De Raad Gods.
Onverschilligheid en valsche lijdelijkheid.
Na al hetgeen we over den Raad Gods hebben gezegd, zullen er misschien zijn, die zullen opmerken, dat het misschien maar beter is om over den Raad Gods te zwijgen en om inzonderheid het leerstuk van de verkiezing en de verwerping maar te laten rusten.
Toch gaat het niet aan, om zoo maar al die uitspraken van de Heilige Schrift te negeeren. In niet-gereformeerde kringen zegt men wel eens, dat het genoeg is, als men Jezus maar kent als zijn Heiland. Doch men vergeet, dat juist de Heiland heeft gebeden : Ik dank u, Vader, Heere des hemels en der aarde, dat Gij deze dingen voor de wijzen en verstandigen hebt verborgen en hebt zé den kinderkens geopenbaard ; ja. Vader, want alzoo is geweest het welbehagen voor U. Men moge dus al voorgeven, dat men naar Jezus wil luisteren, maar men luistere dan ook naar Jezus, die het welbehagen Gods aanbidt.
Neen, de leer van Gods Raad is geen dorre bespiegeling. Men leze slechts 't eerste hoofdstuk van den brief van den apostel Paulus aan de Epheziërs. In hel vierde vers lezen we : Gelijk Hij ons heeft uitverkoren in Hem voor de grondlegging der wereld, opdat wij zouden heilig en onberispelijk zijn voor Hem in de liefde.
Als ge nu eens goed let op het woordeken „opdat", dan zult ge onmiddellijk moeten toestemmen, dat de leer van de uitverkiezing den apostel juist heeft gebracht tot een heiligen en onberispelijken levenswandel. In plaats van hem tot zorgeloosheid te brengen of hem te stijven in valsche lijdelijkheid, heeft het hem geprikkeld tot de hoogste actualiteit op alle terreinen des levens.
Zeker, er kan misbruik gemaakt worden van de leer der eeuwige verkiezing. Naast een nuttig gebruik staat altijd een verkeerd gebruik, of liever gezegd een misbruik.
God, de Heere, heeft het ijzer geschapen. Het kan gesmeed worden tot spade of tot sikkel, maar men kan er óok kanonnen van laten gieten. Maar dat ligt niet aan het ijzer. Het zijn de menschen, die er een nuttig gebruik of schandelijk misbruik van willen maken. Men kan trouwens ook andere uitspraken der Heilige Schrift misbruiken. Ik denk bijvoorbeeld aan dien tekst, waarmede men zoo vaak heeft geschermd : God is liefde. Zouden die woorden in den loop der eeuwen niet door velen zijn aangehaald met geen andere bedoeling dan om hunne verontruste consciëntie het zwijgen op te leggen en in de zonde te blijven soort leven, met een beroep op de liefde en de goedertierenheden Gods jegens zondaren ?
Menschen van dat slag zijn er altijd geweest. Tegen dezulken richt de apostel Paulus zich ook al. Denk maar aan hetgeen hij in Rom. 3 heeft gezegd van de zoodanigen : en zeggen wij niet liever (gelijk wij gelasterd worden en gelijk sommigen zeggen, dat wij zeggen) : „Laat ons het kwade doen, opdat het goede daaruit kome. Welker verdoemenis rechtvaardig is".
Ik heb ze ook wel ontmoet in mijn ambtelijke bediening, van die menschen, die zich onverschillig uitlieten over het heil van hunne ziel. Ik heb inderdaad eens iemand hooren beweren, dat het maar beter was om als een zwijn zich in de zonde te gaan wentelen, omdat men dan des te meer kans kreeg op een krachtdadige bekeering.
O, welk een droevig standpunt. Zich op den Raad Gods te willen beroepen en toch met alle macht en kracht de zonde te willen dienen. O, als men het waarlijk nauw met den Raad. Gods wilde nemen, wat zou men dan van harte begeeren om de zonde juist te ontvlieden, ja, begeeren om aller zonden vijand te zijn.
We moeten wel met allen ernst zulke onverschilligen vermanen en waarschuwen, dat ze toch de moeilijke plaatsen in de brieven van den apostel, plaatsen die zoo zwaar zijn om te verstaan, toch niet zullen misbruiken tot hun eigen verderf. Wat zal het vreeselijk zijn om zoo te vallen in de handen van den levenden God. Men heeft God de schuld willen geven van zijn eeuwigen ondergang, maar in de eeuwigheid zal het hun uit den mond Gods tegenklinken, wat eens ook gezegd is door den Heiland tegen de weerspannige Joden : O, Jeruzalem, hoe menigmaal heb Ik u willen vergaderen, gelijk een hen hare kiekens vergadert, maar gij hebt niet gewild. Let wel, dat er niet staat : Gij hebt niet gekund, maar dat er staat : Gij hebt niet gewild.
Naast die onverschilligen, die een beroep doen op Gods Raad om daardoor hunne gruwelijke zonden te verbloemen, zijn er nog tal van anderen, die het ernstig meenen met Gods Raad en die toch gevaar loopen om eenzijdig te worden. We bedoelen die menschen, die den nadruk begeeren te leggen op eenige kostelijke teksten uit de Heilige Schrift, waaruit ten duidelijkste blijkt, dat wedergeboorte en bekeering gaven Gods zijn. Er staat immers geschreven : Want uit genade zijt gij zalig geworden door het geloof ; en dat niet uit u,
het is Gods gave ; niet uit de werken, opdat niemand roeme.
„Ziet ge wel" — zal men zeggen — „dat, het enkel genade is. Het is een genadegifte Gods van Boven".
We zouden het niet gaarne durven te ontkennen, maar wel durven we te ontkennen, dat uit deze schoone tekst uit den brief van Paulus de conclusie zou mogen worden getrokken, dat de wet Gods ter ontdekking aan zonde en schuld niet meer zou gepredikt mogen worden.
Dit antinomianisme is al heel oud.
Reeds in het Nieuwe Testament wordt in Rom. 6 dit standpunt door Paulus bestreden. Ook de Gnostiek leidde tot antinomianisme. Eveneens het standpunt van de Anabaptisten. Maar vooral denken we aan den antinomianistischen strijd van Joh. Agricola tegen Melanchton (1527) en tegen Luther (1537). Deze Agricola verzette zich met kracht tegen de prediking van de wet Gods. Hij zeide : de wel behoort thuis in het Oude Testament en verder op het raadhuis. En daarom wilde hij ook in de Kerk enkel van genade hooren.
Telkenmale duikt dit antinomianistische beginsel in onze Vaderlandsche Kerk weer op. Ik denk aan den invloed van Pontiaan van Hattem. Hij was predikant te St. Philipsland op het eiland van dien zelfden naam in Zeeland. Hij was eigenlijk een aanhanger van Spinoza. Hij is dan ook in 1683 afgezet, omdat hij van Spinozisme verdacht werd. Het Spinozisme vereenzelvigde God en mensch, God en wereld. Als men dit op pantheïstische wijze doet, gelijk Spinoza, dan is er natuurlijk voor de tweede oorzaken en voor het verantwoordelijkheidsgevoel van den mensch geen sprake meer. Als men de onderscheiding van den verborgen en den geopenbaarden wil wegredeneert, dan is de stap naar het Spinozisme niet meer zoo groot. Ds. Van Hattem heeft veel aanhangers gehad. Vooral in Zeeland. Hattemisten waren o. a. Roggeveen, Jacob Brill, Gosuïnes van Buitendijk (Buitendijkianen). In het midden van de 18de eeuw hoort men er weinig of niets meer van.
Maar daarmee is dat beginsel niet uitgestorven. Het standpunt van velen uit onze kringen komt toch eigenlijk hierop neer, dal men het maar gerust zal blijven afwachten of de Heere begenadigt of niet. Er zijn zelfs predikanten, die den eisch der bekeering niet meer durven brengen. Zoo maar in de predikatie te zeggen tot den zondaar: „Bekeert u", zou hunne rechtzinnigheid in verdenking brengen. Men mocht hen eens voor een Remonstrant houden. Men mocht eens van hen denken, dat ze van meening waren, dat de mensch zichzelf kan bekeeren. En daarom deinzen sommigen er voor terug om den eisch openlijk te prediken. Om er dan toch nog wat van te maken, gaat men er toe over om van de eischen uit het Heilig Woord wenschen te maken. Men zegt : Och, mocht ge u eens bekeeren ; och, mocht ge er nog eens om vragen ; och, mocht het u nog eens gegeven worden.
Met alle respect voor de kostelijke waarheid die achter deze goede wenschen verborgen is, achten we het niettemin in strijd met het Woord Gods om zoo te gaan prediken Zondag op Zondag. De apostel Paulus, die wel degelijk wist, dat de Heilige Geest onwederstandelijk in Zijn werking is, durft het toch tot de gemeente van Thessalonica te zeggen, niet : „Och, dat ge den Geest niet mocht uitblusschen" ; dus in den vorm van een wensch, maar in den vorm van een bevel : „Bluscht den Geest niet uit".
Ook Christus zegt niet : „Och, mocht ge u eens bekeeren", maar: „bekeert u, bekeert u", zonder dat toch iemand Christus of den apostel er van zal durven betichten, dat ze niet zouden hebben erkend, dat zalig worden een genadegave Gods is. Het zij met eerbied op gemerkt.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 november 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 november 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's