De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

EEN VEILIGE SCHUILPLAATS

8 minuten leestijd

En de Heere sloot achter hem toe. Genesis 7 vers 16b.

EEN VEILIGE SCHUILPLAATS
Donker waren de dagen, die aan de zondvloed voorafgingen. De Heere, Wiens oogen de gansche aarde doorloopen, moest van den mensch getuigen, dat het gedichtsel der gedachten zijns harten te allen dage alleenlijk boos was. En Jezus Christus heeft ons geopenbaard, dat in de dagen van Noach de menschen aten en dronken en ten huwelijk gaven en ten huwelijk namen en geen acht gaven op de roepstemmen des Heeren. Groot en rijk was de lankmoedigheid des Heeren ten hunnen opzichte, maar tenslotte sprak de Heere : „Ik zal den mensch, dien Ik geschapen heb, verdelgen van den aardbodem".
Rechtvaardig zou het geweest zijn, wanneer de Heere de gansche menschheid van die dagen had doen omkomen in den vloed. De Schrift zegt echter, dat Noach genade vond in de oogen des Heeren.
Welk een ontferming.. Wat zal Noach hebben moeten erkennen, dat ook hij verdiend had om om te komen. De Heere deed met hem echter niet naar recht, maar naar genade. Uit grondelooize ontferming gedacht de Heere aan hem en om hem te sparen, beval Hij hem een ark te bouwen die voor hem en de zijnen een veilige schuilplaats zou zijn.
Noach zou zelf nooit tot die gedachte gekomen zijn, en ook al zou hij het beproefd hebben, toch zou hij nimmer een schuilplaats hebben kunnen bouwen die bestand was tegen de komende gevaren. Maar wat bij den mensch onmogelijk is, is mogelijk bij God. Hij sprak tot Noach : „Maak u een ark van goferhout". En bij dat bevel bleef het niet. De Heere onderwees Noach, hoe hij hem bouwen moest, en gaf hem kracht om de ark te bouwen naar Zijn bestek. Wij weten, dat Noach 120 jaar gebouwd heeft aan de ark en al die jaren heeft hij zijn tijdgenooten vermaand om zich te bekeeren tot den Heere. Noach's tijdgenooten sloegen al zijn vermaningen in den wind. Zij geloofden het niet, dat de Heere de vloed zou doen komen. Zou er zooveel water zijn ? — zoo hebben zij hem wellicht spottend gevraagd. Ach, wat heeft de Heere in al hun berekeningen geblazen. En 't is niet de eene maal dat Hij dit deed. Is dat ook niet ondervonden in den vorigen wereldoorlog ? Toen deze uitbrak, meenden velen, dat hij niet langer dan drie, hoogstens zes maanden kon duren. Wat heeft die menschelijke berekening in dien tijd gefaald. En dat was nu ook het geval in Noachs dagen. Ook de rekening van zijn tijdgenooten kwam niet uit. Zij hebben het ervaren, dat de zondvloed wel kwam en hen bovendien allen wegnam.
Noach en de zijnen en het door den Heere aangewezen gedierte werden echter gespaard. De Heere liet ze op Zijn tijd allen in de ark gaan en toen alles gereed was en geen klauw was achtergebleven, sloot de Heere zelf de deur achter Noach toe.
Die deur van de ark maakte scheiding tusschen de wereld buiten en Noach in de ark. Noachs tijdgenooten, die zich om Gods roepstemmen tot bekeering niet hadden bekommerd, bleven buiten de ark. Groot was hun aller ongeloof. Maar bij alle overeenkomst zal er toch nog wel verschil tusschen hen geweest zijn. 't Zou geen wonder zijn, als er ook nog tijdgenooten geweest zijn, die mede geholpen hebben om de ark te voltooien. Ook zullen er nog wel geweest zijn, die goede voornemens hadden om in de ark te gaan, maar hun voornemens werden niet uitgevoerd en zij zijn buiten gebleven, 't Is geen wonder, dat er evenals later de dwaze maagden in de bekende gelijkenis, ook zij geklopt hebben aan de deur en hebben geroepen : „doe ons open", maar de deur, door den Heere achter Noach toegesloten, bleef dicht.
Allen, die buiten de ark waren, kwamen om. Alle middelen om zich zelf te redden, ook eigengemaakte arken, hebben geen redding gebracht. Alleen in de ark was er behoud. Vreeselijk is het geweest, te vallen in de handen van den levenden God, van Hem, die niet alleen machtig was om hun lichaam te verderven, maar ook hun ziel te werpen in de buitenste duisternis. Daar zullen zij hebben moeten belijden, dat zij gewaarschuwd waren, maar al die vermaningen in de wind hadden geslagen.
En zooals het met de wereld buiten de ark was, in de dagen van Noach, zoo is het ook thans nog. De arke Gods, door Noach gebouwd, is immers een afschaduwing van Jezus Christus. Evenals de ark, is Hij een gave Gods. Maar nu is er ook
buiten den Christus geen heil. Er is geen andere Naam onder den hemel tot zaligheid gegeven dan de Naam van Jezus Christus. Er is maar één plaats, waar de zondaar veilig kan zijn. Deze plaats is de schuilplaats des Allerhoogsten, ontsloten in het bloed van Jezus Christus. Maar zoomin als de wereld in Noachs dagen van het schuilen in de ark wilde weten, zoomin heeft zij er in onze dagen behoefte aan. Immers niettegenstaande de Heere met Zijn oordeelen op aarde is, neemt de afval toe. Steeds vermeerdert nog het getal van hen, die verklaren met God en Zijn Woord niets meer te maken te willen hebben. En als het nu maar zoó was, dat allen, die in den Naam van den drieëenigen God gedoopt zijn, ook werkelijk Christus beleden als de eenige Schuilplaats, als de eenige Naam, onder den hemel gegeven tot zaligheid! Maar wie zou dat durven zeggen ? Met de mond doen zoovelen het wel, maar met de daad niet. Zij zijn wel hoorders, maar geen daders des Woords. En toch zal dit noodig zijn, zullen wij, evenals de dwaze maagden, de poort niet eenmaal gesloten vinden. En dan zal het niet baten, al zou er ook worden geroepen : „Heere, hébben wij niet in Uw Naam geprofeteerd en in iJw Naam duivelen uitgeworpen ? " Des Heeren Woord zegt, dat dan het antwoord zal zijn : „Ga weg van Mij, want Ik heb u nooit gekend''.
Wie buiten de ark was, kwam om, maar in de ark was een veilige schuilplaats. Dat hebben Noach en de zijnen ondervonden. Toen zij allen in de ark waren gegaan, sloot de Heere achter hen toe. Weldra werden nu de sluizen des hemels en de fonteinen van den afgrond geopend. Doordat het water weldra de aarde bedekte, werd de ark opgenomen en dreef zij op de golven. Wat zal er in Noach zijn omgegaan, toen dit geschiedde. Wat zullen zijn gedachten zich in hem vermenigvuldigd hebben. Wanneer hij zag, dat buiten de ark allen omkwamen, die met hem en de zijnen de aarde bewoond hadden, zal hij hebben moeten belijden : „Heere, wie ben ik en wat is mijn huis, dat Gij mij tot hiertoe geleid hebt". Want ook al was hij voor groote zonden bewaard, hij was toch in zichzelf niet beter dan zij, die buiten de ark waren. Het was daaroim alleen aan des Heeren genade te danken, dat hij in de ark was en dat bovendien zijn huisgezin door den Heere niet aan zichzelf was overgelaten. Evenals later de dichter van den 115den Psalm, zal hij hebben moeten belijden :
Dit werk is door Gods alvermogen, Door 's Heeren hand alleen geschied; Het is een wonder in onz' oogen; Wij zien het, maar doorgronden t niet.
Maar Noach zal in die maanden, gedurende welke hij in de ark was, ook strijd hebben gekend. Immers elk waar geloof wordt aangevochten, 't Zou geen wonder zijn geweest, dat bij oogenblikken de vrees zijn hart vervuld heeft, dat de golven ook de ark zouden bedekken en hij dus nog zou omkomen. Evenals het huis van den wijzen bouwmeester, zal de ark getrild hebben, toen de golven er tegen aan sloegen en de stormwinden zich verhieven met machtige kracht.
Kon dat alles hem met vrees vervullen, hoe gansch anders was dit, wanneer hij op 's Heeren daden mocht letten. Hoe heel de ark en ook het toesluiten daarvan door den Heere was gewrocht. Als het oog des geloofs daarop mocht zijn gericht, was de ark voor hem een veilige schuilplaats. En is dat nog niet in veel rijkere mate met de betere ark, Jezus Christus, voor allen, die in Hem hebben leeren schuilen ? Ook zij moeten belijden dat zij het niet waardig waren dat de Heere hen opzocht. Ook zij kennen tijden van strijd, zoodat zij meer dan eenmaal vreezen dat zij nog eenmaal zullen omkomen, maar als het oog des geloofs gevestigd mag zijn op hun Borg en Middelaar, zal dit hun tot bemoediging zijn, dat de Heere, evenals bij Noach in de ark, nooit laat varen de werken Zijner handen en er geen verdoemenis is voor degenen, die in Jezus Christus zijn.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 november 1939

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 november 1939

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's