De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

NIENKE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

NIENKE

EEN VERHAAL UIT HET FRIESCHE VOLKSLEVEN

6 minuten leestijd

Met toestemming Uitgever J. H. Kok te Kampen
Hebben wij niet reeds in dit leven onnoemlijk vele beloften, die God ook aan al Zijn kinderen waar maakt en ons een voorproef willen geven van hetgeen eenmaal komen zal, als het aardsche reiskleed is afgelegd en wij niet meer behoeven te wandelen in het geloof, maar zullen aanschouwen van aangezicht tot aangezicht ? Want de Verlossing is niet alleen iets voor de toekomst en voor den hemel, maar ook iets voor dezen tijd en voor deze wereld, 't Is er precies mee als met den jongeheer, wiens vader eigenaar van „Burmania-state" is en die hier de vorige week met boer Piersma kwam om een paar schoenen aan te meten. Als ge dien jongen ziet, verschilt hij alleen maar in zijn kleeding van de kinderen hier op het dorp, doordat hij wat deftiger en duurder kiel draagt. Voor de rest is hij aan hen allen gelijk en vermaakt zich nooit meer, dan wanneer hij met hen spelen kan of met den knecht van den boer op den wagen mag rijden. Toch is hij rijk en de toekomstige erfgenaam van Burmaniastate en wie weet van hoeveel kapitale boerderijen en bezittingen meer. Want een erfgenaam, zoo lang hij kind is, verschilt niets van een dienstknecht, anders niet, dan dat hij 'n zoon des huizes is ; maar later, dan wordt hij heer van alles. Zoo is het ook met Pier Boukes, koster van Zevenhuizen, en met Gurbe schoenmaker, bijgenaamd de „blikken dominé", en met zijne huisvrouw, Gelske, en met Nienke en Jochem en allen, die hier aanvankelijk, al is het onder veel gebrek en tekortkoming den Heere Jezus liefhebben en die, als zij eens voor de keuze geplaatst werden. Hem voor al de schatten der wereld niet weer zouden willen missen. Omdat zij weten, dat alles aan Hem gansch begeerlijk is.
Zoo redeneerde Gurbe, en als hij zoo aan het woord was, dan vergat hij zijn spanriem en pikdraad en dan kon het wel gebeuren, dat Jochem een oogenblik den hamer liet rusten, waarmede hij de pluggen in het zooileer dreef en dat een vroolijke lach over zijn misvormd gelaat kwam. En dan kon het ook gebeuren, dat Pier Boukes „hm, hm" zei en de hand eens door zijn grijzen baard haalde, maar om te eindigen met te zeggen : „'k Hoop, dat je gelijk hebt, Gurbe, en de Heere weet ook, dat ik Hem gaarne in oprechtheid wil dienen en liever in mijns Bonds-Gods woning een dorpelwachter ben, dan gewend aan d' ijd'le vreugd in 's boozen tent ; maar die zonden, weet je. die zonden". Doch dan keek Gurbe hem soms zoo ernstig aan en zei : „Ja, Pier, zondaars zijn wij en blijven wij tot den laatsten snik, en elk kind van God zijn deze tot leed ; maar juist dit is een bewijs, dat het nieuwe leven in hem werkt en hij een kind des Heeren is. Want de natuurlijke mensch bekommert zich daar niet om, èn kent niet die smart over zijn overtredingen. Doch dan zien wij meteen weer naar Golgotha, waar de rekening betaald is voor allen, die gelooven, en wij weten, dat God geen tweemaal voldoening vraagt. Heb ik je onlangs geen kwitantie gegeven van de nieuwe pantoffels, die je van mij gekocht hebt ? Wat zou je nu zeggen, wanneer ik nu nóg eens de nota ging presenteeren ? Je zoudt zeggen : Ho, Gurbe, zoo gaat het niet. 'k Heb de kwitantie in mijn kabinet ; die bewijst, dat wij quitte zijn en je niets meer van mij te vorderen hebt. En denk je dan, dat God, die in Christus de wereld met Zichzelf verzoend heeft, hare zonden haar nimmermeer toerekenende, je andermaal lastig zal vallen over een betaalde schuld ? " En dan werd Pier Boukes stil, omdat er in die woorden iets lag, dat hij noodig had en waar zijn hart zoo naar verlangde, en dat hem zoo begeerig maakte om het te bezitten, om dan óók zoo vroolijk en opgewekt te zijn als de schoenmaker, in wiens huis altijd zonneschijn was. Eens is het gebeurd, dat het gelaat van Gurbe betrok en een donkere wolk over zijn voorhoofd hing. 't Was, toen Pier Boukes na zoo'n gesprek tenslotte zeggen ging: , Maar de Heer is vrij, Gurbe, om den een meer te geven dan den ander. Jij durft nu eenmaal zoo te roemen in de genade en dat maakt je gelukkig ; maar als Hij mij nu eens dat alles onthouden wil, dan moet ik daaronder stil zijn".
„Denk je dan werkelijk, dat het tot Gods eere is en naar Zijnen wil, dat Zijne kinderen hier beneden met een bedroefd gelaat, al zuchtende, hunnen weg gaan, alsof Hij hun te weinig geeft om te leven en te veel om te sterven ? " vroeg hij. En daarop zeer ernstig, terwijl hij waarschuwend den vinger ophief : „Wees voorzichtig. Pier Boukes, en schrijf Gode geen ongerijmde dingen toe. Want het ligt 'm niet aan Hém, als wij hier beneden in geestelijke armoede leven en verkommeren, maar de schuld daarvan ligt in óns ongeloof. Wij staan onszelf in den weg en wij zijn het, die door onze ontrouw of onzen twijfel oorzaak zijn van al die onrust en dien onvrede, die ons belet om dankbaar te aanvaarden en te genieten, wat Hij in Zijne eeuwige ontferming ons geven wil. O, dat ongeloof van Gods volk! Als het eens wist, hoe het daarmede den Heilige bedroeft !"
Dan kon het stil worden in de werkplaats. Diep in gedachten verzonken, staarde Gurbe dan soms op de werktafel voor hem, waar allerlei gereedschap lag, maar zijne gedachten waren dan o, zoo ver weg. Dan zag hij niets, anders niet dan dat groote leger moê-gestreden, afgetobde strijders, die met gebogen hoofd en knikkende knieën al zuchtende hunnen weg gaan achter den oversten Leidsman, als een volk zonder kracht en zonder hope, omdat het vergeet te zien op Hem, die het vóórgaat en ter overwinning voert ; en dan sprak hij soms woorden, die onverstaanbaar waren, maar veel hadden van een gebed. Moest het den Heiland van zondaren, den Christus Gods, die toch voor al de Zijnen alles volbracht heeft, niet wonden in Zijn middelaarshart, dat degenen, die Hem beleden, zóó arm en verlegen hunnen weg gingen ?
(Wordt vervolgd.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 oktober 1939

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

NIENKE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 oktober 1939

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's