De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

NIENKE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

NIENKE

EEN VERHAAL UIT HET FRIESCHE VOLKSLEVEN

6 minuten leestijd

Met toestemming Uitgever J. H. Kok te Kampen
Maar juist dat was het, wat Pier Boukes toen sneed door zijne ziel. Nog meer dan al de overtuigende woorden, die Gurbe gesproken had. Hij den Heilige bedroeven en dit, terwijl hij meende Hem te willen liefhebben en dienen ! Zou het zoo zijn ? Zou hij zelf oorzaak zijn van de geestelijke verkommering, waarin hij persoonlijk leefde ? En zou hij door zijn twijfel en ongeloof den Heiland werkelijk bedroeven ? Daar had hij nog nooit over nagedacht. Dat de wereld dat deed, die zich van het geloof en de kerken en den godsdienst afkeerde en in haat en vijandschap van 't Kruis vaak leefde, dat sprak vanzelf ; maar dat hij dat ook deed ! En dat zoovelen dit deden, die zich wel voor Christen uitgaven en zelfs tot de gemeente behoorden en van een goede preek hielden, zooals ds. Buitenveld gewoon was te leveren, uitgezonderd dan die van onlangs over : „Een zeker mensch", daar had hij nog nooit bij stil gestaan. Maar Gurbe zei het zoo ernstig, en terwijl hij het zei, was het alsof Pier Boukes eene openbaring kreeg. Waardoor zijn oog open ging voor een nog andere schuld, die hij nooit eerder gezien had, welke hij tot hiertoe niet eens wist, dat zij bestond, waarin hij en velen met hem veeleer iets meende te hebben, dat hem aangenaam en verdienstelijk maakt bij God, omdat hij het zoo ernstig scheen op te nemen en maar niet zoo aanstonds toestemde en aannam, wat hij als een hoog, heilig goed op verren afstand meende te zien ! Was het werkelijk schuld, zijn persoonlijke schuld, dat hij als een bare der zee geslingerd werd ten opzichte van zijn geloofsleven ? En nog nooit had hij gebeden om over die schuld verzoening te mogen krijgen, omdat hij in zijne blindheid en zijne armoede roemde en op zijn ongeloof bouwde als een grond zijner verwachtingen ! Wat kon een mensch, óók een heilbegeerig mensch, toch blind en dwaas en zichzelf een raadsel zijn en hoe noodig had ook nog een kind van God het licht des Geestes, om al de schadelijke wegen te zien, waardoor hij van het genot der zaligheid verstoken kon blijven.
„Schuld, schuld, is dat schuld ? " vroeg Pier Boukes verbaasd.
Waarop Gurbe hem ten antwoord gaf : „Maar hoe zou je het vinden, wanneer je vrouw, met wie je jaren lang lief en leed hebt gedeeld en die je hier op aarde het dierbaarste van alles is geweest, telkens tegen je gezegd had : „Heb je mij nu wel werkelijk lief. Pier Boukes ? " en na elke verzekering, die zij hiervan ontving, en elke daad, die dit bewees, toch maar steeds weer opnieuw was gaan vragen, of je het nu wel goed met haar meende ? Zou dat tenslotte niet juist oorzaak geworden zijn, dat de teederheid der liefde daaronder lijden ging en de harten van elkander vervreemd werden ? Nu heeft Jezus Christus, als de hemelsche Bruidegom, zich opgeofferd voor Zijne Bruid en haar gekocht met Zijn bloed en haar mede ten eeuwigen eigendom verworven, om haar straks als een reine maagd ter bruiloft te voeren en dan tot in alle eeuwigheid met haar vereenigd te zijn in de feestzalen van het groote Vaderhuis ; en nu zouden al degenen, die tot deze Bruidsgemeente behooren. Hem nog moeten vragen of Hij het werkelijk wel met hen meent en zij wel op Zijne volle liefde hopen mogen ? "
Toen had Pier Boukes niets meer te zeggen. Vooral die herinnering aan zijn overleden vrouw greep hem in zijne ziel. Vanaf dat uur kwam er eene verandering bij hem. Wat was hij met al zijne rechtzinnigheid en zoogenaamde vroomheid, welke anderen in hem prezen, omdat hij het zoo zwaar opnam, gelijk men dat noemde, een eigengerechtige Parizeer geweest, die het veel beter meende te weten dan God en die van het zalig worden en van heel het verlossingswerk niets dan een spel had gemaakt ! Beschaamd en verlegen is hij toen opgestaan en heeft tegen Gurbe gezegd, dat hij werkelijk wel eens gelijk kon hebben en God het hem vergeven mocht, dat hij zoo tegen de genade was ingegaan. Hij begreep, dat niet alleen de ongerechtigheid van de goddeloozen, maar nog meer de eigengerechtigheid van degenen, die tot de vromen gerekend werden, oorzaak kon zijn, dat zij bleven buiten het Koninkrijk Gods. Zooals na een droeven, donkeren nacht, vol angst en verschrikking, plotseling de zon door de wolken breken kan om in één oogenblik al die donkere, dreigende wolkgevaarten uiteen te jagen en heel het landschap te overstroomen met een glans van goud, zoo scheen het nevelenfloers, hetwelk de ziel van Pier Boukes gevangen had gehouden, vaneen te scheuren, om hemelsche vertroosting en blijdschap in haar te doen neerdalen.
Met een verhelderd gelaat, zooals men in geen tijden bij hem gezien had, verliet Pier Boukes daarop de schoenmakerij, om eerst aan God en toen aan allen, die het verder hooren wilden, te zeggen, hoe dwaas en schuldig hij geweest was, door in ongeloof aan de trouw en de liefde en de waarheid van Gods beloften zijnen weg te gaan, daarbij ook nog wel meenend, dat juist hierin de vroomheid stak en hoe het de „blikken dominé" was geweest, die hem op gevoelige, maar tevens zoo juiste wijze zijne zonde had doen ontdekken. Van toen aan werd de band, die hen samenbond, nog inniger en sterker, zoodat er niets wezen kon, of de een zocht den ander op om zijn raad of hulp te vragen. Heel Zevenhuizen wist het weldra, dat het Gurbe was geweest, door wien bij den koster van de kerk zoo'n verandering kwam en zelfs ds. Buitenveld bleef hier niet onkundig van. Hier was iets wonders gebeurd. Wat al de preeken van den dominé niet hadden kunnen uitwerken, dat was de vrucht geweest van het eenvoudige woord van Gurbe ; en Pier Boukes was niet de eenigste, die door hem van 's levens dwaalweg mocht worden teruggebracht, of die, op den weg van Jeruzalem naar Jericho onder de moordenaren gevallen, door hem werd geholpen en opgericht en niet losgelaten, vóór hij veilig en geborgen was aan het liefdehart Gods.
(Wordt vervolgd.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 november 1939

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

NIENKE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 november 1939

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's