zondaar, voor een volk: het zal zijn, dat zij geen dageraad zullen hebben, 't Zal nacht blijven, straks eeuwige duisternis.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 oktober 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 oktober 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's