Luther
Wij kennen „de vlucht in het Klooster" van Luther. Door een zwaar onweder overvallen, sloeg Luther de schrik om het hart ; daarna komt de vreeselijke pestziekte onder de Erfurter studenten ; dan de plotselinge dood van een vriend. Dat alles bewoog hem in 1505 tot een gelofte om in 't klooster te gaan en hij begaf zich tot de Augustijner monniken te Wittenberg. Het was het vreeselijk denkbeeld van een strengen Rechter in den hemel, een wreekend, toornig God, dat hem daartoe dreef. „Indien ik eens gestorven ware, zooals mijn vriend, waar zou ik dan nu zijn ? " was de vraag, die den student Maarten Luther niet meer losliet.
Het klooster was zijn eenige uitweg. In de dagen, waarin Luther leefde, kende men geen andere en betere plaats, die meer geschikt was om „voor de zaligheid van z'n ziel" te leven, dan het klooster.
De Augustijners waren een strenge bedelorde, die zich o.a. op de studie der theologie toelegden. In 1506, na een proefjaar, werd hij in „de orde" opgenomen ; twee jaar later, in 1508, werd hij tot priester gewijd en zette toen zijn theologische studiën voort.
Luther hoopte door toewijding aan God in het kloosterleven den zielevrede te zullen vinden, waarnaar zijn binnenste hijgde, gelijk het dorstig hert schreeuwt naar de waterstroomen. Rust verlangde hij. En juist de strenge tucht van het kloosterleven, de vernederingen, ontberingen, zelfkastijdingen enz. van den bedelmonnik, prikkelden zijn ontwaakt geweten nog meer. Meer dan ooit spande alles tezamen om hem in een zee van gewetenskwellingen en twijfel aan zichzelf te storten, waarin hij moest verdrinken, zoo vreeselijk werd de angst zijner ziel. Luther is in het klooster krank geworden met 'n echte „kloosterziekte". Het is een zeer verschrikkelijke , .zielsziekte", waarbij de patiënt, voortdurend door angst gedreven, zich aldoor kwelt met de gedachte, iets vreeselijks misdreven te hebben, waardoor men den toorn van God zou hebben opgewekt. En dan komt er een angstig haasten en jagen om goede werken op goede werken te stapelen, om het misdrevene weer goed te maken, uit te wisschen, ongedaan te maken en wèg te werken en „een barmhartigen God te verdienen".
Deze „zielsziekte" uit zich in herhaaldelijk biechten, wroeten in het geweten en zichzelf onophoudelijk den spiegel van Gods volstrekten eisch voorhouden. Het is „een krankheid tot den dood".
Verscherpt werd deze krankheid, deze angstpsychose, door zijn theologische studiën. Luther studeerde n.l. in de eerste plaats de Nominalistische scholastiek, die van de veronderstelling uitgaat, dat de mensch een vrijen wil bezit, en dat hij dien maar heeft in te spannen, om de eeuwige zaligheid te verdienen. Als de mensch dus maar wil, als hij zich er maar toe zet ; als hij zich maar inspant en geheel geven wil ! Maar nu is de mensch zoo traag. En daarom moet hij zichzelf zoo streng mogelijk behandelen, wat een mishandelen wordt, op velerlei manier, lichamelijk en geestelijk.
Bekend is hoe streng Luther z'n kloosterplichten waarnam, hóe hij het zwaarste en minst aantrekkelijke werk voor zijn rekening nam ; hoe hij vastte en bad ; hoe hij zich tot bloedens toe kastijdde en geeselde ; en zonder den slaap te kunnen vatten, bracht hij de nachten door in angst en met groote zorgen, weenend en biddend. En dan hoorde men hem kermend uitroepen : „Maarten Luther, wanneer zul je nu vroom worden, dat gij een genadigen God verkrijgt ? "
Dat is Luther's bekende woord : „een genadige God". En dien moest en kon men verkrijgen — verdienen — door goede werken ; waartoe de mensch, met z'n vrijen wil ten goede, zich moest zetten dag en nacht.
De mensch had het in z'n hand om een genadigen God te verdienen !
Zooals we weten, heeft God dr. Maarten Luther door Zijn Geest en Woord onderwezen in den weg der verzoening en verlossing door het geloof in Jezus Christus. Toen leerde hij verstaan, wat het is, dat een goddelooze om niet gerechtvaardigd wordt, zonder de werken der Wet, enkel door het geloof in Jezus Christus. En toen leerde hij ook anders denken over den vrijen wil. Toen schreef hij tegen den humanist Erasmus, die een boekje geschreven had „over den vrijen wil", een geschrift, dat tot titel droeg : „Over den knechtelijken wil", waarin de leer van de erfzonde, met erfschuld en erfsmet, de leiding had. „Ik ellendig mensch, wie zal mij verlossen van het lichaam dezes doods ? Ik dank God, door Jezus Christus, mijnen Heere !"
Later heeft Luther een pracht uitlegging geschreven over den brief aan de Galaten, waarin de onverdienstelijkheid van de goede werken klaar en duidelijk wordt uiteengezet en de overvloeiende genade Gods en de volkomen gerechtigheid van Jezus Christus wordt gepredikt.
Dat is het beginsel der Hervorming. Wat volstrekt niet iets „nieuws" was, door Luther uitgevonden. Het was het oude Evangelie naar de Schriften, in Rome's Kerk geheel overwoekerd door valsche leeringen, maar door God Zelf weer aan Luther, Zwingli, Calvijn en anderen geopenbaard.
God wilde het oude weer nieuw maken !
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 oktober 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 oktober 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's