MEDITATIE
Of veracht gij den rijkdom Zijner goedertierenheid en verdraagzaamheid en lankmoedigheid, niet wetende, dat de goedertierenheid Gods tot bekeering leidt ? Romeinen 2 vers 1
WEET GIJ NIET?
De apostel Paulus waarschuwt in Rom. 2 dringend den zelfvoldanen en anderen veroordeelenden mensch, die het getuigenis des gewetens als een maatstaf van goed en kwaad in zijn binnenste omdraagt, maar slechts om anderen te oordeelen, dat hij zich schuldig maakt aan dezelfde dingen.
De mensch is in zijn hoogmoed en zelfzucht geneigd zichzelf alles goeds toe te kennen, zichzelf schoon te wasschen van allerlei kwaad en zich te verheffen boven zijn naaste. De boosheid des zondigen menschen gunt den naaste alle kwaad, de diepste vernedering, opdat hij zelf maar groot moge schijnen en boven anderen uitsteke. Als de genade Gods den mensch niet met zichzelve bekend maakt, blijft hij blind voor zijn eigen persoonlijke schuld en doemwaardigheid en leeft in de blinde waan voort, dat er voor hem geen hoogste rechtbank, geen Rechter, geen doemvonnis, geen straf en geen hel bestaat. Zoo richt de zondaar zichzelf te gronde en beseft niet, dat hij nog is, die hij is, door de goedertierenheid, verdraagzaamheid en lankmoedigheid Gods, opdat hij zich bekeeren zou en de gerechtigheid en het leven nog zoeken zou buiten zichzelf bij den eenigen Borg en Middelaar, Jezus Christus.
De Heilige Schrift komt tot een ieder onzer met de persoonlijke, vraag, die in den tekst is vervat, opdat wij niet eerst zien op anderen, maar onszelf laten gezeggen en laten oordeelen door het onfeilbaar Woord van God, hetwelk geen aannemer des persoons is. Dan zullen we leeren verstaan bij het ontdekkend licht des Geestes, dat het een wonder van Gods goedertierenheid is, dat we nog niet zijn verdaan.
Volgens onzen tekst is er een rijkdom van goedertierenheid, verdraagzaamheid en lankmoedigheid. Een ieder onbekeerde, de beste in eigen oog, maar ook de slechtste, moet het weten, dat hij deelgenoot is gemaakt van den „rijkdom Zijner goedertierenheid". Heel het leven is een gave Gods met al het goede, dat we hier nog menigmaal mogen genieten, ondanks dat de vreeze Gods wordt gemist. Vele onverschillige menschen, die zelfs den Bijbel verachten, hebben dikwijls voorspoed en brengen het ver in de wereld en weten zich een goeden naam te verwerven. Ziekte en dood blijven uit. Dat wij toch allen eens een oog mogen hebben voor de vele en groote weldaden van God, onzen Schepper, die ons onderhoudt met het dagelijksch brood en zoovele rampen van ons geweerd heeft; wij zijn van Hem toch geheel afhankelijk.
Hoe groot is de goedertierenheid Gods, dat wij in onderscheiding van andere volken, tot hiertoe nog buiten den oorlog zijn gebleven. Wij zijn toch niet beter dan andere. Wij kunnen 'zelf geen el aan onze levenslengte toedoen. Leeren we toch onze diepe zondeschuld beseffen, als we daar nog geen rekening mee houden en er in ons hart nog geen plaats is voor de vreeze Gods !
Als we daar oog voor gekregen hebben, is het ons het grootste wonder geworden, dat God Zijn brood geeft aan hen, die de verzenen tegen Hem opgeheven hebben, en Zijn licht laat schijnen over zoodanigen, die nooit Zijne goedertierenheid daarin opmerken.
Maar die goedertierenheid Gods wordt nog grooter, als we bedenken, dat Hij ons het Evangelie der verlossing door Jezus Christus en dien gekruist, heeft voorgehouden. Duizenden hebben nooit gelegenheid gehad om Christus te leeren kennen. Wij leven echter onder de zuivere verkondiging van Gods dierbaar Woord. Door predikaties komt de Heere de gewetens treffen om te dwingen tot den Heiland te komen en zich door Hem met God te laten verzoenen. Maar hoevelen gaan voort op den breeden weg, die naar het verderf leidt en willen Hem hun liefde niet waardig keu ren. De liefde tot de wereld wint het en zij lijden liever schade aan de ziel. Zij blijven liever zonder God, verstoken van de schatten der genade en laten Christus kloppen aan het hart, die van het eeuwig verderf wil redden, en weigeren Hem open te doen. Welk een goedertierenheid Gods jegens onboetvaardige zondaars, die voortgaan te doen wat kwaad is in Zijne heilige oogen.
Veracht gij den rijkdom Zijner goedertierenheid ?
Dan wijst de apostel op den rijkdom der „verdraagzaamheid". Dat de mensch toch ook hier een oog voor hebbe. Hoe groot is het geduld Gods ! Hoe kan Hij de voortgaande goddeloosheid verdragen ! Terwijl de zondaar in opstand verkeert en tegen de bemoeienissen van genade zich verzet, houdt Hij toch Zijnen toorn nog in, die hem treffen moest; na herhaalde afwijzing van de aangeboden genade, gaat God voort Zijne handen tot zulk een uit te strekken. Hij blijft uitnoodigen tot Hem te komen om nog volkomen vergeving van zonde te ontvangen en de eeuwige liefde des Heeren te ervaren. Hoe rijk is de verdraagzaamheid Gods jegens zondige menschen !
Hoe tergend voor Hem, wanneer de consciëntie overtuigd wordt van de waarheid van Zijn Woord, van de aannemelijkheid van het Evangelieaanbod in Christus, Gods Zoon, die het offer tot verzoening heeft gebracht door Zijn overgave aan het kruis, dan toch de dwaze genieting dezer wereld te verkiezen boven den goeden strijd des geloofs.
In weerwil van die tergende verachting, blijft God nog in verdraagzaamheid op den mensch neerzien, opdat 't straks niet voor eeuwig te laat zal zijn. Velen hebben bij ziekte gesidderd bij de gedachte aan den dood, hebben uit angst gebeden en gewild, dat voor hen gebeden zou worden. God verhoorde, maar geen vrucht van bekeering volgde; men bleef ongevoelig voor het uitstel van de beslissing voor eeuwig.
Hoe groot is de verdraagzaamheid Gods. Stel daar de houding van den mensch eens tegenover. Hoe spoedig barst de toorn van den mensch los bij de minste beleediging en tracht hij snel het vermeende kwaad, dat hem aangedaan wordt, te vergelden.
En dan wordt vervolgens nog gewezen op den rijkdom van Gods lankmoedigheid. Deze toont zich tegenover de menigte en den duur van de zonden, het steeds weer opnieuw in hardnekkigheid verachten van den wil des Heeren. Veertig jaar heeft Hij verdriet gehad van het hardnekkige volk Israël in de woestijn, dat gedurig Zijn verbond verbrak. Bij hoevelen heeft de Heere wellicht al langer op een wenden tot Hem gewacht, maar altoos tevergeefs. Toch gaat Hij voort met het noodigen door het lieflijk Evangelie door Zijn boodschappers. Hoe boos is 't ongeloof, hoe hoonend die ongewilligheid om gered te worden door de uitgestoken hand, die de barmhartige Vader in Jezus Christus toereikt. God weet dit alles. Hij kent alle gedachten, woorden en werken. Het binnenste des menschen is Hem volkomen bekend. Toch wacht Hij om genadig te zijn.
Daarbij is Hij steeds machtig om een einde te maken aan zulk een vijandig leven. De menschen kunnen zich niet altijd wreken uit onmacht. Maar als zij konden! God kan echter straffen, ieder oogenblik in de hel werpen. Hij kan alle lastertongen doen verstommen. Het is enkel lankmoedigheid, zoo Hij het niet doet, hoewel Hij te heilig van oogen is dan dat Hij 't kwaad kan aanschouwen. Hoe vreeselijk is dan toch de zonde. Want, zoo gezien, is zij niet anders dan een verachten van dien rijkdom van Gods goedertierenheid, verdraagzaamheid en lankmoedigheid.
Veracht gij ze ? Hoe behoorde ze bewonderd en verheerlijkt te worden. Gods kind zal ze in aanbidding steeds moeten bewonderen, want hij was niet beter dan het volk, dat den Heere deed spreken : „Hoort, gij hemelen, en neem ter oore, gij aarde, want de Heere spreekt: Ik heb kinderen groot gemaakt en verhoogd, maar zij hebben tegen Mij overtreden; een os 'kent zijn bezitter en een ezel de kribbe zijns heeren, maar Israël heeft geen kennis".
Maar nu dient die rijkdom, opdat de zondaar zou weten, dat hij tot bekeering leidt. „Weet gij het niet ? ", zoo luidt het tot de verachters. De Heere wil niet den dood van den zondaar, maar zijn bekeering, opdat hij leve. Wee hem, die er blind voor blijft en niet wil tot kennis komen, lederen dag, dien de zondaar ontvangt, is een verlenging van het heden der genade, opdat hij zich voor den Heiland in berouw zou neerwerpen en smeeken om genade. Deze wenkt toch om te komen : ,,Komt dan en laat ons tezamen richten, al waren uwe zonden als scharlaken, zij zullen wit worden ais sneeuw; al waren zij rood als karmozijn, zij zullen worden als witte wol".
Zalig nu, die er door aangegrepen en verteederd wordt en bezwijkt onder de kracht van het rijke Evangelie, na bezweken te zijn onder zóó groote verantwoordelijkheid. Want onze tekst is een machtige bevestiging van dat Evangelie. Als toch de rijkdom van Gods goedertierenheid de bedoeHng heeft de bekeering van den doemwaardigen zondaar, is hij een geopende deur ten leven voor den verslagene van hart. Deze kan er verzekerd van zijn, dat hij, die zich smeekend tot den Heere en Heiland wendt, niet weggezonden zal worden, maar aangenomen zal worden.
Wij hebben te doen met een God en Zaligmaker, die mildelijk geeft en niet verwijt.
Dat een bekommerde ziel dat nooit vergete, maar bij alles dat tegen haar getuigt, daaraan vasthoude. En daar is blijdschap voor de Engelen Gods over éénen zondaar, die zich bekeert.
Mogen er velen door Gods genade waarlijk weten en verstaan, dat de rijkdom der goedertierenheid, verdraagzaamheid en lankmoedigheid tot bekeering leidt.
Dat zij zoo.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 oktober 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 oktober 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's