De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCHOUW

21 minuten leestijd

NIEUWE ABONNEE
Als dit nummer van De Waarheidsvriend verschijnt, is het reeds November. Nog een paar weken en het is 1 December. En dat beteekent, dat spoedig een nieuwe jaargang van ons Bondsblad begint.
Nu zouden we willen vragen : wie wil de komende weken eens moeite doen om één nieuwe abonné te winnen ?
Proefnummers kan men aanvragen te Maassluis; ze worden p.o. gratis toegezonden. En als men dan eens een paar weken achter elkaar bij een kennis of buurman of familielid, of iemand, die men geregeld in de kerk ziet, een nummer bezorgt en daarna persoonlijk gaat vragen of men abonné wil worden — wie weet, wat we dan op die manier vangen kunnen !
Hier kunnen jongeren en ouderen aan mee doen. En met vereende krachten kunnen we in stad en dorp nog heel wat winnen.
Wie helpt mee ?
Schrijf dan even een briefkaart naar Maassluis ! Liefst dadelijk.

EEN INDRUKWEKKENDE GODSDIENSTOEFENING
„De ongebreidelde expansie van Rusland, in het Noord-Westen van Europa, heeft ten gevolge- gehad, dat de vier Staatshoofden, n. l. de Koning van Denemarken, Zweden, Noorwegen en de President van Finland, met elkaar overlegd hebben. Ze hebben geconfereerd in Stockholm, twee uur lang, op 't Koninklijk Slot. Na het noenmaal kwamen alleen de ministers bijeen, en daarna is er een indrukwekkende kerkdienst gehouden, waarvan de correspondent van de N. Rott. Courant te Stockholm 't volgende verslag heeft gegeven:
In een gewone dienst kwam men bijeen. Op de orgelgalerij was een klein koortje ; er waren geen andere bloemen op het altaar dan enkele chrysanten, en de menschen, die lang voor de dienst begon, heel de kerk vulden, de paden tusschen de banken zoo goed als de andere leege ruimten, waren allen in hun gewone donkere wintersche kleedij. Het orgel zweeg tot de vier Staatshoofden plaats genomen hadden in de Koninklijke bank, intoneerde dan een Zweedsch Kerklied en aartsbis­schop Eidm, die gewoon in toga was, hield een korte beschouwing over de noodzaak van Godsvertrouwen, juist in dezen tijd en over de zekerheid, dat God ons kracht en moed zal geven.
Hij bad voor „onze geliefde Noorderlanden" en vroeg den zegen des hemels over de Staatshoofden en hun raadgevers. Met een litanie en het Onze Vader werd de dienst geëindigd. Toen reeds verdrong een dichte menigte zich op de kaden bij het paleis, maar het zou uren duren voor de 500 vaandelwachten, die de vier Staatshoofden hun groet en hun hulde zouden brengen, van het stadhuis wegmarcheerden.
Behalve bij het huwelijk van Prinses Ingrid zijn er waarschijnlijk nimmer zooveel Stockholmers op de been geweest als dien avond. In dichte hagen stonden zij langs de straten, die uit de verte uitzicht gaven op het in licht van tientallen schijnwerpers badende paleis, met een onafzienbare, donkere, zwijgende massa.
Er werd zwijgend gegroet door het hoofd te ontblooten, toen de vlaggen passeerden. Er werd zwijgend gewacht, terwijl al die honderden vlaggen en vaandels opgesteld werden op de opritten voor het paleis, er werd eerst gejuicht, toen daar heel in de hoogte aan den hel verlichten gevel, de balcondeuren open gingen en de vier Staatshoofden, de drie lange Koningen en de kleine President van Finland, verschenen. Lang duurde dat gejuich niet, het muziekcorps viel in met het Zweedsche Koningslied. Daarna volgden eenige korte composities van Noorsche componisten en zongen de Stockholmsche zangkoren, wel haast 1000 man sterk, van achter de wapperende vlaggen, de volksliederen van de vier landen.
Na elk lied dankte 't Staatshoofd en golfde het applaus over de donkere pleinen en kaden, het langst misschien na het Finsche volkslied ,,Ons Land".
Tenslotte zongen al die honderdduizenden, die daar in den vriesklaren kouden nacht, met de oogen naar het paleis gericht stonden :
„Een vaste Burcht is onze God".
Dat is toch wel een indrukwekkende plechtigheid geweest, schrijft ds. H. Janssen, de veldprediker in algemeenen dienst, in De Wekker. Een samenkomst, die ons herinnert aan de samenkomsten, die ook in ons Vaderland tijdens den 80-jarigen oorlog gehouden zijn.

DE KINDERDOOP VERBOND EN DOOP (23)
De besnijding van het lichaam ziet op de besnijding des harten, op het uittrekken en afleggen van den ouden mensch en het aandoen en opstaan van den nieuwen mensch. Nu is dat een werk des Heiligen Geestes, maar vele godvruchtige zielen vergeten, dat 't werk van den Heiligen Geest niet afgescheiden kan en mag worden van het werk van Christus in Zijn dood en opstanding.
De Heere Jezus heeft Zelf omtrent het werk van den Heiligen Geest in de harten der Zijnen, gezegd : „De Trooster — de Geest der waarheid — zal u in al de waarheid leiden ; want Hij zal van Zichzelven niet spreken, maar zoo wat Hij zal gehoord hebben, zal Hij spreken en de toekomende dingen zal Hij u verkondigen. Die zal Mij verheerlijken ; want Hij zal het uit het Mijne nemen, en zal het u verkondigen". (Joh. 16 vs. 7—15).
Alles dus wat de Heilige Geest toepast, is door Christus verworven ; en het wordt genomen uit hetgeen van Christus is.
Zóó ook is er geen wedergeboorte, geen besnijding des harten, dan die bestaat in de toepassing, door den Heiligen Geest, van den dood en de opstanding van Christus, waarin de wedergeboorte van de gansche Kerk begrepen is.
De besnijding, de wederbaring van de gansche Kerk ligt in Christus' persoon, als haar Plaatsbekleeder en Borg, en is door Hem uitgewerkt en verworven. Uit het Zijne wordt de besnijding en wederbaring genomen door den Heiligen Geest, wanneer Hij die toepast aan bijzondere geloovigen, en hen personeel wederbaart door de kracht, die ook Christus zelven wedergebracht heeft uit den dood. (Hebr. 13 VS. 20).
Christus vóór Zijn dood was beladen met onze zonden, en representeert ons als zondaren, als onwedergeborenen. Christus na Zijn opstanding had onze zonden te niet gedaan aan het kruis, en representeert ons als verlosten, als wedergeborenen. Onze verlossing ligt dus in Christus, en de personeele toepassing van die verlossing is het werk van den Heiligen Geest, wanneer Hij ons wederbaart door ons te doen opstaan uit. den dood van zonden en misdaden, door dezelfde kracht, waardoor Christus opstond uit den dood, die de bezoldiging was voor onze zonden.
„De besnijding van het hart" — aldus Wormser — „is dus wel de wederbaring van het hart door den Heiligen Geest; maar die onderwerpelijke besnijding, en wederbaring der afzonderlijke geloovigen ligt, voor al de geloovigen tezamen, voorwerpelijk in Christus, in Wiens dood en opstanding zij allen tezamen begrepen en besneden zijn".
}„Het is bij deze voorwerpelijke verlossing, bij deze voorwerpelijke genade, dat wij ter juiste waardeering van het genadeverbond moeten stilstaan, omdat uit Christus als het voorwerp des geloofs, de genade en verlossing in de onderwerpen nederdaalt, wanneer de Heilige Geest toepast wat Hij, uit hetgeen van Christus is, neemt".
„Daarom zeiden de Vaderen, die zéér goed wisten, dat de Heilige Geest het hart wederbaart, met zooveel juistheid, dat het waarachtig geloof, in den mensch gewrocht zijnde door het gehoor des Woords Gods en de werking des Heiligen Geestes, hem wederbaart en maakt tot een nieuwen mensch". (Art. 24 Ned. Geloofsbelijdenis).
„Alle toepassing door den Heiligen Geest heeft plaats door het geloof, dat Hij werkt. Maar hieruit volgt dan óók, dat alles wat door den Heiligen Geest toegepast wordt, vooraf in Christus aanwezig moet zijn, en dat niets toegepast wordt dan hetgeen de geloovige in Christus door het geloof vindt ; dat dus ook zijn besnijding en wederbaring des harten buiten hem verwervend uitgewerkt moet zijn door Christus, zal zij in hem toepassend gewrocht worden door den Heiligen Geest. Het is daarom, dat de Heilige Geest niemand ter zaligheid leidt, anders dan door hem te leiden tot het geloof in Christus, waardoor hij wedergeboren wordt".
Dat de besnijdenis van het Oude Verbond evengoed als de Doop van het Nieuwe Verbond alles ontvangt uit Christus, het een onder den dienst der bloedige ceremoniën, het ander onder de onbloedige teekenen, blijkt uit de Schrift telkenmale. Zoo schrijft de apostel, dat ook de Christenen uit de heidenen besneden zijn. „En gij zijt in Hem (n.l. Christus) volmaakt. Die het Hoofd is van alle overheid en macht ; in Wien gij ook besneden zijt met eene besnijdenis, die zonder handen geschiedt, in de uittrekking van het lichaam der zonden des vleesches, door de besnijdenis van Christus". (Col. 2 VS, 10, 11).
De besnijdenis van het Oude Verbond ontving dus de vervulling van haar beteekenis in het verlossingswerk van Christus, en aldus zijn ook de geloovigen onder het Nieuwe Verbond de besnijdenis deelachtig wat haar inhoud en beteekenis betreft. In Christus zijn zij besneden. Hoe dan ? Dit wordt ons in het volgende vers door den Apostel verklaard : „Zijnde met Hem begraven in den doop, in welken gij ook met Hem opgewekt zijt, door het geloof der werking Gods, die Hem uit de dooden opgewekt heeft". (Col. 2 vs. 12).
De Christenen zijn alzoo besneden in Christus, door met Hem begraven te zijn in den doop.
De besnijdenis, haar vervulling erlangende, is alzoo, met al haar wettige consequenties ook voor de kinderen, overgegaan in den doop. Daarom zeiden de Vaderen in het formulier terecht : „Dewijl dan nu de doop in de plaats der besnijdenis gekomen is, zoo zal men de jonge kinderen, als erfgenamen van het rijk Gods en van Zijn Verbond, doopen".
De besnijdenis wees dus op de verlossing van zonde en schande, die Christus in Zijn dood en opstanding zou aanbrengen. Daarop en niet op de lichamelijke besnijding, moest de Israëliet zien en vertrouwen. Anders werd zijn besnijding iets onbruikbaars, een versnijding ; terwijl van hen, die hun hoop en vertrouwen op het verlossingswerk van Christus stellen, ofschoon zij uit de heidenen zijn, gezegd wordt : „Want wij zijn de besnijding, wij, die God in den Geest dienen, en in Christus Jezus roemen, en niet in het vleesch betrouwen". (Filipp. 3 VS. 3).
De besnijdenis is door God aan Abraham gegeven met het oog op Christus en de Christenen, de gedoopten, zijn dus de besnijding. En waar nu het verlossingswerk van Christus bestaat in : de verlossing van den mensch, buiten den mensch, daar komt de Heilige Geest dat werk in den mensch toepassen door het geloof. Om de reinigmaking en zaligheid in ons te ontvangen, moeten wij „de reinigmaking en zaligheid buiten onszelven zoeken", zegt het Doopsformulier. Zoo komt het afsterven van den ouden mensch, door een sterven met Christus door het geloof in Zijn zoendood ; en in een opstaan van den nieuwen mensch, door een opstaan met Christus door het geloof in Zijn opstanding tot onze rechtvaardiging.
Daarom worden wij gedoopt in den dood en de opstanding van Christus, vermits de uittrekking, de wegsnijding van het lichaam der zonde, verdienend en verwervend, heeft plaats gehad in den dood en opstanding des Heeren. Het teeken dat aanwees, dat dit nog plaats hebben moest, is daarom ook nu veranderd in een teeken, dat het plaats gegrepen heeft. De besnijdenis gaf te kennen : de ongerechtigheid zal bloedig weggenomen worden ; de doop geeft te kennen : het bloedige offer is volbracht; er wordt nog slechts toepassing en afwassching vereischt". (blz. 74).
(Wordt voortgezet).

DE STRIJD OM DEN BIJBEL OP DE SCHOOL (4)
Vóórdat we nu over de wetgeving als zoodanig — vooral ook over de Schoolwet-Van der Brugghen, van 1857 — verder spreken, willen we eerst nog eens in vogelvlucht nagaan hoe het nu op de Openbare School met den Bijbel en met den godsdienst toeging. Vroeger was — we zagen het reeds — de Bijbel op de School ; maar — we zagen het óók — met dien Bijbel ging het al spoedig niet, zooals naar den eisch van Gods Woord, met dat Boek der boeken gehandeld moet worden. En het Christelijk cachet verdween meer en meer van de School. Het ging in de richting van de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen (in 1784 opgericht). Het ging inzake den godsdienst en de zedelijkheid den verkeerden kant uit ; alleen lag er een dun laagje vernis over, door allerlei mooie woorden te gebruiken.
Het ging om „de verdraagzaamheid" en om „de éénheid van het volk", om Protestant en Roomsch, Remonstrant en Gereformeerde bij elkaar te brengen en één geestesrichting onder ons volk te scheppen en te bevorderen. Wel sprak de traditie een woordje mee. Een paar eeuwen was de Bijbel op School geweest (al was 't dikwijls meer schijn dan werkelijkheid, omdat de humanistische en rationalistische geest overheerschte bij de opvoeders der jeugd) en daarom was men voorzichtig, om niet ineens ruw den Bijbel uit te bannen. Maar in 1806 sprak de Schoolwet (de derde reeds in de reeks) nog ietwat positief (Van den Ende was de geestelijke vader), doch die „christelijke deugden" werden losgemaakt van den Christus Gods en het ware geloof. Men bedoelde eigenlijk niet anders, dan fatsoenlijke menschen te kweeken, die vooral „vriendelijk en verdraagzaam" zouden zijn, als burgers van 't zelfde land. Van geloovige Christenen in bijbelschen zin werd niet gesproken.
In 1810 had men liever niet den Bijbel, maar in de plaats daarvan leesboekjes met verhalen uit den Bijbel. Men vroeg om een kinder- en schoolbijbel, waarin alleen zou worden opgenomen wat de kinderen begrijpen konden ! Alleen het begrepene mocht onderwezen worden ! Wel werd (door Van den Ende) een „gepast gebruik van den Bijbel" aangeraden, maar over wat „gepast" was en wat „niet gepast" was, verschilden de meeningen bij de opvoeders der jeugd ten zeerste ! En de Bijbel moest telkens „een veer laten".
Van de 58 schoolopzieners waren er 38 predikanten (Hervormde-, Waalsche-, Doopsgezinden) ! Door sommigen werd aangedrongen op het geven van onderwijs in „bijbelsche geschiedenis" ; zoo b.v. in een circulaire door ds. H. W. C. A. Visser, in Friesland. Maar ernstig werd gewaarschuwd voor „leerstellig" of „dogmatisch" onderwijs, dat uit den booze is. Dat „misvormde de teedere kleine schepseltjes" tot „gevoellooze werktuigen" van een of ander Kerkgenootschap, en dat was fataal natuurlijk. Anderen (b.v. prof. Van Swinderen, in Groningen) spraken het uit, dat bijbelsche geschiedenis — en óók soms 't gebruik van den Bijbel — bij het onderwijs een wezenlijke behoefte was.
In 1815 werd een circulaire rondgezonden, dat men „uitgezochte Schriftgedeelten", vooral „de Evangeliën" moest gebruiken op School ; de Bijbel zelf was geen kinderboek ! En die „uitgezochte Schriftgedeelten", vooral uit de Evangeliën, moesten dan gebruikt worden, opdat de kinderen hun „grootsten Vriend" zouden leeren kennen, liefhebben en volgen, om betere menschen te kweeken in de toekomst.
Anderen zeiden : het is een weldaad voor den godsdienst, zoowel als voor de vrijheid van het geweten, dat de Bijbel van de Overheidsschool geweerd werd.
In 1838 verscheen weer een circulaire in Groningen, door den Gouverneur van de provincie opgesteld, om op te wekken tot bijbelsch onderricht. Er werden 90 schoolbijbels verstrekt.
En zoo ging het „op en neer", en het was telkens de vraag : de Bijbel wel of de Bijbel niet op de School ?
Toen prof. Thiers uit Beieren in 1835 onze Nederlandsche Openbare Scholen bezocht, sprak hij er zijn verbazing over uit, dat de Bijbel daar niet meer gebruikt werd.
Toch werd door vele onderwijzers hier en daar „voortreffelijk in bijbelsche geschiedenis onderwijs gegeven".
Mannen als Bilderdijk, Da Costa en anderen, klaagden over het on-bijbelsche in het onderwijs, ook daar waar bijbelsche geschiedenis nog onderwezen werd. Het was niet meer hel Christelijk geloof dat er in sprak. De geest en de goden dezer eeuw voerden heerschappij ; ongodisterij, ongeloof en bijgeloof hadden het hoogste woord gekregen bij veel opvoeders der jeugd. De school werd, juist daar waar men nog van en over den Bijbel sprak, de Secte-school van het modernisme, waar begrippen aangaande God en Jezus, aangaande den mensch, zonde, verlossing, deugd, onsterfelijkheid, enz., werden ingeprent, geheel in strijd met Gods Woord en de belijdenis der Kerk. Kerk en School gingen hier dikwijls samen ! Supra-naturalistische godsdienstige begrippen, de Groninger richting, het modernisme, kwamen alles bederven.
De belijdende Christenen vóór en rond de Afscheiding van 1834 kwamen hoe langer hoe meer in verzet tegen de beginselen van het onderwijs en de opvoeding, die in de Overheidsschool dwingend werden opgelegd aan de ouders en de onderwijzers. Het „officieele Christendom" was allergevaarlijkst, voor grooten en kleinen. Christus werd geloochend als Gods Zoon, en van het verzoenend lijden en sterven werd gezwegen of er werd lasterlijk over gesproken, omdat men over den mensch, over de zonde enz., geheel anders dacht, dan de Bijbel ons leert. De Anthropologie, de menschbeschouwing èn de Christologie, de Christusbeschouwing week in alles af van Gods Woord en van wat de belijdenis der Kerk leert.
Het is met name Da Costa, maar ook mr. Groen v. Prinsterer, die dat „officieele Christendom" aanvallen en bestrijden. Groen wijst voortdurend op de gebreken van het godsdienstonderwijs (Maatregelen tegen de Afgescheidenen). Het Christendom werd zóó misvormd en zóó algemeen gemaakt, dat de lood zich niet meer behoefde te ergeren. Het is zelfs geen „historisch Christendom" meer — schrijft Groen. En met kracht en klem spreekt hij hierover in de Tweede Kamer.
„De jaren, tusschen 1840 en 1860 vormen" — aldus P. Oosterlee in : Geschiedenis van het Christelijk Onderwijs ; Volksuniversiteitsbibliotheek 1929 — „naar mijn meening, den tijd, die voor de ontwikkeling van het Christelijk Onderwijs beslissende beteekenis heeft gehad. Vele gedachten, toen uitgesproken, hebben nog niets van hare actualiteit verloren en kunnen nieuwe beteekenis krijgen in de toekomst". Men moet meer in 't oog vatten „de paedagogische beginselen, welke bij de opkomst van het Chr. Onderwijs naar voren zijn gekomen". Het gaat om „de rechte toepassing van het Christelijk beginsel bij het onderwijs en de opvoeding".
De heer Oosterlee vertelt dan in dat verband van freule Constance van Lynden, die, toen nergens geschikte lokaliteit was te vinden, een deel van haar woning voor schoolgebouw gaf, en in mejuffrouw Van Gelder vond men een onderwijzeres, die men zocht, tactvol en vroom. Het aantal kinderen, haar toevertrouwd (in Nijmegen) overtrof de meest optimistische verwachting. En ten spijt van de lasterlijke taal, waarbij deze christelijke bewaarschool „als een broeinest van dweepzucht" werd gescholden, moest men herhaaldelijk ervaren, dat de caricatuur, die men, van de school en het Christelijk Onderwijs daar gegeven, maakte, op niemand invloed oefende, die met eigen oogen de werkelijkheid had aanschouwd.
„Die bewaarschool op de Sint-Teunisplaats" — aldus de heer Oosterlee — „is de bakermat geworden van alle Christelijke Scholen, uitgaande van de vrije vereeniging. Het werk, daar verricht, werd met groote aandacht gadegeslagen door den president der Nijmeegsche rechtbank, mr. J. J. L. van der Brugghen. In hem rees de wensch op, dat na het verlaten der bewaarschool, de kinderen in den zelfden geest onderwezen mochten worden. Als voorzitter, sedert 1840, der plaatselijke Schoolcommissie, wist hij, dat dit in geen enkele inrichting te Nijmegen geschiedde". „Velen behoorden tot de „vreedzamen" in den lande, en waren doodsbenauwd voor „rustverstooring". En daarom gebruikte men de boekjes van Anslijn : De brave Hendrik en de brave Maria voor de aankweeking der ,,algenoegzame deugd", waarvoor deze „meesterstukjes" van Anslijn beter geschikt waren dan de Bijbel ; dat „overigens eerwaardige Boek, hetwelk echter niet is geschreven voor nog redelooze schepselen als de kinderen zijn".
„De School moest dienen „ter aankweeking van verdraagzaamheid en eendracht" en was reeds te dikwijls en te veel misbruikt door de Kerk !"
Zóó was de Openbare School.
En daarom werd de Christelijke School, de School met den Bijbel, hoe langer hoe meer door Christelijke ouders begeerd en gezocht.
(Wordt voortgezet.)

KERKELIJK LEVEN IN NOORD-HOLLAND
Ds. P. H. Kapteyn Jr., die sinds een jaar Herv. pred. te Schagen (N.-H.) is, schrijft in „Contact", orgaan van de Vrijz. Hervormden in Nederland, een artikel over : Kerkelijk leven in Noord-Holland, waarvan we hier een en ander laten volgen.
De Noord-Hollanders vinden het over het algemeen niet prettig als zij worden beschouwd als het „zorgenkind" en als er altijd gesproken wordt van „donker Noord-Holland". Men wenscht daar van zulke beschouwingen verschoond te blijven. Men wil niet, ^ dat de gedachte leeft : dat er in Noord-Holland de kromste dingen gebeuren en de gekste dingen worden uitgehaald.
Ds. Kapteyn zegt : mijn overtuiging is, dat we Noord-Holland niet als een uitzonderingsprovincie moeten beschouwen. Wat men in N.-Holland aan verkeerde toestanden vindt, treft men overal aan ! En menige gemeente hier kan zich heel goed meten met de beste en zoo zeer geroemde gemeenten in andere deelen van ons land !
Er moet echter landelijk meer contact komen tusschen de Vrijz. Protestanten. En verschillende predikanten zouden goed doen hun eigen land en familie te verlaten en eens naar Noord-Holland te gaan.
Enkele trekken, die bij de kerkelijke Noord- Hollander opvallen, zijn :
1. De persoon van den predikant (en predikantsvrouw) legt veel gewicht in de schaal.- Jammer, dat vele predikanten hier alle achting hebben verloren. Maar er is ook menig staaltje van hechte trouw en groote dankbaarheid jegens een predikant te- vertellen. Hij moet een goed spreker zijn en ijverig achter de menschen aanzitten ! Dat is hier noodig.
2. Verder is noodig de opvoeding tot dieper Kerkbesef. Voor de eigen gemeente is men nog wel te vinden ; dan zijn ze ook geen individualisten meer; dan is er een gezond gevoel van verbondenheid. Maar zoo gauw als het om andere instanties gaat, is de belangstelling tot op nul gedaald. „Het dorpisme is hier nogal sterk".
3. De godsdienst is hier moralistisch getint. Als je maar goed leeft, je plicht doet, ieder het zijne geeft, dan heb je de Kerk niet noodig. Wel lid van de Kerk zijn, zooals men lid is van een vereeniging. Maar je gaat toch óók niet altijd naar „de leden-vergadering", en daarom behoef je ook niet altijd naar de kerk. Toch is ze wel nuttig.
Het mystieke in het geloofsleven is zwak : de huivering voor Gods grootheid, zondebesef (ook bij goed leven), gebed, de zin van de godsdienstoefening als eeredienst, avondmaal — zijn voor de menschen hier, als hun harten er voor open gaan, nieuw. In dit opzicht ligt er veel land braak en komt men, naast teleurstellingen, vaak voor groote verrassingen te staan. Hier is nog wel hoop voor de toekomst. Op vele plaatsen zien we dit reeds lang.
„Ik geloof" — zoo beëindigt ds. Kapteyn zijn kort artikel — „dat Noord-Holland juist de Kerk zéér noodig heeft, waarmee niet bedoeld wordt het leerinstituut, noch de godsdienstige vereeniging".
Jammer, dat ds. Kapteyn niet zegt wat hij dan wèl met de Kerk, die Noord-Holland noodig heeft, bedoelt.
Intusschen zal er voor de Orthodoxie een groote en zware taak zijn en blijven ten opzichte van Noord-Holland boven het IJ. Waar men nog veel kan verknoeien en verprutsen met allerlei klein-gedoe, maar waar ook zeer zeker nog veel mooi werk kan worden verricht, als daar de rechte menschen op de rechte plaatsen mochten komen in Kerk en Evangelisatie.
Wij denken aan de belofte Gods : een volk in duisternis gezeten, zal een groot licht zien ! In Jezus Christus, onzen Heere.

NEUTRALITEIT — NIET GEWENSCHT!
Neutraal dat is : geen voorkeur hebben. Allen zijn ons gelijk. Alles heeft voor ons de zelfde waarde. We doen geen keus. Alles is ons even goed. Zoo wil men neutraal zijn in de School. Men mag geen keuze doen. Is er een God ? 't Zij zoo. Is er geen God ? 't Kan best wezen. Wij zijn neutraal : wij hebben geen overtuiging, geen meening ; we hebben geen voorkeur, 't eene is ons even goed als het andere.
Roomsch, Protestant, Jood, Mohammedaan, Gereformeerd, Remonstrant : 't is ons alles even goed of even slecht, 't Zijn allemaal menschen. We laten ons niet in met wat ze denken, gelooven en belijden. We zijn neutraal : we hebben geen voorkeur, noch voor den een, noch voor den ander. We doen geen keuze. Niemand mag aan ons kunnen merken wat wij zelf zijn. We zijn neutraal.
lü de Bijbel een goed boek, een slecht boek, een goddelijk boek, een menschelijk boek, een protestantsch boek of een roomsch boek ? We zijn neutraal : we doen geen uitspraak, we nemen geen beslissing, 't Is ons allemaal goed. We laten alles „blauw blauw". Niemand mag aan een onderwijzer van de Openbare School kunnen merken of hij Roomsch of Jood of Mohammedaan of Christen is. We zijn neutraal : we hebben geen voorkeur. We vinden alles even goed, of even slecht.
Nu lazen we zoo ineens in een klein stukje in „Contact", orgaan van de Vrijz. Hervormden, waar het ging over Vrijzinnige militairen, die noodzakelijk in Vrijzinnige Militaire Tehuizen moeten komen. De schrijver — uit Gouda — zegt dan : „Goed zoo ! Neutraliteit mag in sommige opzichten gemakkelijk zijn. In godsdienst is het uit den booze, want het kweekt slappelingen en slapers".
We vinden dat aardig gezegd. We hebben dat zinnetje genoteerd en zullen het bewaren.
„Neutraliteit in den godsdienst is uit den booze, want het kweekt slappelingen en slapers".
Dat men er z'n voordeel mee doen mag ! Laten we dus maar gerust partij kiezen in Kerk en School. En dan : naar Gods Woord. Want we moeten geen slappelingen en slapers hebben !
Neutraliteit — niet gewenscht.
 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 november 1939

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 november 1939

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's