UIT DE HISTORIE
SAMUËL MARESIUS GEEN AANTREKKELIJKE FIGUUR
V.
Maresius' Groningsche periode (Slot).
De werkzaamheden, die Maresius verrichtte, waren zóó talrijk van aard, dat zijn inkomen hem veroorloofde, om, na eenige jaren te Groningen gewoond te hebben, een mooie buitenplaats te koopen, waar hij een gedeelte zijner vacanties doorbracht. Behalve van zijn predikant- en hoogleeraarschap had Maresius inkomsten van private colleges en bij hem inwonende studenten. Ook destijds was er dus al „cumulatie" van functies en betrekkingen.
Al was Maresius in hart en nieren een Franschman, — toch heeft hij hier zijn tweede vaderland gevonden, wat niet wegneemt, dat zijn eigen land nimmer nagelaten heeft, hem te trekken. Meermalen heeft hij het feit betreurd, dat hij zoo ver van zijn ouders en overige familieleden verwijderd woonde.
Na hen in achttien jaar niet te hebben gezien, bezocht Maresius in 1647 nog eenmaal zijn ouders, hetgeen hij als der laatsten zegen beschouwde, wijl twee jaar later, in den zomer van 1649, zijn vader overleed. In het sterven van zijn moeder (1659) vond Maresius andermaal aanleiding om een reis naar Frankrijk te ondernemen.
Met opzicht tot de erfenis, is het tusschen Maresius en zijn broeder Charles bijna tot een proces gekomen. Ten slotte heeft men echter een schikking gemaakt, waardoor de scherpe kanten van hun meeningsverschillen werden afgeslepen.
Verschillende malen in den loop der jaren vertoefde Maresius nog te Parijs.
Wij wezen er reeds op, dat Maresius op en top een Franschman was en blééf. Uit vele passages uit zijn brieven blijkt de juistheid dezer bewering. Met belangstelling volgde hij de Fransche politiek, en de bejegening, welke zij in het buitenland en ten onzent ondervond.
Belangrijk is zijn uitgave van een Franschen Bijbel, die in 1669 het licht zag. Zij was schitterend uitgevoerd, en bestond uit twee deelen. Voor den tekst was de Geneefsche vertaling gevolgd, terwijl ook de kantteekeningen van onze Statenvertaling naarstig waren geraadpleegd. Het is bekend, dat Maresius voor deze grooten eerbied had.
Op grond van den goeden naam, die Maresius in theologische kringen verworven had, was de toeloop van studenten naar Groningen niet onbelangrijk. Ook ontving hij van onderscheidene universiteiten in het buitenland verzoeken, om een professoraat te aanvaarden. Zijn boeken vonden gretig aftrek, en van vele zijden richtte men vragen ter beantwoording tot hem, hetgeen alles tezamen bewijst, dat Maresius uitnemende kwaliteiten bezat, welke alom erkenning vonden.
Gelijk wij reeds meermalen bij de behandeling van niet onvermaarde mannen zagen, hebben sommigen met een zwakke gezondheid te kampen gehad. Het is helaas nu eenmaal dikwijls zóó, dat een sterke geest woont in een zwak omhulsel. Van Maresius kan dit echter niet gezegd worden. Voor zoover bekend is, is hij tijdens zijn langdurig verblijf te Groningen nimmer ongesteld geweest. Tot op hoogen leeftijd bleef hij kras. Zijn matige levenswijze schijnt een en ander beduidend te hebben bevorderd.
In den winter van 1672 namen Maresius' krachten af, en tijdens een kerkgang „in een seer scherpe en nijpende koude" vatte hij een kou, die noodlottig voor hem werd. Wel heeft hij hierna zijn arbeid nog eenigen tijd voortgezet, maar telkens openbaarden zich nieuwe kwalen, met het gevolg, dat hij weldra zijn einde voelde naderen.
Als tragische bizonderheid vermelden we, dat hij nog tijdens z'n ziekte, op nadrukkelijk verlangen van den Prins, tot hoogleeraar te Leiden werd benoemd." Wanneer zijn ziekte hem er niet in verhinderd had, zou Maresius deze roeping hebben aanvaard. Mooi zijn echter de volgende woorden, die getuigen van zijn berusting :
„Eck sie wel, dat de tedere hutte mijns lichaems seer bouvalligh is, datse dese swaere aenstoot niet verdragen kan ; maer ick weet oock, als nu mijn aerdtsche huys deses tabernakels verbroocken wert, ick een beter gebouw van mijn Godt hebbe, een huys niet met handen gemaeckt, maar eeuwigh in de Hemelen, en oock in desen suchte ick, verlangende met mijn woonstede, die uyt den Hemel is, overkleet te worden".
Vaak herhaalde hij : „Mijn Godt, ontfermt U over mij ; verlost mij van alle boose wercken, en bewaert mij tot uw eeuwigh Coningkrijck".
Met Alting, een theoloog, met wien Maresius langen tijd in oneenigheid geleefd had, begeerde hij tot een verzoening te komen. Door bemiddeling van een collega kwam het daartoe nog, al vertoonde Alting, wiens oordeel over Maresius ook lang niet malsch was, aanvankelijk weinig bereidheid. Woensdag 14 Mei 1673 kwam het vergelijk tusschen beide mannen echter tot stand.
Den Zondag d. a. v. overleed Maresius, na tot aan het einde toe een helderen geest te hebben behouden, en zich voortdurend gesterkt te hebben in het gebed.
Toen Maresius stierf, viel zijn vrouw in zwijm.
Zonder eenige plechtigheid werd Maresius, overeenkomstig zijn wensch, bij nacht in allen eenvoud begraven. Hij werd bijgezet in de Academiekerk.
Uiteraard liep het oordeel over hem nogal uiteen. Eenerzijds prees men hem gelukkig, omdat God hem zulk een gerusten. Godzaligen dood geschonken had, terwijl men van andere zijde opmerkte, dat Maresius' consciëntie met een brandijzer was toegeschroeid geweest. Het kan verkeeren
Maresius' weduwe heeft haar man niet minder dan zestien jaar overleefd.
Nog iets over Maresius' karakter en beteekenis.
In een vorig artikel werd door ons over dit onderwerp reeds een en ander opgemerkt, en in het opschrift dezer reeks brachten wij de doorgaande opvatting over onzen theoloog reeds tot uitdrukking.
Dit neemt echter niet weg, dat Maresius' persoonlijkheid niet alleen schaduwzijden vertoont. Ondanks zijn vele gebreken, die zich vooral in opvliegendheid en drift openbaarden, kunnen onderscheidene goede hoedanigheden worden aangewezen. Hij was niet alleen soms onoprecht en met zichzelf sterk ingenomen, maar ook kon hij met velen ongetwijfeld vriendschappelijk omgaan. Zijn werkkracht ging uit boven het normale, en in het doen van zijn plicht was hij uiterst stipt. Hij was wat men noemt : „een harde werker". Over zijn ingetogen levenswijze spraken we reeds. Aan z'n oprechte vroomheid behoeft niet getwijfeld te worden, al heeft men dit soms ten onrechte gedaan. Bij alle fouten, die zijn karakter aankleefden, was Maresius een overtuigd strijder voor de eere Gods, die zijn kracht niet zocht in uiterlijkheden en vormendienst, maar in oprechtheid en waarheid. Hij had er overwegende bezwaren tegen, om de vroomheid te zoeken in de beoefening van een „preciesheid", die „van 'buiten" zit.
De beteekenis van Maresius zit niet in nieuwlichterij, maar in het getrouw weergeven der gereformeerde theologie, zooals die vooral door Calvijn wordt vertegenwoordigd. Den reformator van Geneve beschouwt Maresius als de autoriteit bij uitnemendheid, en naar diens „Institutie" verwijst hy herhaaldelijk. Ook beroept hij zich gaarne op Augustinus.
Wanneer we zóó deze niet-aantrekkelijke figuur bezien, dan is er toch wel een en ander te waardeeren, en we zouden onbillijk zijn, als we de verdiensten, die Maresius als gereformeerd theoloog heeft, niet in het licht stelden.
De schaduwen mogen zijn persoonlijkheid overheerschen, — er is ook veel licht : als we het maar zien en erkennen willen !
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 oktober 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 oktober 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's