KERKELIJKE RONDSCHOUW
POSITIE DER VRIJZ. HERVORMDEN
In 1930 waren er 429 vrijzinnige predikantsplaatsen in de Hervormde Kerk, van een totaal van 1649 predikantsplaatsen.
In 1936 waren er 440 ; in 1939 waren er 429 ; waarvan er 110 vacant zijn.
In werkelijke dienst zijn er dus 319.
Een andere opgave is, dat er 304 dienstdoende vrijzinnige predikanten zijn (zie blz. 55 van het pas verschenen Jaarboek).
Vrijzinnige candidaten waren er in 1930 : 6 ; in 1939 : 7 (in 1937 : 15).
In de Synode zitten 6 vrijzinnige leden : ds. W. J. van den Kieboom te Bergen (N.-H.), ds. H. H. Brucberus Cleveringa te Middelstum (Gr.), J. W. Bolt, oud-ouderling te Groningen; ds. J. Boonstra te Gieten (Dr.) ; dr. J. Fetlaar, ouderling te Assen ; ds. B. Blommaert te Middelburg (Waalsche Kerk).
Van de kerkelijke hoogleeraren prof. dr.. G. Sevenster te Leiden (adviseerend lid).
Van de Algemeene Synodale Commissie : J. W. Bolt, oud-ouderling te Groningen.
Van de Commissie van voordracht voor de benoeming van kerkelijke Hoogleeraren : ds. S. Winkel te Terband (Fr.) ; ds. W. A. Noest te Grootegast (Gr.) ; ds. A. de Kat Angelino te Emmen (Dr.) en ds. A. E. A. Allard te Breda, dus vier in getal (zeven orthodoxe leden).
Wat de positie der vrijzinnigen in de verschillende Provincies betreft :
Gelderland. In de Synode O vrijz. ; in het Prov. Kerkbestuur O vrijz. Er zijn 6 rechtz. Classes, O vrijzinnig.
Zuid-Holland. In de Synode O vrijz. ; in het Prov. Kerkbestuur O vrijz. Er zijn 6 rechtz. Classes, O vrijzinnig.
Noord-Holland. In de Synode 1 vrijz. en 1 orth. In het Prov. Kerkbestuur 4 vrijz. en 3 orth. Er zijn 3 vrijz. en 2 orth. Classes.
Zeeland. In de Synode O vrijz., 1 orth. In het Prov. Kerkbestuur O vrijz, 6 orth. Er zijn 0 vrijz. en 4 orth. Classes.
Utrecht. In de Synode O vrijz., 1 orth. In het Prov. Kerkbestuur O vrijz., 4 orth. Er zijn O vrijz. en 3 orth. Classes.Friesland. In de Synode O vrijz., 2 orth. In het Prov. Kerkbestuur 2 vrijz. en 4 orth. leden. Van de o Classes zijn er 2 vrijz. en 3 orthodox.
Overijssel. In de Synode O vrijz., 2 orth. In het Prov. Kerkbestuur O vrijz., 4 orth. Van de 3 Classes zijn er O vrijz. en 3 orthodox.
Groningen. In de Synode 2 vrijz., O orth. In het Prov. Kerkbestuur 4 vrijz., 2 orth. Van de 4 Classes zijn er 3 vrijz. en 1 orthodox.
Noord-Brabant en Limburg. In de Synode O vrijz., 2 orthodox. In het Prov. Kerkbestuur 1 vrijz., 6 orth. Van de 5 Classes is er 1 vrijz. en 4 zijn orthodox.
Drenthe. In de Synode 2 vrijz., O orthodox. In het Prov. Kerkbestuur 2 vrijz. en 1 orthodox. Van de 3 Classes zijn er 2 vrijz. en 1 is orthodox.
Waalsche Commissie. In de Synode 1 vrijz. In het Prov. Kerkbestuur (? ) 5 vrijz. en 2 orth. (Bij de eindstemming over wetsontwerpen brengt de Waalsche Commissie 4 stemmen uit).
Bij de eindstemming over wetsvoorstellen (in de Prov. Kerkbesturen, volgens Art. 62 Algemeen Reglement) is de verhouding 17 vrijz. en 48 orthodox.
Laten we dus de Waalsche Commissie eens even buiten rekening, omdat de Walen toch eigenlijk niets, maar dan ook niets met de Nederlandsche Hervormde Kerk te maken hebben (helaas ! nu in de Synode enz. wel dan bemerken we, dat de positie van de vrijzinnigen uitermate zwak is. Noord-Holland is half om half, door het gedeelte boven het Y. Groningen is een sterke veste. Drenthe wankelt, maar is nu nog sterk. Maar dat is ook alles.
Wie had enkele jaren geleden kunnen denken, dat Noord-Brabant en Limburg 2 orthodoxe leden naar de Synode zou afvaardigen ? Niemand !
Misschien is het over korten tijd ook zoo met Drenthe.
En als dan de Waalsche Commissie eens naar recht en billijkheid haar plaats kreeg — och arme, dan was het met den groeten invloed der vrijzinnigen, die zij vroeger hadden, voor goed gedaan.
Hun invloed, die toch al niet zoo groot meer is, is, naar evenredigheid, nog veel te groot.
DE CLASSICALE VERHOUDINGEN.
Wanneer we nog iets nader ingaan op de positie van de Vrijzinnigen in de Hervormde Kerk, kunnen we zeggen, dat de Classicale verhoudingen zijn als volgt :
Gelderland heeft zes Classes : Arnhem met 2 Vrijz. predikantsplaatsen. Nijmegen 3, Zutphen 17, Tiel 5, Bommel 3 en Harderwijk 1 Vrijz. predikantsplaatsen ; totaal 32, tegenover 210 orthodoxe predikantsplaatsen.
Zuid-Holland heeft zes Classes : 's-Gravenhage 3 vrijz., Rotterdam 1, Leiden 2, Dordrecht 4, Gouda 6 en Brielle 9 vrijz. predikantsplaatsen ; totaal 25, tegenover 275 orth. predikantsplaatsen.
Noord-Holland heeft vijf Classes : Amsterdam 2 vrijz., Haarlem 17, Alkmaar 39, Hoorn 33, Edam 12 vrijz. predikantsplaatsen ; totaal 103, tegenover 115 orth. predikantsplaatsen.
Zeeland heeft vier Classes : Middelburg O vrijz., Zierikzee 5, Goes, O en IJzendijke 7 vrijz. pred. plaatsen ; totaal 12, tegenover 97 orth. predikantsplaatsen.
Utrecht heeft drie Classes : Utrecht O vrijz. pred. plaatsen, Amersfoort O, Wijk O ; totaal O, tegenover 93 orth. predikantsplaatsen.
Friesland heeft vijf Classes : Leeuwarden 37 vrijz. pred. plaatsen, Sneek 8, Franeker 25, Dokkum 16, Heerenveen 26 ; totaal 112, tegenover 123 orth. predikantsplaatsen.
Overijssel heeft drie Classes : Zwolle 5 vrijz. pred. plaatsen, Deventer 12, Kampen 1 ; totaal 18 vrijz. pred. plaatsen, tegenover 86 orth.
Groningen heeft vier Classes : Groningen met 25, Winschoten met 21, Appingedam met 10, Winsum met 18 vrijz. pred. plaatsen ; totaal 74, tegenover 89 orthodoxe.
N.-Brabant met Limburg heeft vijf Classes : 's-Hertogenbosch met 11 vrijz. pred. plaatsen, Breda met 7, Eindhoven met 2, Heusden met O, Maastricht met 1 ; totaal 21 vrijz. pred. plaatsen, tegenover 101 orthodoxe.
Drenthe heeft drie Classes : Assen 14 vrijz. pred. plaatsen, Meppel 8, Emmen 10 ; totaal 32 vrijz. pred.' plaatsen, tegenover 31 orth.
De Waalsche Kerken hebben 14 vrijz., tegenover 6 orth. predikanten.
Hierbij onderstrepen we Noord-Holland : 103 vrijz., tegenover 115 orth. pred.
Friesland 112 vrijz., tegenover 123 orth.
Groningen 74 vrijz., tegenover 89 orth., en Drenthe 32 vrijz., tegenover 31 orth.
Dit zijn de vier Provincies, waaruit voornamelijk de vrijzinnige hulptroepen moeten komen.
Hadden we geen recht om te zeggen : Drenthe moet nog een klein stootje naar rechts krijgen !
En dat kan.
En wat kan, moet ook bereikt worden straks !
DE KINDERDOOP VERBOND EN DOOP (21)
„Volgens de Belijdenis- en Liturgische Schriften van de Gereformeerde Kerk, moeten dan de kinderen der Christenen gedoopt worden" („de kinderen der Christenen" of „de kinderen der geloovigen", staat in de formulieren van den Doop) „uit kracht van het genadeverbond, in hetwelk zij met hun ouders begrepen zijn".
Dit alles zegt niet weinig ! „Want hun doop is het teeken en het sacrament van hetgeen Christus voor hen gedaan heeft. En — zoo zeggen de Vaderen — voorwaar heeft Christus Zijn bloed niet minder vergoten om de kinderkens der geloovigen te wasschen, dan Hij gedaan heeft om de wille van de volwassenen".
„Daarenboven wordt aan de jonge kinderen door Christus' bloed de verlossing van de zonden, en de Heilige Geest, die het geloof werkt, niet minder dan den volwassenen toegezegd".
„Godzalige ouders", zoo zeggen onze Vaderen in de Dordtsche Leerregels, „moeten dan ook niet twijfelen aan de verkiezing en zaligheid hunner kinderen, welke God in hun kindsheid uit dit leven wegneemt".
„En nu zou ik", zoo vraagt Wormser aan het adres van de Vrijzinnigen, die het altijd zoo druk hebben over de engheid en bekrompenheid der Gereformeerde leer, „nu zou ik wel eens willen vernemen, welke particuliere Kerk de Vrijzinnigen weten aan te wijzen, wier leer meer ruim en vertroostend is dan de leer der Gereformeerde Kerk, welke met haar jaren 1618 en 1619, voortdurend voorgesteld wordt als het toonbeeld van onverdraagzaamheid en bekrompenheid ? "
De ergernis kan niet voortspruiten uit het feit, dat de Gereformeerde Kerk aandringt op heiligheid ; dit doet immers iedere Kerk ; en vooral de Vrijzinnigen zijn liefhebbers bij uitnemendheid van „brave menschen".
En wat nu verlossing, vergeving en genade betreft, is het onmogelijk ruimer en milder te zijn dan de Gereformeerde Kerk is. Haar leer omringt zelfs het pas geboren kind van overvloeiende genade, en vergezelt het daarmede op zijn ganschen levensweg.
En wat nog sterker is : terwijl de leer der Gereformeerde Kerk door niemand méér verguisd wordt dan door de Vrijzinnigen in de Hervormde Kerk, blijft de Kerk ook den Vrijzinnige, uit kracht van den door hem ontvangen doop, bidden, dat hij de genade Gods toch niet te vergeefs moge ontvangen hebben, (2 Cor. 6 vers 1).
Terwijl de Doopsgezinden, omtrent wier minzaamheid wij niets willen afdingen, algemeen als lieve menschen worden erkend, zijn daarentegen de Orthodox-Gereformeerden in de oogen van velen, rechte menschenhaters, die ten hoogste afgunstig zijn, dat ook aan anderen genade geschieden zal. En nu moet men eens opletten ! De Gereformeerde Kerk doopt de kleine kinderen der Christenen uit kracht van het genadeverbond, waarin zij met hun ouders begrepen zijn — de Doopsgezinden sluiten de kinderen uit.
De Gereformeerde Kerk gelooft en belijdt, dat Christus niet minder voor de kinderen der geloovigen dan voor de volwassenen Zijn bloed vergoten heeft, en belijdt de zaligheid van jong gestorven kinderen van godzalige ouders. En de Doopsgezinden ? Zij hebben voor de kinderen, zoolang deze den bijna volwassen leeftijd niet bereikt hebben, bijkans niets !
De Gereformeerde Kerk erkent de doopsbediening van al de Christelijke gezindheden, en daarmede : dat ook zij op deji grondslag van het genadeverbond staan. En de Doopsgezinden ? Zij sluiten alle Christelijke gezindheden uit, door haar doopsbediening aan de kinderen niet te erkennen !
Waarmede dan heeft de Gereformeerde Kerk den naam van onverdraagzaam en bekrompen te zijn, verdiend ?
Het blijkt — aldus Wormser — dat geen gezindheid ruimer en verdraagzamer is dan de Gereformeerde, wanneer het namelijk om genade en heiligheid, en niet om de verwerping van Christus en om losbandigheid te doen is. Zoo moeten dus — aldus zet Wormser z'n betoog voort •— de kinderen der geloovigen gedoopt worden uit kracht des verbonds ; en hierin verkiest hij het standpunt van de Gereformeerde Kerk verre boven dat der Doopsgezinden.
En 't Formulier dan verder lezend, schrijft hij : Onze jonge kinderen zijn zonder hun weten der verdoemenis in Adam deelachtig, en worden nu ook op dezelfde wijze wederom in Christus tot genade aangenomen. Om dit te bewijzen, beroept het Formulier zich dan op Gen. 17 vs. 7 en Hand. 2 vs. 39, en laat dan volgen :
„Daarom heeft God voormaals bevolen hen te besnijden, hetwelk een zegel des verbonds en der gerechtigheid des geloofs was ; gelijk ook Christus hen omhelsd, de handen opgelegd en gezegend heeft". (Marc. 10 vs. 16).
„Dewijl dan nu de doop in de plaats der besnijdenis gekomen is, zoo zal men de jonge kinderen, als erfgenamen van het rijk Gods en van Zijn verbond doopen". „En de ouders zullen gehouden zijn hun kinderen in het opwassen hiervan breeder te onderwijzen".
Dan zegt Wormser : Zoowel de doop als de besnijdenis wijzen ons op den zondigen oorsprong en geboorte van den mensch in zijn tegenwoordigen toestand. Er is hier niets, wat ons dien adel der menschelijke natuur zou aanduiden, omtrent welken de Vrijzinnigen zich zoo gaarne in zoete dweeperijen verliezen.
Jammer, dat het overbekende bij velen dikwijls onbekend schijnt te zijn. En daardoor weet men ook niet te waardeeren, wat de Heere ons en onzen kinderen juist zoo heerlijk schenken wil. Een eenvoudige overweging van de geboorte, den levensweg en het uiteinde van den mensch op deze wereld, zou den Christen leiden tot den uitroep voor het aangezichte des Heeren : „Wat is de mensch, dat Gij zijner gedenkt, en de zoon des menschen, dat Gij hem bezoekt? " (Ps. 8 vers 5).
(Wordt voortgezet.)
DE STRIJD OM DEN BIJBEL OP DE SCHOOL (2)
De idee van de Staatsschool wilde men vasthouden. Dat het kind niet van den Staat is, maar van de ouders, kwam bij de meesten in dit verband niet op. De Overheid zorgde dan ook voor het Schoolonderwijs en de ouders waren aan de ideeën van de Overheid prijsgegeven. Zij, die van Godswege de eerste verantwoordelijkheid hebben en houden, inzake de opvoeding en het onderwijs van hun kinderen, waarbij de doopbelofte van de grootste beteekenis is en blijven moet, hadden eenvoudig niets te zeggen. De landsregeering en de plaatselijke Overheid had te gebieden ; iets wat met de eenvoudigste begrippen van ons Christelijk geloof, dat naar de Schriften is, in strijd is. En wanneer we dat niet inzien, trekken we van 't begin afaan de zaken scheef : trekken we ook den schoolstrijd, die hier in Nederland gestreden is, scheef.
Daarom is 't zoo jammer — aldus P. Oosterlee in : Geschiedenis van het Christelijk Onderwijs (Volks Universiteits-Bibliotheek) — dat de strijd om de school, niet gehouden is op het terrein van het Christelijk beginsel bij het onderwijs en de opvoeding, met de rechte toepassing daarvan, maar dat de strijd voor of tegen de Christelijke School steeds meer verplaatst is naar het politiek terrein. Natuurlijk is het wel te begrijpen, dat de politieke strijd gekomen is, want heel het schoolwezen was in de Staats-regeering, in de politiek opgenomen. Men kon den strijd eenvoudig niet buiten de politiek houden. Mannen als Groen van Prinsterer, de Savornin Lohman, Pierson, Kuyper, De Visser, hebben dat niet voor hun plezier gedaan. Ze zijn er toe gedwongen geworden, omdat de Staat het schoolonderwijs heelemaal in zijn macht had en het ook in z'n macht wilde houden en den geest van het onderwijs voor alle kinderen, Protestanten, Roomschen, Joden, orthodoxen en vrijzinnigen, zelf wilde bepalen en regelen. Dat heeft de botsing gegeven. Waarbij in den loop der tijden het proces steeds meer angstig is toegenomen.
Velen meenen, dat het heel vroeger zóó in ons Vaderland gesteld was, dat na de Reformatie de Overheid en het volk, allen te samen, uitgesproken Christelijk, Protestantsch-Christelijk, Gereformeerd-Protestant waren ! De Regenten en de vroedschap en het volk ! Maar die naspeurt wat er is geschied (het geschiedenisboek is er, om God in Zijn Wezen en in Zijn werken beter te leeren kennen), die weet wel, hoe ver de werkelijkheid van deze naïeve voorstelling afstaat. Zeker, men deed professie van de Gereformeerde religie, de menschen waren 'Gereformeerd (d.w.z. ze waren niet meer Roomsch), heel het volk, met de grooten en de kleinen, behoorden tot de Gereformeerde Kerk, die Staatskerk was, maar de werkelijkheid stelde zoo teleur. En waar de Overheid alles in handen had en alles regelde, ging het van kwaad tot erger, omdat het onder het volk meer en meer leefde, dat de mensch z'n eigen weg moest maken, waartoe hij ook wel in staat geacht werd.
Nu waren er nog wel tactvolle en vrome schoolmeesters op de Overheidsschool en van den Bijbel werd nog wel gezegd, dat er een gepast gebruik van moest worden gemaakt. Maar vooral in de l'8e eeuw (hoelang is dat dus reeds !) wonnen de moderne ideeën onder het volk en onder de paedagogen en de schoolopzieners van hand tot hand, waarop de Revolutie van 't laatst van de 18e eeuw verder een slechten invloed heeft gehad, zoodat het bij het begin van de 19e eeuw al heel droevig stond in deze in 't midden van ons Vaderland. Vroeger had men den Bijbel al ongeschikt geacht voor de lagere school (ds. Hulshof f, die schoolopziener was), maar nu werd het nog meer gevoeld, dat de kinderen moesten worden „beschermd" (zoo spraken de opvoeders der jeugd) tegen zoovele „wanbegrippen" inzake godsdienst en zedelijkheid ; en niet 't minst door den invloed van de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen (Maatschappij is het ouderwetsche woord voor Vereeniging) ging het meer en meer in de richting van de deïstische beginselen en de ongeloofstheorieën wonnen hoe langer hoe meer veld.
Bij de Staatsregeling van 1798 krijgen we dan scheiding van Kerk en Staat en ook op de Overheidsschool (waarom moet 't nu toch juist „Overheidsschool" zijn ? ? ) is het met den Bijbel meer en meer gedaan. De School komt ook geheel los van de Kerk, en de Over heid zal voortaan alles zóó regelen, dat allen tevreê moeten zijn.
In 1801 (de gebeurtenissen vóór, tijdens en na de Revolutie volgen elkaar snel op !) krijgen we hier dan de eerste Schoolwet van den nieuweren tijd. Over het onderwijs in de bijbelsche geschiedenis wordt niet gesproken en alles is inzake den godsdienst en den Bijbel heel vaag gesteld. De jeugd moet men vooral inprenten : „alles wat zij aan het Opperwezen, aan de Maatschappij, aan hun Ouders, aan zichzelf en aan hun Medemenschen verschuldigd zijn". Er moest op gewerkt worden, dat er „goede zedekunde en eerbied voor het Opperwezen" was onder de jeugd. Daarbij was verboden al het „leerstellige", dat door de onderscheidene Kerkgenootschappen verschillend werd „begrepen". Alles was toch maar rationalistisch gedoe, waarbij de één dit dacht en de ander het zóó begreep, en tusschen dat verstandelijk spel der menschen, moest de School „neutraal" staan en neutraal blijven. Wie er „gelijk" had van de „denkende" menschen, had de School niet uit te maken.
Hierdoor werd 't voor vele christen-ouders te benauwd op die Overheidsschool. En natuurlijk wilden zij graag, dat de Overheid anders in deze geestelijke dingen mocht komen staan, maar meer en meer werd het duidelijk (ook het kwade moet tenslotte medewerken ten goede voor degenen, die den Heere vreezen naar Zijn Woord), dat het onderwijs van de kinderen niet thuis hoorde bij de Overheid, afgedacht zelfs van de geestelijke richting van de Overheid. De kinderen zijn eigendom van de ouders, als een erfdeel van den Heere ontvangen.
Men begon over „vrij onderwijs" te denken en te spreken en te schrijven — door de ongelukkige ontwikkeling van het schoolwezen daartoe te eerder gebracht — en men zette den strijd in om de School, ja, maar dan om de School uitgaande van de ouders, geschikt voor de gedoopte kinderen, wat een School moest zijn met den Bijbel, met onderwijzend personeel, dat door de ouders kon vertrouwd worden wat betreft hun houding tegenover Gods Woord en hun geloof in Jezus Christus, Gods Zoon, onzen Heiland en Zaligmaker.
Dat was geen „politieke liefhebberij" voor onze Vaderen in de vorige eeuw. Neen ! Dat was de roep, de schreeuw, het zielsverlangen naar een School voor hun gedoopte kinderen, waar alle onderwijs en opvoeding opkwam uit de Christelijke beginselen voor onderwijs en paedagogie.
Onderwijs-beginselen moeten hier de doorslag geven en geen politieke aspiraties. En de ouders zijn hier de eerst-geroepenen, die de eerste en voornaamste verantwoording in deze dragen.
Dat dus de Staat in art. 23 van de (derde) Schoolwet van 1806 (in 1803 was reeds een nieuwe Schoolwet gekomen, met een zelfde geluid als die van 1801, die sprak van „eerbied voor het Opperwezen, de Maatschappij, de Ouders, onszelf en onze Medemenschen") sprak van „aanleeren van gepaste en nuttige kundigheden, ontwikkeling van de verstandelijke vermogens en opleiding tot alle maatschappelijke en Christelijke deugden — klonk in de ooren van velen zoo mooi (vooral die „Christelijke" deugden), maar art. 23 verbiedt alle „leerstellig onderwijs van een of ander Kerkgenootschap", wat dus practisch over heel de linie van het onderwijs hierop neerkomt : de godsdienst er buiten, geen Bijbel op School, geen gebed en geen psalm of geestelijk lied.
De Openbare School (vandaar die naam „openbaar", als zijnde bestemd voor alle kinderen) moest toegankelijk zijn en blijven, in alle gemeenten van ons Vaderland, voor alle kinderen, uit alle gezinnen en van alle gezindten, zonder onderscheid. Protestant, Roomsch, Jood, geloovig en ongeloovig, en niemand mocht geërgerd worden in z'n overtuiging ! Men moest op school niet kunnen merken of men Protestant of Roomsch was. Alles moest in de grauw-grijze kleur van de neutraliteit gehuld zijn.
De tolerantie-gedachte, de verdraagzaamheids-leuze, deed haar invloed gelden : ieder mensch is goed en wat de een denkt is niet slechter dan wat de ander denkt, en daarom mag niemand geërgerd worden in z'n overtuiging ; ieder heeft evenveel recht — waarbij dan altijd Gods Woord, dat met autoriteit bekleed is en juist het hoogste en het laatste woord aan den mensch ontzegt en ontneemt, de dupe moet worden ; het moet dan eenvoudig zwijgen en de Bijbel moet, buiten de School blijven. Of, als hij binnen de Schoolmuren per gratie wordt toegelaten, wordt het Boek der boeken van z'n karakter beroofd. Men neemt dan een houding aan tegenover den Bijbel, die voor den Bijbel beleedigend is. Waarom het dan ook maar beter is, dat de Bijbel dan maar heelemaal er buiten gelaten wordt. Dan weet men ook beter waaraan men toe is !
Waarbij de idee : „de School van de ouders" het moet gaan winnen van de valsche, onchristelijke leuze : het kind is van den Staat en daarom moet ook het onderwijs van den Staat uitgaan en door den Staat geregeld worden. Dat is een fataal beginsel, dat bij ons niet thuis hoort.
(Wordt voortgezet.)
DE NIEUWE BIJBELVERTALING.
De nieuwe bijbelvertaling komt. En als we zeggen „de" nieuwe bijbelvertaling, dan bedoelen we die nieuwe vertaling, die, bezorgd door het Nederlandsche Bijbelgenootschap, a.s. 1 November verschijnt ; althans het Nieuwe Testament. We moeten een nieuwe bijbelvertaling hebben, dat is noodzakelijk; Dit houdt volstrekt niet in, dat we de Staten-Vertaling veroordeelen. Ieder die mee leeft en acht slaat op de dingen, weet wel, dat dit volstrekt niet de oorzaak en de reden is, dat we zeggen : er moet een nieuwe bijbelvertaling komen. Wij hebben het hoogste respect voor de Staten-Vertaling. Maar voor ieder, die met de zaken maar eenigszins op de hoogte is, is het reeds lang duidelijk — hoevele jaren geleden schreef b.v. prof. Noordtzij van Utrecht er reeds over ! — dat in vele opzichten een nieuwe en betere vertaling noodzakelijk is.
En nu is daarom de komende nieuwe bijbelvertaling zoo belangrijk en zoo welkom, omdat we weten, dat hier een groote kring van de beste theologen, die speciaal aan taalstudie doen, hebben samengewerkt (echt samengewerkt), om het beste te geven, wat er in deze te geven is. Dit belangrijke werk komt nu niet van één kant, maar van onderscheidene kanten tegelijk, en wel na langdurig en degelijk onderling overleg.
Natuurlijk zal nu niet dadelijk dit de officieele vertaling zijn en zullen niet dadelijk de verschillende Kerkgemeenschappen zeggen : voortaan moet deze nieuwe vertaling op den kansel liggen, en zal er uit deze nieuwe vertaling voorgelezen worden, enz. Dat zal wel niet gebeuren, en dat kan ook niet. Hier moet de kerkelijke weg met verstand bewandeld worden. Waarbij we hartelijk hopen, dat goede overeenstemming worde verkregen!
Maar we kunnen wèl aanstonds in onze gezinnen beginnen, om deze nieuwe vertaling te gebruiken. En vooral het hardop voorlezen is een uitnemende manier om er werkelijk achter te komen, of deze nieuwe vertaling nu goed klinkt, vlot gesteld is, enz.Het Nieuwe Testament komt eerst. Men krijgt dus niet alles tegelijk, en dat is ook maar goed. Men kan er dan eerst wat aan wennen. En daarvoor leent zich het Nieuwe Testament 't best.
Wij zijn benieuwd, hoe onderscheidene teksten er nu zullen uitzien, hoe ze nu vertaald zijn en hoe ze nu klinken zullen. Want, we moeten er maar op rekenen, dat méér dan één tekst anders vertaald zal zijn, dan we in de Staten-Vertaling aantreffen. Niet om oorzake, dat men aan den Bijbel wil af- of toedoen (laat men dat toch niet gelooven en niet zeggen !), maar omdat de huidige vertaling foutief is, wat veelszins onder theologen bekend is. Het is waarlijk geen nieuws.
Wij hopen hartelijk, dat de nieuwe vertaling van het Nieuwe Testament, bezorgd door onderscheidene theologen van naam en uitgegeven door het Ned. Bijbelgenootschap, er aanstonds „in" mag gaan bij de menschen !
De Heere opene en ontsluite de Schriften ook door deze nieuwe vertaling, tot beter verstaan en juister begrijpen bij jongeren en ouderen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 oktober 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 oktober 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's