KERKELIJKE RONDSCHOUW
DE MODERNEN EN DE WONDEREN
Ds. P. Eldering, emer. Remontrantsch pred. van Rotterdam, schijnt een boekje geschreven te hebben : „Wondergeloof en Wonderverhalen" (De Tijdstroom te Lochem). Ds. Hefting, emer. pred. van Eist (Geld.), van Evangelische- of Groninger richting zijnde, bespreekt dat in Ev. Zondagsblad. En dan blijkt wel hoe oer-ouderwetsch de modernen staan en blijven staan tegenover de wonderen. Waarbij het waarlijk niet te verwonderen is, dat de orthodoxen zeggen, dat er een onoverbrugbare klove tusschen ons beiden ligt.
De leer van het verzoenend lijden en sterven van Christus loochent men. De lichamelijke opstanding van Christus loochent men. De vleeschwording des Woords of de leer van de incarnatie loochent men. De historiciteit van Jezus, zijnde de vraag of Jezus een historisch persoon is en ooit geleefd heeft, beantwoorden vele vrijzinnigen ook in de Hervormde Kerk met : neen ! (Een scherp debat is er op 't oogenblik gaande tusschen den bekenden journalist D. Hans, hoofdredacteur van „De Avondpost" en bekende figuren in Den Haag bij den Protestantenbond èn ds. A. Trouw, voorganger bij de Afd. van de Vrijz. Hervormden in Den Haag).
En nu wordt de oude loochening van het wonder óók weer opgehaald.
Hoe oud en versleten deze moderne beschouwingen zijn, blijkt wel uit de beoordeeling van den emer. Evangelischen predikant ds. Hefting, een man dus, waarlijk niet zoo „geweldig rechts", maar veeleer „gematigd links". Ds. Hefting zegt :
„Dit geschrift kan mij niet voldoen. Wel wordt gelukkig niet meer, zooals vroeger soms gebeurde, zoo uit de hoogte neergezien op „het wondergeloof", maar het blijft toch een soortgelijke redeneering, als ik mij woordelijk uit een oud-moderne preek van vóór vijftig jaar herinner ! „God is een God van orde, en wonderen bestaan niet en hebben nooit bestaan".
En wat „de wonderverhalen" betreft, ze zijn volgens den schrijver niet meer dan „de inkleeding van gedachten" ; en, tot zelfs de lijdensgeschiedenis toe (en natuurlijk de opstandingsverhalen) zijn slechts symbolisch te verstaan.
Alles wordt zoo nuchter beredeneerd en voorgesteld, zoodat bij de genezingen zelfs gesproken wordt van de meening, dat Jezus voornamelijk op aarde gekomen is, om doktoren en apothekers overbodig te maken ! Misschien — aldus de Evangelische emer. pred. ds. Hefting : „dat men in geestverwante kringen, waar men voor elk „wonder" kopschuw schijnt te zijn, het geschrift als een opluchting begroet, maar wat er op deze wijze van het Evangelie — en van den persoon van Jezus als „onze eenige troost" overblijft, moet wel heel weinig zijn".
„Ja" — aldus ds. Hefting — „ik vraag mij af, wat er zoo overblijft van de ziel onzer religie, het gebedsleven, dat letterlijk „met stomheid geslagen is". Immers, God is gebonden aan de onverbrekelijke samenhang der dingen als een God van orde. Inderdaad : een troosteloos bestaan !"
Wanneer een man als ds. Hefting zóó schrijft, dat „de eenige troost" hier wèg is, is óns oordeel, dat de vrijzinnigen niet in de Ned. Hervormde Kerk thuis hooren, dan „onverdraagzaam" en „hard" en „onbillijk" te noemen ? Gaat het in de Kerk, ook in de Hervormde Kerk, nu nog om de eenige troost, ja of neen ?
We nemen hierna over wat dr. J. Riemens in de N. Rott. Crt. over deze dingen schrijft. Ook weer een man, die nu niet zoo „geweldig rechts" is en zeer, zeer verdraagzaam. Maar het is hem toch te kras, dat men soms wil doen alsof rechtzinnig en vrijzinnig zoo ongeveer hetzelfde is. Leest maar.
RECHTZINNIG EN VRIJZINNIG
Nu men weer met „ineenloopende kleuren" werken wil en sommigen willen voorgeven, dat er toch eigenlijk niet zoo'n groot verschil ligt tusschen orthodoxie en vrijzinnig, is het goed, dat we hier releveeren wat dr. J. Riemens, Ned. Herv. pred. te Leiden, in dit verband schrijft; temeer, waar deze predikant in Leiden ook eens prof. Sevenster voor zich heeft laten preeken.
Dr. Riemens schrijft dan nu in de N. Rott. Courant :
„Kan het „onverdraagzaamheid" genoemd worden, wanneer een bepaald predikant een . collega liever niet voor zich laat optreden, indien zijn „ja" een „neen" is in de fundamenteele verkondiging van dien collega en diens „neen" zijn „ja" ? Moet een gemeente niet gansch en al in verwarring gebracht worden,
wanneer dit fundamenteele beginselen betreft ? En dit geschiedt, indien iemand als zijn levensbeginsel verkondigt, dat Jezus Christus, die „geleden heeft onder Pontius Pilatus" (oudste geloofsbelijdenis der Kerk) de Heiland der wereld is, terwijl den volgenden Zondag een collega, dien men voor zich zou laten optreden, verkondigt, dat het er niets toe doet, of Jezus Christus at of niet bestaan heeft ? (Ik stel met opzet de mogelijkheid van zoo'n conflict in haar scherpsten vorm). Dit sluit geen oordeel in over het persoonlijk geloofsleven van vrijzinnige collega's. Iemand kan in levenspractijk een oprecht christen zijn, terwijl hij er denkbeelden op na houdt, die strijden met wat de Christelijke Kerk altoos beleden heeft en belijden zal, op straffe van geen Kerk meer- te zijn. Zoo iemand kan men als mensch respecteeren, terwijl het toch onmogelijk is, zijn recht te erkennen om in een Christelijke Kerk op te treden.
Met verdraagzaamheid of onverdraagzaamheid heeft dit evenmin iets uit te staan, als het daarmede te maken heeft, wanneer een bestuurslid van een roeivereeniging bezwaar heeft tegen het optreden van iemand, die in deze vereeniging wil voetballen en die van roeien niets hebben moet ! Tegen zoo iemand mag het bestuurslid der roeivereeniging met volle recht zeggen : Gij behoort hier niet thuis ; word liever lid van een voetbalclub !
Ons standpunt hangt natuurlijk ten nauwste samen met de vraag : Wat is te verstaan onder een „Kerk" ? Reeds 't woord „Kerk" hangt volgens sommigen samen met het Grieksche „kuriakè" : ,,datgene, wat bij den Heer (Christus) behoort". In elk geval bedoelt de Christelijke Kerk van alle eeuwen en in al haar geledingen, te vergaderen en bijeen te houden, wie in Jezus Christus gelooven en Hem als kunnen Heer belijden. Wanneer nu lidmaten van die Kerk, ja zelfs voorgangers, aan leeken in de theologie op vergaderingen gaan wijsmaken, dat Jezus Christus misschien nooit bestaan heeft, en dat het er ook weinig op aankomt of Hij al of niet een historisch bestaan heeft geleid, maar dat het gaat om verheven ideeën, die men, afgezien van Christus, christelijk noemt, dan is dat m. i. een verkrachting van wat door alle eeuwen heen een Christelijke Kerk heeft verkondigd en beleden. Daarbij komt, dat twijfel aan het historisch bestaan van Jezus Christus, niet alleen voor het geloof onzinnig is, maar ook volgens het bezonken oordeel van theologen als wijlen prof. Plooij, en ook voor wijlen prof. Roessingh in zijn laatste jaren, volgens zijn eigen getuigenis tegenover mij, bij voortgaande studie als ongewettigd moet gelden. Wil men als wijsgeer het „geestelijk" bestaan van den Christus uitspelen, tegen het „historisch" bestaan van Jezus van Nazareth, dan is dat toch een „wijsheid", die alleen in een kring van wijsgeerig-uitverkorenen opgeld doet; en aan „gewone" geloovigen niet kan worden gedistribueerd. In dat opzicht waren de gnostieken van de tweede eeuw, die een onderscheid maakten tusschen „ingewijden" en „eenvoudigen", verstandiger dan hunne geestverwanten der 20sté eeuw".
„Wanneer men N. R. in de Kerk, die Christus' naam belijdt. Zijn bestaan gaat ontkennen, is het al heel kras.
„Wie dat doet, worde lid van een vrijreligieuzen kring, maar boude op in de Kerk een Evangelie te verkondigen zonder Heer.
Ik kan mij begrijpen, dat men de vrijzinnigen als partij gaarne bijeen houdt ; maar als dat beteekenen moet, dat men ook excessen goedpraat, of Christusbelijdenis èn Christusloochening in de Kerk als een verschil van meening van bijkomstige beteekenis beschouwt ; wanneer dit bij de Vrijzinnig-Hervormden als algemeene doctrine zou worden aanvaard, dan zou dit in de Hervormde Kerk beteekenen, dat ten opzichte van het beginsel, waarop de Kerk gebouwd is, „ja" en „neen" gelijke rechten zouden krijgen, en van den „aard" en het „karakter" der Ned. Hervormde Kerk hier te lande, waarvan in ons kerkelijk reglement gesproken wordt, komt dan niets, maar ook niets meer terecht.
Vindt uw medewerker dit onverdraagzaam, het zij zoo. Hij moest maar eens weten, welk een funeste uitwerking dergelijke uitspraken over het historisch bestaan van onzen Heer op het eenvoudige volk hebben. Heel den ernst van het Evangelie wordt er door aangetast. En tenslotte krijgt Jan Vulgair gelijk, die spot : zie-je wel, dat de vrijdenkers het bij het rechte eind hebben ? De dominees doen maar „alsof", de Dageraad komt er eerlijk voor uit !
DE STUDIEKAS VAN DE VRIJZINNIG HERVORMDEN
In het Jaarboek van de Vereen, van Vrijzinnige Hervormden in Nederland komt ook voor een verslag der Studiekas (1 April '38 —1 April '39).
Het bezit is ƒ 12.000.— ; de uitgaven overtreffen de inkomsten ; de contributies liepen achteruit van ƒ 1485.— tot ƒ 1315.—. De giften stegen iets, en wel van ƒ 1100.— op ƒ 1156.—; het bedrag der collecten klom aanmerkelijk, en wel van ƒ 785.— tot ƒ 1353.—.
Het vorig jaar werd terug ontvangen van toelagen ƒ 1200.—, wat dit jaar slechts bedroeg ƒ 210.—. De rente steeg van ƒ 281.— tot ƒ 336.—. Dan zijn er enkele vaste bijdragen : Fonds Racer-Tak ƒ 40.— ; Fonds v. Pallandt-Keppel ƒ 200.— ; Alkmaarsche beurs ƒ 200.—.
De uitgaven bedroegen ƒ 5285.— aan toelagen. Door de van deze Studiekas toelage genietende jonge menschen deden er 2 kerkelijk voorbereidend ; 4 candidaats ; 6 eerste gedeelte candidaats ; 4 propaedeutisch ; terwijl er 7 slaagden voor eindexamen gymnasium of staatsexamen. Gedeeltelijk hadden deze laatste a. s. studenten een toezegging eener toelage bij eventueel slagen.
Voor 1939—'40 is aan 30 jonge menschen, die al vorige jaren geholpen werden, een toelage toegezegd; hiervoor is ƒ 200.— uitgetrokken per persoon, per jaar.
Over 13 nieuw ingekomen aanvragen moet het Bestuur zich nog ernstig beraden.
DE KINDERDOOP VERBOND EN DOOP (24)
De Doop, ruimer Van omvang en strekking dan de besnijdenis. Onder het Oude Verbond werd alleen het mannelijk geslacht besneden en de vrouw ontving niet het teeken des Verbonds, wat onder het Nieuwe Verbond anders is ; nu worden de meisjes evengoed gedoopt, als de jongetjes, die pas geboren zijn.
Wormser geeft hierbij eerst een breede beschouwing inzake de vrouw en de onreinheid, waarvan we hier iets laten volgen.
„De veranderde stand van 't Verbond heeft ook invloed op den toestand der vrouw". „De vrouw had in den val van het menschelijk geslacht een hoogst belangrijk aandeel gehad. Haar onreinheid in het baren, en ook in haar geboren worden, trad onder de oude bedeeling daarom zeer sterk te voorschijn".
„Bij de geboorte van een zoon was de moeder zeven dagen onrein ; maar bij de geboorte van een kind van het vrouwelijk geslacht veertien dagen. (Lev. 12). Bovendien mocht de moeder bij de geboorte van een zoon nog gedurende drie en dertig dagen, maar bij de geboorte van een dochter nog gedurende zes en zestig dagen niets heiligs aanroeren".
„Het ter wereld brengen van een mensch in het algemeen was dus door de zonde een onreine zaak ; doch het baren van een mensch van het vrouwelijk geslacht verontreinigde dubbel. En om de diepe onreinheid en zondigheid van onze geboorte ten duidelijkste in het licht te stellen, moesten na de dagen der reiniging een brandoffer en een zondoffer gebracht worden, om voor de moeder verzoening te doen wegens de onreinheid van haar baren" (Lev. 12).
„Evenwel" — zoo zegt Wormser — „zou de vrouw, volgens de Paradijsbelofte, ook het vrouwenzaad baren, dat den kop der slang vermorzelen en alle onreinheid wegnemen zou. In het baren van dit vrouwenzaad (Christus), bereikte het vrouwelijk geslacht de vervulling van de aan Eva gedane belofte. Door Christus werd ook de vrouw van de grondoorzaak van al haar onreinheid (de overtreding in het Paradijs) verlost, en daarom hielden niet alleen voor beide geslachten alle uitwendige reinigingen op, maar kwam ook de vrouw, die nu haar eigen Verlosser gebaard had, in zelfstandige betrekking tot het genadeverbond, en werd zij (bij verandering van het teeken) tot het ontvangen van het zegel des genadeverbonds gerechtigd".
„Evenzeer als in Christus het onderscheid der volken weggenomen is en allen tot het Verbond genoodigd worden, zóó óók is er in Christus en het genadeverbond geen onderscheid tusschen man en vrouw, en is de vrouw gerechtigd tot den doop : „want zoovelen als gij in Christus gedoopt zijt, hebt gij Christus aangedaan. Daarin is noch Jood, noch Griek ; daarin is noch dienstbare, noch vrije ; daarin is geen man en vrouw, want gij allen zijt één in Christus Jezus. En indien gij van Christus zijt, zoo zijt gij dan Abrahams zaad, en naar de beloftenis erfgenamen. (Gal. 3 vs. 27—29).
In Christus is' hier dus de verandering gekomen. Abrahams zaad moest op den achtsten dag het zegel des Verbonds ontvangen ; en daarom moeten nu, met de verandering in Christus, jongens èn meisjes, dadelijk na hun geboorte gedoopt worden, naar de beloftenis erfgenamen zijnde.
Het Nieuwe Verbond is hierin ruimer van omvang en strekking dan het Oude, en de doop ruimer van omvang en strekking dan de besnijdenis. Nu moeten jongens èn meisjes gedoopt worden en is het teeken van het Verbond ook anders geworden : het water, dat aan al onze kinderen, als „kinderen der Christenen" (Doopsformulier voor de volwassenenj of als „kinderen der geloovigen" (Doopsformulier voor de kinderen) toebediend wordt in het midden der Gemeente van Christus.
(Wordt voortgezet.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 november 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 november 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's