De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Bijzonderheden uit Luthers jeugdjaren.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Bijzonderheden uit Luthers jeugdjaren.

9 minuten leestijd

„Ik ben een boerenzoon, mijn vader, grootvader en voorouders zijn echte boeren geweest", schrijft Luther later. De zaak zit zóó : Vader Luther, Hans Luther, had na zijn huwelijk met Margaretha Ziegler de boerderij van zijn ouders te Möhra verlaten, om zichzelf een bestaan te zoeken. Hij was mijnwerker geworden in de kopermijnen te Eisleben. Toch is hij niet de , arme" mijnwerker geweest, zooals gewoonlijk de kinderboekjes dat voorstellen. Door vlijt en spaarzaamheid is hij tot hooger welvaart geklommen, zoodat hij reeds.in 1502 pachter van smeltovens was en een eigen bedrijf had en reeds vóór 1507 trad hij als deelnemer in verschillende ondernemingen op.
Toen Maarten (geb. 10 Nov.1483) 8 jaar was (1501) bekleedde zijn vader te Mansfeld reeds de functie van „gemeente-heer", of vertrouwensman van de regeering der stad. De vier vertrouwensmannen (wethouders ? ) moesten den raad der stad bijstaan en deze heer en zullen wel niet tot de armste burgers behoord hebben. Toen vader Luther stierf (Mei 1530) liet hij een behoorlijk vermogen van ongeveer l0.OOO gulden na.
Van het intieme gezins- en familieleven van Luther is ons méér bekend dan van dat van één der andere reformatoren, omdat Luther in zijn brieven vrij en ongedwongen over alles schreef en deze familiebrieven aan zijn ouders, zijn vrouw, familieleden en vrienden zijn ons bewaard.
Hans Luther was een kleine, pootige man, wien men het aan kon zien, dat hij niet tegen werken óp zag ; en zijn vrouw, óók niet groot van persoon, was bereid hem altijd daarbij te helpen. Ze moesten met hun eigen handen die toekomst bouwen, geen van beide had veel meegekregen van huis. Maar ze hadden goeden moed en een vast vertrouwen op God. Moeder Luther was nogal bijgeloovig, vader Luther was wat vrijer in zijn denken en stond vrij sceptisch tegenover allerlei legenden en wonderverhalen, die de geestelijken vertelden en die zijn vrouw en anderen dikwijls zoo angstig maakten.
Den 10-den Nov. 1483, kort voor middernacht, werd in het groote, sombere huis in de Langestraat te Eisleben een zoon geboren. Reeds eerder hadden zij een kind gehad, maar dit was heel spoedig gestorven. Den volgenden dag, den Uden Nov., werd het kind gedoopt in de Petrus-Paulus Kerk en naar den heilige van dien dag (Martinus van Tours) Maarten genoemd, „een naam, die hij als een dapper ridder in den dienst van zijn Heere Christus zijn leven lang met eere gedragen heeft". Al is het op andere wijze geweest, dan men aanvankelijk dacht.
Toen Maarten een half jaar oud was, verhuisden zij (1484) naar Mansfeld, waar de vooruitzichten beter waren en waar Hans Luther spoedig een goed bestaan vond in de kopermijnen en bij de smeltovens.
„Mijn vader was in mijn jonge jaren een arme mijnwerker, mijn moeder droeg het hout op haar rug ; ze hebben het zuur gehad en er bloedig voor moeten werken, zóó hebben ze ons opgevoed", schrijft Luther later.
Streng, zeer streng waren de ouders voor hun zoon Maarten en de zes kinderen die daarna geboren zijn. De hervormer kon er krasse staaltjes van vertellen. Naar de zeden van die dagen moesten de kinderen vooral „klein" gehouden worden en tucht leeren. Ongehoorzaamheid werd met kracht tegengegaan en vader kon er geducht op los rammelen. Maarten Luther zelf zei later óok : liever een dooden zoon, dan een ongehoorzamen zoon !
„Mijn vader" — schrijft Maarten later — „sloeg mij eens zóó hard, dat ik voor hem op de vlucht ging en boos op hem werd, totdat hij mij weer tot zich trok". Altijd als Luther later verhaalde van zijn jeugd, komen de strenge tuchtoefeningen op 't tapijt, maar hij besluit zijn verhaal altijd met de opmerking : „toch meenden ze het echt goed", en met groote dankbaarheid maakt hij er altijd gewag van, dat zijn ouders voor hun kinderen gedaan hebben, wat ze konden".
Toen Maarten 7 jaar was, bracht zijn vader hem naar de school te Mansfeld, waar ze woonden, maar heel veel heeft hij daar niet geleerd. De meester was, als de meeste onderwijzers zijner dagen, een zeer slecht paedagoog, die alleen uitnemend goed wist wat ranselen was. In één voormiddag-schooltijd is de kleine Maarten eens vijftien maal door hem afgeranseld. Dat heeft Luther nooit kunnen vergeten en hij kon later slechts met bitterheid daarvan spreken. Zelf was hij in de opvoeding ook niet zoo zachtzinnig, en zei : „men moet de roede niet sparen" ; maar : „men moet zóó straffen, dat naast de roede de appel ligt".
Een van de plezierigste herinneringen aan dezen schooltijd was, dat hij bij ongunstig weer dikwijls door een van zijn oudere vriendjes naar school gedragen werd, als de weg zoo modderig was. Vijftig jaar later betuigde hij daarvoor zijn dank aan dien vriend, die inmiddels zijn zwager geworden was. Luther schonk hem toen 'n bijbel, waarin hij schreef: „Aan mijn goeden ouden vriend Nicolaas Oemler, die mij als kind meer dan eenmaal naar en van school heeft gedragen, toen we nog geen van beiden wisten, dat de eene zwager den anderen droeg".
Veel heeft Luther op de school te Mansfeld niet geleerd. De kinderen konden wat lezen en schrijven, toen ze er vijf jaren hadden school gegaan ; de tien geboden kenden ze, de geloofsartikelen en het Onze Vader, een paar psalmen, en beetje Latijnsche grammatica en een serie versjes op de heiligendagen — maar dat was dan ook alles.
Het zangonderricht was voor Maarten het prettigst. Gewoonlijk werden Latijnsche verzen gezongen, vierstemmig. Daar deed de jonge Maarten graag aan mee en heel zijn hart ging open, a^s men zoo nu en dan ook eens een Duitsch lied zong, zoo n kort versje als op de groote feestdagen door de gemeente in de kerk gezongen mocht worden : „Geioofd zijt gij. Heer Jezus Christus", of : „Christus is opgestanden van der moordenaars handen".
Toen Maarten wat ouder was, zond zijn vader, die den leergierigen jongen gaarne een betere opvoeding gunde, hem naar Maagdenburg, omdat daar een goede school was, gesticht door de „broeders des gemeenen levens" en hij daar een kennis had wonen, aan wien Luther verzocht een oogje in 't zeil te houden.
In deze stad met haar aartsbisschoppelijk hof kreeg Luther voor het eerst een duidelijken indruk van wat er van de Roomsche Kerk in zijn dagen geworden was. Als 14-jarige jongen zag hij b.v. een Vorst van Anhalt als barrevoeter op straat loopen hedelen om brood Hij dacht daarmee den hemel te verdienen. Hij zag er uit als een doode, vel over been ; en is spoedig daarna gestorven.
Van z'n kerkgang heeft Luther in z'n jeugdjaren niet zoo'n verheven indruk bewaard. Hoewel hij trouw ter kerk ging, veel heeft hij er niet aan gehad. „De tekst van het Evangelie werd voorgelezen, en de mis werd bediend, maar de menschen begrepen er eigenlijk geen letter van en er waren geen predikers, die het ons konden uitleggen", schrijft hij later, van Christus hoorde hij alleen als van den strengen Rechter, zoodat hij langen tijd daarna nog beefde en sidderde, als hij den naam van den Heiland hoorde uitspreken.
Toen Luther op school was, moest hij zelf voor een groot gedeelte den kost verdienen of eigenlijk bij elkaar bedelen. Dat was nu niet alleen omdat vader Luther zoo straat-arm was (want dat is een fabeltje), maar dat was in dien tijd veelal gewoonte onder de leerlingen, die „van huis" gingen, om de „middelbare" school te bezoeken. Dat was ook al weer voor een groot deel om paedagogische redenen en wel om de kinderen „kort" te houden en onder strenge tucht te doen opgroeien. Ze moesten vroeg leeren, dat het leven niet zoo makkelijk is, en dat de dingen niet „van zelf" gaan ; wat voor Luther heilzaam gewerkt heeft en een stempel op z'n heele leven heeft gedrukt. Vroeg heeft Luther den harden strijd om het bestaan leeren kennen.
Ook was het nog iets anders dan „bedelen", wanneer de jonge studenten zongen voor sommige huizen, waar welgestelde menschen woonden.
Uit een brief, welken Luther 15 Febr. 1530, kort voor het sterven van zijn vader (in Mei 1530) aan hem schreef, blijkt duidelijk, dat vader Luther niet Roomsch gebleven is, maar met de Hervorming is meegegaan. De oude Luther was toen ernstig ziek, en Maarten Luther wekt hem op met blijdschap en dankzegging te erkennen de talige leer van Gods Zoon, onzen Heere Jezus Christus, „waartoe gij nu ook door Zijn genade geroepen en gekomen zijt uit de vroegere gruwelijke duisternis en dwalingen".
Een jaar na den dood van Luther's vader stierf zijn moeder (30 Mei 1531). Tien dagen vóór haar heengaan schreef hij haar een teederen brief, waarin hij haar op Christus en op Christus alléén als den eenigen Trooster wijst. „Men heeft ons geleerd" — schrijft hij — „op ons werk en de heiligheid der monniken te bouwen en onzen Heiland niet als een trooster, maar als een vreeselijk rechter en tyran te beschouwen, zoodat we van Hem naar Maria en de heiligen hebben moeten vluchten. Maar we weten beter — zoo jubelt hij — dank zij de grondelooze goedheid en barmhartigheid van onzen hemelschen Vader".
Zij had hem in de jeugdjaren de roede niet gespaard. Alleen om 't feit, dat hij een noot had weggenomen, sloeg zij Maarten tot bloedens toe. Toch hield Luther veel van haar en verblijdde zich over haar geloof in den Heiland.
Een typisch verhaal doet Luther nog uit z'n jeugdjaren wat betreft de Kerk en de zaligheid. Een onvergetelijken indruk maakte op hem, als knaap, een schilderij, voorstellende de alleen-zaligmakende-Kerk. Het was een groot schip, waarin de Paus zat met zijn kardinalen en bisschoppen, varende naar den hemel. De leeken zwommen in het water rondom het schip. Velen verdronken, anderen hielden zich krampachtig vast aan de touwen, die door de geestelijken werden uitgeworpen.
Luther moet daar lang voor hebben stilgestaan. „Er lag geen enkelen paus, kardinaal, bisschop of monnik in het water, alleen maar leeken", zoo zegt hij. En dat kwam den jongen Maarten toch wel wat erg wonderlijk voor. Hij vertrouwde het niet heelemaal.
Later is hem hierover nog een ander licht opgegaan. Toen hij bij ontdekkend licht des Geestes mocht leeren, hoe een goddelooze gerechtvaardigd wordt uit louter genade, zonder de werken der wet, in Jezus Christus, den Heere onze gerechtigheid. Dat is het evangelisch geloof, dat de Heilige Geest door hot Woord in het hart werkt: dat niet alleen anderen, maar ook mij vergeving der zonden, eeuwige, gerechtigheid en zaligheid van God geschonken is, uit loutere genade, alleen om de wille van de verdienste van Christus. (Cat. Zondag 7).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 november 1939

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

Bijzonderheden uit Luthers jeugdjaren.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 november 1939

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's