De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De Raad Gods.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De Raad Gods.

De Verwerping.

8 minuten leestijd

De Verwerping.
In het vorig artikel hebben we in het slot er op gewezen, dat niet alles Israël is, wat Israel genoemd wordt. Dan zou immers ook Ismaël onder het ware zaad Abrahams gerekend moeten worden. En toch deelt Ismaël niet in de geestelijke belofte, die 'God aan Abraham geschonken heeft. (Er komt in deze laatste regels tot driemaal toe dezelfde drukfout voor. Er staat Israël. Dat moet natuurlijk Ismaël zijn. De lezers zullen dit wel bemerkt hebben).
Het bewijs van de stelling, dat de genade Gods souverein is, vindt de apostel ook in hetgeen ons staat opgeteekend over de beide zonen van Isaak en Rebecca. Dit voorbeeld van Jacob en Ezau spreekt nog meer dan dat van Ismaël en Isaak. Bij deze heide laatsten zou het den schijn kunnen opwekken, dat er toch nog bijzondere redenen waren, waarom Ismaël verworpen is. We denken maar aan den speenmaaltijd. De- geschiedenis, die ons daarvan staat opgeteekend, doet ons zien, dat Hagar en Ismaël het kind der belofte, Isaak, met spot en met wrevel hebben gadegeslagen. Hagar gevoelt zich na de geboorte van Isaak achteruitgesteld. De verwachting, dat eens haar Ismaël de eenigste erfgenaam van Abraham wezen zal, is den bodem ingeslagen.
Maar hier bij Jacob en Ezau hebben we te doen met twee kinderen van éénzelfden vader, en eene zelfde moeder, terwijl Ismaël en Isaak kinderen waren van verschillende moeders. Ja nog meer, de kinderen waren nog niet geboren, ze hadden nog geen kwaad of goed gedaan en toch had de Heere reeds besloten, dat de meerdere de mindere zou dienen. Het geschiedde alleen, opdat het voornemen Gods, dat naar de verkiezing is, vast bleve, niet uit de werken, maar uit den roepende.
Er is dus geen sprake van, dat we hier te doen zouden hebben met een verkiezing op vooruitgezien geloof. Trouwens dan was het woord verkiezing toch ook niet op zijn plaats.
Verkiezing wijst er toch op, dat de persoon, die kiest, de vrije keus heeft om het ééne te nemen en het andere te laten liggen. Als de Heere gehouden was om aan te nemen, degenen van wie Hij reeds tevoren wist, dat ze zich zouden bekeeren, dan zou er eigenlijk van verkiezing geen sprake meer wezen.
Die bekende woorden : Jacob heb Ik liefgehad en Ezau heb Ik gehaat, zijn ontleend aan de profetie van Maleachi. (Mal. 1:2 en 3). Deze laatste profeet heeft een diepen blik gehad in de genade Gods jegens Israël. Het was toch immers vrije ontferming, dat hij dat volk van Jacob nog weer uit Babel had teruggevoerd naar hun land. Heeft de Heere zich ook zoo ontfermd over Edom, de nakomelingschap van Ezau ? Neen, de steden van Edom zijn niet opgebouwd. De bouwvallen van Edom zijn het bewijs, dat God Ezau heeft gehaat, terwijl Hij Jacob heeft liefgehad.
De apostel gevoelt nu wel heel goed, dat bij het hooren van deze dingen de bedenkingen zich opstapelen.
Hij spreekt ze onmiddellijk uit : „Wat zullen wij dan zeggen : is er onrechtvaardigheid 'bij God ? " Dat zij verre. De gedachte, dat God onrecht zou hebben gedaan, wijst hij onmiddellijk af. Neen bij den Heere is geen onrecht. Als we bedenken, lezers, dat elk menschenkind in Adam zijn bondshoofd van den levenden God.is afgevallen en dat elk menschenkind met gedachten, woorden en werken tegen God gezondigd heeft, dan is er geen sprake meer van onrecht, al zou de Heere alle inwoners der aarde verdoemen.
Als men in deze gedachte bij de beschouwing van de leer van de verkiezing en de verwerping zijn uitgangspunt neemt, zal men gevoelen, dat het den mensch past om te zwijgen en niet langer den Heere van onrecht te beschuldigen.
De apostel Paulus heeft het in het 15de vers bevestigd met dé woorden uit Ex. 33 : 19 : Want Hij zegt tot Mozes : Ik zal Mij ontfermen, diens Ik mij ontfermen zal en Ik zal barmhartig zijn, diens Ik barmhartig ben.
Wanneer zijn deze woorden door den Heere gesproken ? Was het niet in den tijd, toen Israël om het gouden kalf had gedanst ? Zou de Heere onrecht hebben gedaan, als Hij het volk van Israël toen verdelgd had. Hij liet zich echter verbidden door Mozes, die als de Middelaar van het Oude Verbond tusschen beiden trad. De Heere nam het volk van Israël weer aan, maar zoo, dat Hij tegenover de enkelingen vrij bleef om zich al of niet over hen te ontfermen.
En dan trekt de apostel in het 16e vers de conclusie : „Zoo is het dan niet desgenen, die wil, noch desgenen, die loopt, maar des ontfermenden Gods".
De voorstanders van de leer van de verkiezing op vooruitgezien geloof stellen het voor, dat de Heere wil, indien wij maar zouden willen. Maar hier wordt het omgekeerd voorgesteld. Hier Iaat de apostel het ons duidelijk hooren, dat de ontferming Gods haren grond niet vindt in onzen wil, ja zelfs niet in ons loopen, d.w.z. al ons werk en onze benaarstiging, maar alleen in den souvereinen wil Gods.
Met recht wijst van Andel in zijn Uitlegging op dezen brief aan de Romeinen op hetgeen Calvijn bij deze verzen opmerkt : „zij, die uit deze plaats besluiten, dat wij eenige macht hebben om te willen, hoewel zulk eene, die op zich zelf niets vermag, maar door de barmhartigheid Gods geholpen moet worden, gaan dwaas te werk. Want de apostel wijst niet aan, wat in ons is, maar sluit al onzen arbeid uit. Nochtans zijn op hun beurt zij te berispen, die ledig blijven, om der genade Gods een plaats te geven ; want al is het, dat wij ons door onzen arbeid niets uitwerken, zoo zijn nochtans de begeerte en de naarstigheid, die door God ingegeven worden, niet zonder kracht. Zoo wordt dan dit niet gezegd, opdat wij door onze wederspannigheid en traagheid den Geest Gods, die ons met vuur ontsteekt, zouden uitblusschen, maar opdat wij zouden verstaan, dat alles, wat wij hebben van Hem is, en daarom leeren, alles van Hem te bidden en te verwachten en Hem wegens alles ie danken en met vreezen en beven onze zaligheid uit te werken".
De apostel Paulus laat 't hierbij niet. Nog een nieuw bewijs voert hij aan, om aan te toonen, dat de genade vrijmachtig is. „Want de Schrift zegt tot Farao : tot ditzelve heb Ik a verwekt, opdat Ik in u Mijn kracht zou bewijzen en opdat Mijn naam verkondigd worde op de gansche aarde". Deze woorden zijn aangehaald uit Ex. 9 : 16. Ze laten ons duidelijk zien, dat Farao op dié plaats in de historie gesteld is, die God voor hem bestemd had. Calvijn merkt met recht op, dat ook de verworpenen voortkomen uit den verborgen schat van Gods voorzienigheid.
Voegden we aan de vorige waarheden een vermanend woord van Calvijn toe, hier zouden we allen wel willen wijzen op het gezonde standpunt hetwelk de Engelsche schrijvers hebben ingenomen. Toevallig kreeg ik hij het lezen van een preek van Erskine over Jesaja 40 : 31 de volgende vermaning onder de oogen : Erskine schrijft : o, zeggen sommigen, ik vrees, dat ik een verworpeling ben. O, wacht u toch, mijne vrienden ! voor zulk eene lastering evenals of gij, gelijk God, alwetend waart, en alsof gij van eeuwigheid in Gods verborgen raad gezeten hadt, waarin Hij de namen der uitverkorenen en der verworpenen heeft opgeteekend ; dit is een zaak, die niet geweten kan worden.
Gij kunt in deze wereld niet weten, of gij een verworpeling zijt, zoolang gij nog zijt buiten de hel ; maar ik kan u een verzekering geven, die vaster is dan de hemel en de aarde, dat, zoo gij u van uwe zonden waarlijk bekeert en tot Christus den Zaligmaker de toevlucht neemt, gij dan geen verworpeling zijt. Jes. 55 : 7. De goddelooze verlate zijnen we, " en de ongerechtige man zijne gedachten en hij
bekeere zich tot den Heere enz. Doch indien gij van de zonde niet scheiden en tot Christus de toevlucht niet nemen wilt, dan onderschrijft gij uwe eigene verwerping. Ik zeg dan : een geloovige vaart niet op in een zondige nieuwsgierigheid, omtrent het besluit der verkiezing en der verwerping, verder dan hem geopenbaard is, om alle naarstigheid toe te brengen om zijn roeping en verkiezing vast Ie maken. 2 Petr. 1 : 10.
Met deze waarschuwing van Erskine kan men het doen.
We luisteren nu naar de eindconclusie van den apostel Paulus in vers 18. „Zoo ontfermt Hij zich dan diens Hij wil en verhardt, dien Hij wil".
De apostel heeft zelf al vermoed, dat zijn betoog tot tegenwerpingen zal moeten leiden. Welnu hij begint zelf de tegenwerpingen ai naar voren te brengen : Gij zult dan tot mij zeggen : wat klaagt Hij dan nog ? want wie heeft Zijn wil wederstaan ?
Die tegenwerping en het antwoord, hetwelk de apostel er op heeft gegeven, hopen we in een volgend artikel te overdenken.
 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 oktober 1939

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

De Raad Gods.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 oktober 1939

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's