De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCHOUW

20 minuten leestijd

VAN DE SYNODALE TAFEL DER GEREF. KERKEN.
Op de Synode van Sneek is weer gesproken over het haar der vrouwen. De heer C. Bakker te Gouda had over „de haardracht der vrouwen" een bezwaarschrift ingediend. Maar de Synode wees dit bezwaarschrift af, omdat „geen nieuwe argumenten werden aangevoerd".
Wij geven toe, dat „haar"vrijheid en „kleer"vrijheid minder erg is dan „leer"vrijheid ; waarvan de Hervormde Kerk nogal last heeft. Over het „elders kerken", dat in de Gereformeerde Kerken nogal schijnt voor te komen, is breed gesproken. Men wilde censuur toepassen op zulke menschen. Maar de Synode is dezen weg niet opgegaan. Wij vreezen, dat men dan ook dagwerk zou krijgen. Besloten is elk geval op zich zelf te beschouwen en met „waarschuwing" te volstaan, lankmoedig en veelvuldig. Bij uiterst hardnekkig weigeren zal dan tot censuur moeten worden overgegaan.
We zullen eens afwachten, wat hiervan komt.
Ook over de kerkelijke goederen is gesproken. Men heeft het verleden jaar, met opzet, tot een onderlinge procedure laten komen en toen heeft de Hooge Raad uitgemaakt, dat een Classis evengoed rechtspersoonlijkheid heeft als die b.v. van de Hervormde Kerk. Zelfs de Gereformeerde Kerken in Synodaal verband bezitten datzelfde recht ; evenals de Hervormde Kerk als „algemeene Kerk". En nu besloot de Synode der Gereformeerde Kerken, voortaan de gemeenschappelijke onroerende goederen ten name van de „algemeene" Kerk over te schrijven. De Gereformeerde Kerken als één geheel genomen „in particulier Synodaal verband" en ook „in generaal Synodaal verband" krijgen dus voortaan „kerkelijke goederen". Dan zijn die kerkelijke goederen dus „behoorende tot of aan de Gereformeerde Kerken in haar geheel". De kwestie dus : algemeene Kerk of plaatselijke Kerk. Waarbij de Doleantie zoo hóóg opgaf van „de autonomie der plaatselijke Kerk" en zoo fel positie koos tegen de idee van „de algemeene Kerk". En nu ? Nu gaat het hoe langer hoe meer de andere kant uit, niet in de richting van de autonomie van de plaatselijke Kerk, maar in die van de algemeene Kerk. Wat dus de „Synodale" kant uitgaat. Wat begrijpelijk is. Ook nog bij een andere kwestie, en wel : de pensioenen of emeritaatsgelden, gaat het óók vrij zeker denzelfden kant uit. Tot nog toe moest elke gemeente daar zelf voor zorgen en dus èn voor de pensioneering van den vertrekkenden leeraar èn voor het tractement van den komenden leeraar zorgen, wat — ieder kan dat gemakkelijk aanvoelen — in de practijk onmogelijk moet blijken. Men gaat er nu over spreken om dat anders te gaan regelen (wat wij zeer verstandig zouden vinden) en men denkt er over om, net als in de Hervormde Kerk, de voorzieningen voor emeriti en weduwen en weezen te treffen met behulp van kerkelijke fondsen, waartoe alle Kerken bijdragen. Want het is een zaak van „de algemeene Kerk" en niet van de plaatselijke Kerk, ieder afzonderlijk genomen.
Ook wat de werkwijze betreft, waarvoor de Synode van de Gereformeerde Kerken een nieuwe methode heeft aanvaard, is men overgegaan op de rails, waarop de Synode van de Hervormde Kerk rijdt. Wat we verstandig vinden. Men kan dan beginnen met 't „kleingoed", de Commissies kunnen werken aan de rapporten, daarna kunnen dan de grootere stukken op tafel komen.
Wij vermoeden, dat men nóg een stap dichter bij de , Synodale-werkwijze" van de Hervormde Kerk zal moeten komen, want wij gelooven niet, dat men het kan volhouden om ééns in de drie jaren te vergaderen. Dat is gewoonweg geen werken ! Wat ook nu weer te Sneek bewezen is. Men raakt achter z'n adem. En vele menschen kunnen onmogelijk zóó lang van huis. Bij al het vergaderen is men nu bovendien nog niet klaar gekomen. Er moet nog een na-Synode komen, met naacten. Want vele belangrijke dingen zijn nog maar nauwelijks, of in 't geheel niet, aangeroerd !
Wat we óók willen opmerken is dit, dat het „in het openbaar" vergaderen van de Synode telkens toch wel bezwaren ontmoet. Men trekt zich dan terug in „Comité met gesloten deuren". En — dan komen de klachten van „de pers" en van „het publiek", dat men er te veel „buiten" gehouden wordt. Welke klacht wij alleszins onbillijk vinden.
Wat het „tuchtrecht" aangaat, heeft de Synode der Gereformeerde Kerken zich óók „beraden". De plaatselijke Kerk was vroeger het een en het al. En toen indertijd de Asser Synode uitsprak, dat dr. Geelkerken, op beschuldiging van „broeder Marinus" (onzalige gedachtenis !) moest worden getuchtigd, weigerde de Kerkeraad die tuchtiging ten uitvoer te leggen. En nu — is een Commissie van vijf deputaten benoemd, om te onderzoeken of tuchtrecht van „meerdere vergaderingen". dus tuchtoefening over het hoofd van den Kerkeraad heen, gewettigd is.
Oud- en nieuw Kerkrecht? En zal dan het „oude" nieuw Kerkrecht blijken te zijn, terwijl het z.g.n. nieuwe Kerkrecht dan het oude is ? We wachten met belangstelling.

KERKEN OF KERK
Nu we toch met de Gereformeerde Kerken bezig zijn, uit belangstelling voor den gang van zaken daar (omdat er zooveel is, dat ons toch eigenlijk óók raakt) willen we hier ook wijzen op iets, waarover we al eerder schreven. In de dagen van de Doleantie (jammerlijke gebeurtenis toch !) sprak men 't liefst van „Kerken" en niet van Kerk. Het woord „plaatselijke Kerk" lag ieder in den mond, groot en klein, die met den doleantie-geest was aangeraakt. Van „algemeene Kerk" wilde men niet hooren, het was altijd weer „de plaatselijke Kerk" en dan nog wel liefst „de autonomie van de plaatselijke Kerk"; iets, wat ook sommigen onder óns heeft aangestoken. Wie nu de oudste Kerkorden leest, weet dat onze Vaderen voorzichtiger waren. Het was de Kerk van Christus, die tot openbaring kwam te Amsterdam, te Veenendaal, te Nijmegen, te Vianen, enz. enz. De Kerk van Christus in Nederland, van plaats tot plaats. De éénheid tot grondslag en de plaatselijke openbaring overal ; waarbij ook dadelijk de éénheid werd onderstreept in de kerkelijke vergaderingen. Men leze b.v. de Artikelen van Wezel (door ons uitgegeven als „Beginselen van Kerkrecht" bij de Maassluissche Boekhandel, 1934). Daar staat natuurlijk de Kerk (en niet de Kerken) op den voorgrond. Het begin luidt b. v. „Eenige bepaalde Punten (Capita) of Artikelen, welke de Dienaren der Nederlandsche Kerk (ecclesiae Belgicae) voor den dienst dezer Kerk noodzakelijk en nuttig hebben geoordeeld". Het gaat er om „dat in de Kerke Gods alle dingen betamelijk en met orde geschieden".
Zóó kunnen de Kerken dan op de rechte wijze leven als de ééne nationale Kerk van Nederland. Het gaat om den welstand der Kerken, waarvoor de kerkelijke vergaderingen noodig zijn, opdat de Kerken de saamhoorigheid voelen en eerbiedigen (Art. 6). Om een ordening te stellen voor de geheele Kerk (Art. 7) ; want er moet orde zijn in Gods Kerk (Art. 11) enz.
Waar men nu in de dagen van de Doleantie nooit sprak van de Kerk, de Gereformeerde Kerk, maar altijd van de Kerken, de Gereformeerde Kerken (de oude Afgescheidenen deden dat niet, de Chr. Gereformeerden óók niet) daar begint men den laatsten tijd toch (gelukkig !) anders te praten en te schrijven. Zoo lazen we dezer dagen in een artikel van dr. Prins, Geref. pred. te Dordrecht — vroeger te Deventer — in Credo :
„We spreken over de Geref. Kerk. Maar dat gaat eigenlijk niet ; de Geref. Kerk. Het moet meervoud zijn. 'k Weet wel, dat er onder ons den laatsten tijd sterke nadruk gelegd wordt op het landelijke, totale, over alle plaatselijke Kerken zich koepelend kerkelijk leven. Hierin kan ik me echter zonder meer niet vinden, tenzij men tegelijk open oog houdt voor de beteekenis der plaatselijke Kerk. 'k Meen, dat de leer van het N.T. aangaande het kerkelijk instituut ons in een richting wijst, die beide elementen evenveel nadruk geeft".
Juist ! „Die beide elementen". Wat absoluut scheef ging bij velen. Want men wilde eenvoudig van „de algemeene Kerk" niet weten en het was altijd en alleen „de plaatselijke Kerk". Het moest zijn „de Gereformeerde Kerken" en het mocht niet zijn : de Gereformeerde Kerk van Nederland.
Gelukkig, dat men nu toch uit een ander vaatje begint te tappen. Al valt het sommigen nog zwaar en moeilijk, om in deze tot het oude terug te keeren.
Want die hier voorstanders zijn van het nieuwe, zijn inderdaad liefhebbers van het oude Gereformeerde Kerkrecht !

DE ARMOEDE VAN DE CATECHISATIEKAMER
Ds. J. A. van Nie, een geestelijk man, die buitengewoon geestig over geestelijke aangelegenheden weet te spreken en dan ook wel de kwasi-geestelijke dingen op geestige wijze als ongeestelijk weet te teekenen, heeft een mooi boekje geschreven over: De Catechisatie. Dat onderwerp heeft het zeer dringend noodig, om door meer dan een met ernst besproken te worden. Want als er één ding in ons kerkelijk leven is, dat in groot gevaar en in groot verval verkeert, dan is het de Catechisatie. Men kan bijna geen dominé meer spreken of, als het gesprek in de richting van de catechisatie komt, dan wordt het een en al narigheid. En de oplossing in dit moeilijk probleem schijnt nog niet gevonden te zijn. Ds. Van Nie begint in z'n boekje, dat keurig uitgegeven is bij „Holland" in Amsterdam, met een eerste aangelegenheid bij dit onderwerp, en wel : de plaats, waar gewoonlijk gecatechiseerd wordt. En hij zegt daarvan : Er is een kwasi-ernst bij de Kerk wat betreft haar catechetisch onderwijs. Alleen maar : de Kerk schijnt in dit werk een stuk van haar ernst te hebben laten vallen. En de vraag komt op, of de Kerk bij dit werk zichzelf wel ernstig neemt, zooals zij zichzelf bij andere gelegenheden ernstig tracht te nemen. Deze vraag belemmert ons onderzoek naar de catechisatie, ons pogen een scherp beeld van de catechisatie te krijgen, ten zeerste.
Toch doet zich deze vraag als vanzelf voor. Wanneer wij de schrielheid der Kerk, de geestelijke en stoffelijke schrielheid der Kerk in deze materie ontmoeten, dringt zich deze vraag naar voren. Hoe dikwijls is het lokaal, waar de catechisatie gegeven wordt, niet meer dan een overgebleven stuk ruimte. Hoe dikwijls wordt dit lokaal niet tevens voor andere doeleinden gebruikt. Doeleinden, die liggen tusschen brandstoffenbergplaats en consistoriekamer. Hoe armelijk zijn niet vaak de leermiddelen en is het meubilair niet vaak samengesteld uit afgedankte kerkbanken ?
Wat erger is, de vraag komt op : hoe leidt de Kerk haar dienaren op tot catecheten ? Is er wel zoo iets als een opleiding ? En wanneer soms de zaak theoretisch in orde is, wat komt er dan practisch van terecht ?
Waarlijk, het kost dubbele kracht de Kerk in haar catechetisch onderricht te nemen met de ernst, die haar toekomt".
Ds. Van Nie zegt zelf van zijn boekje : „Dit boekje heeft heelemaal niet de pretentie een handboek voor de catechese, laat staan een handboek voor didactiek in het algemeen te zijn. Het is alleen bedoeld als de neerslag van de bezinning van een man, die uit den aard van zijn beroep en zijn roeping met catechese van doen heeft. Het is dus meer een reeks practische opmerkingen van een man van de practijk".
Als zoodanig willen we graag naar ds. Van Nie luisteren. Hij weet de dingen pittig te zeggen ; waarbij er telkens een neiging komt tot vragen en — tegenspreken. Maar dat wil ds. Van Nie ook, om zoo tot klaarheid en waarheid te komen.

DE STRIJD OM DEN BIJBEL OP DE SCHOOL (3)
Men meende vroeger, dat de Overheid alles moest doen, zoowel wat de Kerk als de School betreft. We hadden hier de Staatskerk en vóór 1795 waren er geen algemeene voorschriften met betrekking tot het lager onderwijs, want gedurende het bestaan van de Republiek der Vereenigde Nederlanden werd door de Gewesten hierin voorzien. In verschillende Gewesten bestonden dan ook schoolreglementen, waarvan er sommige reeds dateeren van de tweede helft van de 17de eeuw. Vrijheid van onderwijs te geven, bestond niet ; dit was alléén geoorloofd met toestemming der Gewestelijke Overheid. De belangstelling in het onderwijs nam toe in de laatste jaren vóór 1795, voornamelijk door het werk van de in 1784 opgerichte Maatschappij tot Nut van 't Algemeen (een Vereeniging, die leefde uit de humanistische, modernistische beginselen, waarbij men sprak van „het brave kind").
Zoolang nu de Overheden het niet al te bar maakten, had men er geen erg in, dat het voor de godsdienstige opvoeding van de kinderen fataal was, dat de Overheid voor het schoolonderwijs zorgde. Men voelde niet, dat de ouders hier de eerst geroepenen zijn. Maar toen het met den godsdienst door de Staatsbemoeiïng in de verkeerde richting ging, gingen de oogen voor het gevaar open. Langzaam en voorzichtig ging de Overheid van kwaad tot erger ; in de School — en ook in de Kerk. En 't kwade heeft tenslotte moeten medewerken ten goede, dat de oogen van vele ouders hiervoor open gingen, dat het onderwijs niet Staatszaak is, maar zaak van de ouders, gesteund door de Overheid, die bij het volksonderwijs zeer zeker groote belangen heeft. Bij de op 1 Maart 1796 geopende Nationale Vergadering, werd reeds in April ingezonden „een proeve van een ontwerp van nationaal onderwijs" ; maar in 1798 is eigenlijk de eerste regeling gemaakt. En art. 60 van de Staatsregeling van 1798 luidde : „De Maatschappij wil, dat de verlichting en beschaving onder hare leden zooveel mogelijk bevorderd worde". In 1799 werd de bekende theologische hoogleeraar te Leiden, J. H. van der Palm, benoemd als „Agent" (Minister) om leiding te geven bij de regeling van het onderwijs, dal in het teeken van „verlichting" en „beschaving" moest staan. De Wet van 1801 werd dan ook genoemd „de .Schoolwet van Van der Palm" (zooals wij nog- spreken van „de Onderwijswet van dr. De Visser, '20"). Er kwam een Raad van Binnenlandsche Zaken, waarin werd opgelost het vroegere Agentschap van Nationale Opvoeding ; Van der Palm zorgde voor het Schoolwezen. De tweede Schoolwet was van 1803. Er was daarin sprake van openbaar onderwijs, dat door den Staat ingericht en bekostigd werd, en van bijzonder onderwijs, dat van particulieren kon uitgaan, als er toestemming van de Overheid was verkregen ; dat werd niet uit de openbare kassen bekostigd. Onder de werking der Constitutie van 1806 kwam weer een nieuwe Schoolwet tot stand welke, behoudens enkele daarin aangebrachte wijzigingen, heeft gegolden tot 1857. Aan deze wet van 1806 is de naam van Van den Ende verbonden, die in 1805 benoemd was tot „Commissaris tot de zaken van het lager schoolwezen en onderwijs". In deze (derde) Schoolwet waren de bepalingen opgenomen : dat er waren openbare scholen (welke geheel of gedeeltelijk uit de openbare kassen werden bekostigd) en bijzondere scholen (welke niet zonder toestemming van de centrale Overheid mochten worden opgericht). Het onderwijs moest worden gericht op „het aanleeren van gepaste en nuttige kundigheden" en opgeleid moest worden tot alle maatschappelijke en Christelijke deugden.
Gedurende de inlijving van ons land bij Frankrijk bleef deze Schoolwet gelden, echter met bepaling, dat onderwijs in de Fransche taal zou moeten worden gegeven. Ook na het herstel der onafhankelijkheid werd de wet van 1806 gehandhaafd bij Souverein Besluit van 1814.
De Grondwet van 1814 bevatte omtrent het onderwijs in Art. 40 de volgende bepaling : „Ter bevordering van Godsdienst, als een vaste steun van den Staat en ter uitbreiding van kennis, is het openbaar onderwijs op de scholen een aanhoudend voorwerp van de zorg der Regeering".
De Grondwet zweeg geheel over het bijzonder onderwijs, en dat, waar de belangstelling voor het onderwijs begon toe te nemen. De aanvragen tot oprichting van bijzondere scholen met godsdienstigen grondslag werden geregeld geweigerd.
In 1828 werden verzoekschriften tot de Staten-Generaal gericht, waarin werd aangedrongen op wijziging van de Schoolwetgeving in dier voege, dat meer vrijheid aan het bijzonder onderwijs zou worden toegekend. Bij Koninklijke Besluiten van 27 Mei 1830 en 13 Aug. 1831 werd tegemoet gekomen aan de bezwaren tegen het gemis van vrijheid om bijzonder onderwijs te geven. O.a. werd bepaald, dat vergunningen tot oprichting van bijzondere scholen in de steden zou mogen worden gegeven door de stedelijke regeeringen en ten plattenlande door de plaatselijke besturen, onder goedkeuring van Gedeputeerde Staten. Zooals men weet, volgden echter de weigeringen geregeld op de aanvragen tot stichting van een bijzondere school, wat toen voor mannen als De Savornin Lohman, Pierson, Groen van Prinsterer e.a. aanleiding is geworden den „Schoolstrijd" met kracht te voeren.
In 1840 werd door Koning "Willem II een Commissie ingesteld om de talrijke tegen de wetgeving op het lager onderwijs bestaande grieven te onderzoeken. Dit onderzoek had tot resultaat, dat bij Kon. Besluit van 2 Jan. 1842 (Staatsblad no. 1), aan eenige grieven werd tegemoet gekomen. Er kwam een „beroepsrecht" op Gedeputeerde Staten tegen een weigering van een gevraagde vergunning om een bijzondere school op te richten. Ook werden bepalingen gemaakt, dat men bij de regeling van het openbaar onderwijs zooveel mogelijk moest letten op „evenredige vertegenwoordiging van de godsdienstige gezindten" bij het personeel en bij de provinciale commissies. Men wilde Protestant, Roomsch, Jood bij elkaar brengen, zijnde één volk.
Al deze maatregelen hadden ten doel om aan de algemeen gerezen bezwaren tegemoet te komen en méér nog, om het openbaar onderwijs voor iedereen geschikt te maken, waardoor dan de behoefte aan bijzondere scholen zou verminderen en wellicht geheel wegvallen. Bij de aanvragen tot stichting van een bijzondere school verklaarde de Overheid dan ook bijna altijd, dat het volstrekt niet noodig was, dat er geert behoefte aan bestond, want dat de openbare school „godsdienstig genoeg" was.
De voorstanders der bijzondere school wenschten echter volledige vrijheid van het bijzonder onderwijs en daarom bleven zij, steeds met meer klem, aandringen, waarvoor ook oorzaak te over was, omdat het openbaar onderwijs hoe langer hoe meer in dienst gesteld werd van „den geest dezer eeuw" (Da Costa).
In de Grondwet van 184-8 kwam het beginsel der vrijheid. Art. 194 luidde : „Het openbaar onderwijs is een voorwerp van de aanhoudende zorg der Regeering.
De inrichting van het openbaar onderwijs wordt, met eerbiediging van ieders godsdienstige begrippen, door de Wet geregeld.
Er wordt overal in het Rijk van overheidswege voldoend openbaar lager onderwijs gegeven.
Het geven van onderwijs is vrij, behoudens het toezicht der Overheid, enz., het een en ander door de Wet te regelen".
De vrijheid van het bijzonder onderwijs was nu in de Grondwet geregeld (niet zonder grooten strijd !), doch de uitvoering moest bij de Wet geschieden ; wat nog al wat „voeten in de aarde" had.
In 1849 kwam het eerste Ontwerp van een nieuwe Schoolwet ; maar het Ministerie moest aftreden en de Wet bleef uit.
Het liep met de weigeringen tot oprichting van bijzondere scholen zóó bar, dat in 1850 Minister Thorbecke een circulaire liet uitgaan, waarbij Gedeputeerde Staten en de Gemeentebesturen werden verzocht wat vrijgeviger te zijn met het
verleenen van vergunningen voor het oprichten van bijzondere scholen.
Een tweetal nieuwe pogingen tot het maken van een Schoolwet door Minister Van Reenen (Ministerie Van Hall—Donker Curtius) mislukten.
Onder het daarop volgend Ministerie Van der Brugghen (1856—1858) diende Minister Van Rai3pard een Ontwerp eener Wet tot regeling van het lager onderwijs in, welk Ontwerp werd aangenomen. Dit was de bekende Wet van 1857. (Wordt voortgezet.)

DE KINDERDOOP VERBOND EN DOOP (22)
Alles wat met de ontvangenis en de geboorte van den mensch in verband staat, getuigt van zijn zonde. In zonde ontvangen, in ongerechtigheid geboren ; een onreine uit een onreine — vleesch en bloed kunnen het Koninkrijk Gods niet beërven.
Toch is de voortplanting van het menschengeslacht naar Gods ordening en de Apostel schrijft, , dat de kinderen der geloovigen „heilig" zijn. Dat wil niet zeggen : zonder zonden. Maar het wil wèl zeggen : Gode afgezonderd, in Zijn verbond begrepen, en liggend onder de belofte des Evangelies, waarbij de God des Verbonds in het Sacrament van den Heiligen Doop een teeken en een zegel wil geven. Het water spreekt van onze vuilheid, maar het getuigt tegelijk van hel bloed van Christus, dat reinigt van alle zonden. Zoo komt het kind des Verbonds, onder de Verbondsbelofte, waarbij wij gelooven en belijden, dat de Heere de afwassching der zonden in geen mindere mate wil toezeggen aan de kinderen, dan aan de volwassenen.
Hier gaat ons Doopsformulier terug naar de besnijdenis.
Daar waar de Heere het orgaan van de voortplanting heeft gegeven en daar waar de mensch 't meest voelt, dat hij zich „schamen" moet, vanwege de onreinheid en onheiligheid, daar wilde God onder het Oude Verbond het teeken en zegel van Zijn genadeverbond geven en bevestigen. En de Heere wilde daar dan, en op die wijze. Zijn belofte geven : dat zij weder een zaad zouden voortbrengen, dat, niettegenstaande zijn onheilige geboorte, uit kracht des Verbonds, den Heere geheiligd zoude zijn.
„Niet slechts de bondgenoot" — schrijft Wormser, blz. 67 — „maar de bondgenoot en zijn zaad, hoezeer in ongerechtigheid geboren en in zonde ontvangen, de bondgenoot in zijn diepste wezen, en dus in zijn voortplantingsvermogen, wordt wederom tot genade aangenomen ; en daarom ook wordt dat zaad onder de oude en nieuwe bedeeling tot het zegel des Verbonds toegelaten".
Maar nu moeten we niet denken, dat het alleen maar een onreinheid des vleesches is, want alle onreinheid van het lichaam heeft haar grond in onreinheid van het hart.
„Daarom zag de besnijdenis des lichaams op de besnijdenis van het hart, en was het, vermits het genadeverbond twee deelen heeft, de vermaning : „Besnijdt dan de voorhuid uws harten en verhardt uw nek niet meer" (Deut. 10 VS. 16). „Besnijdt u den Heere, en doet weg de voorhuiden uwer harten" (Jer. 4:4). En daarom was ook de belofte : „De Heere, uw God, zal uw hart besnijden ; en het hart van uw zaad, om den Heere, uwen God, liet te hebben, met uw gansche hart en met uw gansche ziel, opdat gij leeft" (Deut. 30 : 6)". Dat geldt evengoed onder het Oude Testament als onder het Nieuwe Verbond. Gelijk ook wel blijkt uit Rom. 2 vs. 28, 29 : „Wamt die is niet een Jood, die het in het openbaar is ; noch die is de besnijdenis, die het in het openbaar in het vleesch is ; maar die is een Jood, die het in het verborgene is, in de besnijdenis des harten, in den geest, niet in de 'letter is de besnijdenis ; wiens lof niet is uit de menschen, maar uit God".
,,De besnijdenis des lichaams" — schrijft Wormser — „was een zegel en onderpand van het genadeverbond, waarin God de besnijdenis des harten, de wègneming van zonde en beschaamdheid, belooft. Zij was het zegel en onderpand van de geestelijke besnijdenis, die eenmaal door Christus aan Zijn gansche gemeente zou worden verricht, en moest als een bloedig teeken stand houden, zoolang de wègsnijding en uittrekking van het lichaam der zonde door Christus' offerande aan het kruis nog niet had plaats gehad". „Die offerande volbracht zijnde, kwam voor de bondgenooten de afwassching als zegel des Verbonds in de plaats".
„Uit het bovenstaande hebben wij gezien" — aldus Wormser — „dat het Gods genadige wil was, dat onder het Oude Verbond óók de jonge kinderen het teeken en zegel van het genadeverbond zouden ontvangen. Het recht dier jonge kinderen, om als kinderen des Verbonds te worden aangemerkt, werd dan, om der zonde wil, op een zeer bijzondere wijze aangeduid en bevestigd". „De kinderen van hem, die zelf in het Verbond begrepen was en mitsdien erfgenamen des Verbonds zijn, werd dan op een zeer bijzondere wijze dit beteekend en verzegeld".
„De besnijdenis als teeken en zegel van het genade verbond hield stand tot op het tijdstip, dat de Heere, gereed staande om ten hemel te varen, aan Zijn discipelen het bevel gaf : „Gaat dan henen, onderwijst alle volken, dezelve doopende in den naam des Vaders, en des Zoons, en des Heiligen Geestes ; leerende hen onderhouden alles wat Ik u geboden heb. (Matth. 28 VS. 19)".
„Daarom zegt de Gereformeerde Kerk ook : „Dewijl dan nu de doop in de plaats der besnijdenis gekomen is, zoo zal men de jonge kinderen, als erfgenamen van het rijk Gods en van Zijn Verbond doopen". En als zij dat zegt, heeft de Gereformeerde Kerk daartoe het volste recht.
„Die vóór de offerande van Christus recht hadden op het ontvangen van het zegel des Verbonds onder het teeken der besnijdenis, hebben na den dood en de opstanding des Heeren recht op het ontvangen van het zegel des Verbonds onder het teeken van den Doop — want de besnijdenis, in haar inhoud en beteekenis, loopt door het Nieuwe Verbond, en heeft daarin haar vervulling erlangd. En door die vervulling heeft zij zich nu, met verwisseling van het teeken, uitgestrekt óók over het vrouwelijk geslacht", (blz. 69)
(Wordt voortgezet.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 oktober 1939

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 oktober 1939

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's