KERKELIJKE RONDSCHOUW
DE KINDERDOOP VERBOND EN DOOP (25)
De kinderen der Christenen, of de kinderen der geloovigen behooren gedoopt te wezen, omdat God Zijn verbond heeft opgericht met de geloovigen en hun zaad. Gen. 17 vers 7 : ,,En Ik zal Mijn verbond oprichten tusschen Mij en tusschen u, en tusschen uw zaad na u in hun geslachten, tot een eeuwig verbond, om u te zijn tot een God, en uw zaad na u". Daarom werden de kinderen van Israël besneden, zijnde begrepen in het volk des verbonds. En de besnijdenis was een bloedig sacrament, omdat het wees op de komende bloedstorting van het Lam Gods in de volheid des tijds. Zoolang als de Oude bedeeling duurde, moest het sacrament aan de kinderen bediend worden met bloedstorting (zooals ook 'tPascha met bloedstorting geschiedde), maar als de bloedstorting op Golgotha heeft plaats gehad, moet ook het bloed van de ceremonieele wet van Israël verdwijnen. Het sacrament moet worden voortgezet, want God heeft Zijn verbond opgericht met de geloovigen en hun zaad in de geslachten, tot een eeuwig verbond. Maar nu is in de plaats van de Besnijdenis met bloedstorting de Doop met water gekomen, sprekende van de afwassching onzer zonden door het bloed en den Geest van Christus.
Wanneer onder het Nieuwe Verbond geen kinderen begrepen waren in de Gemeente, noch in het Verbond, zou de Heere dat aan de Nieuw-Testamentische Gemeente extra en met nadruk hebben gezegd. Dan moest zeker en vast een verbod zijn uitgevaardigd : gij zult nu voortaan geen kinderen meer rekenen tot het Verbond Gods. Dan moest, terwijl het doopen van volwassenen geboden werd, extra verboden zijn geworden, dat kinderen in het midden der Gemeente zouden gedoopt worden. En dat lezen we nergens. Wel wordt geleerd, dat de Doop in de plaats van de besnijdenis gekomen is (Col. 2 vers 11, 12) en de besnijdenis geschiedde aan de kinderen, dus volgt er uit, dat de Doop, die in de plaats der besnijdenis is gekomen, óók voor de kinderen is. Voor de kinderen der Christenen, maar straks, wanneer vaders en moeders uit de heidenen op de prediking des Evangelies zich zouden hebben bekeerd, zouden zij gedoopt worden èn — krachtens het verbond — óók hun kinderen ! In Hand. 2 vers 39 : Want u komt de belofte toe en aan uwe kinderen, zoovelen als de Heere er roepen zal tot Zijn gemeente — lezen we dat duidelijk. De Doop moet dan hetzelfde verzegelen als de besnijdenis (Rom. 4 vers 11). Overal leert de Schrift ons de vervanging van de Besnijdenis door den Doop. (Col. 2 vers 11, 12).
De Dordtsche Kerkorde (art. 56) zegt dan ook : „Het verbond Gods zal met den Doop aan de kinderen der geloovigen verzegeld worden". En de Catechismus zegt het in Zondag 27 niet minder duidelijk, gelijk we vroeger reeds hebben bewezen.
Wormser legt er dan ook grooten nadruk op, dat de Nieuwe Bedeeling voor Christus' Kerk niet armer en minder ruim is, dan de Oude Bedeeling voor Israël en zijn zaad. De volkomen overeenstemming van besnijdenis en Doop wettigt dus in het midden van Christus' Kerk : de Kinderdoop, naast en met den doop der volwassenen.
De Apostelen beschouwen de kinderen altijd als leden der gemeente. 1 Cor. 7 vers 14 : „Want de ongeloovige man is geheiligd door de vrouw, en de ongeloovige vrouw is geheiligd door den man. Want anders waren uwe kinderen onrein ; maar nu zijn zij heilig". Het gaat in Christus' Kerk om het heilige zaad. En in hun brieven richten de Apostelen zich dan ook telkens tot de kinderen. (Efeze 6 vers 1—3 ; Col. 3 vers 20).
Waar nu de besnijdenis eindigt in het zoenoffer van Christus, daar komt uit het zoenoffer van den Middelaar de Doop te voorschijn, nu gaande over jongens èn meisjes, met het teeken van water, inplaats van met bloed. „In Wien gij ook besneden zijt mét een besnijdenis, die zonder handen geschiedt, in de uittrekking van het lichaam der zonden des vleesches, door de besnijdenis van Christus, zijnde met Hem begraven in den Doop". (Col. 2 vers 11, 12).
Begraven door den Doop in den dood — „opdat gelijkerwijs Christus uit de dooden opgewekt is tot heerlijkheid des Vaders, alzoo ook wij in nieuwigheid des levens wandelen zouden". (Rom. 6 vers 3, 4).
Nu wordt — zegt Wormser — de wedergeboorte tot het nieuwe leven door vele geloovigen doorgaans in een te beperkten zin opgevat. Meestal verstaan zij er slechts de eerste levendmaking mee, en verder komen ze niet. Ze blijven aan 't begin staan, terwijl het juist gaat om in nieuwigheid des levens te wandelen, verwachtende uiteindelijk den nieuwen hemel en de nieuwe aarde. Het gaat naar de groote wedergeboorte, „wanneer de Zoon des menscheh zal gezeten zijn op den troon Zijner heerlijkheid, wanneer gij ook zult zitten op twaalf tronen, oordeelende de twaalf geslachten Israels'. (Matth. 19 vs. 28, 29).
De wedergeboorte is niet volkomen door het ontvangen van de eerstelingen des Geestes, waarbij men nog zooveel ongerechtigheid en een vernederd lichaam, dat nog in den dood moet, overhoudt.
Het gaat om de volmaakte heiliging en verheerlijking der geloovigen — „en indien de Geest Desgenen, die Jezus uit de dooden opgewekt heeft, in u woont, zoo zal Hij, die Christus uit de dooden opgewekt heeft, oolc uw sterfelijke lichamen levend maken, door Zijn Geest, die in u woont". (Rom. 8 vs. 11).
Zoo moeten de gedoopten zuchten om de vrijmaking van heel de schepping. „Want het schepsel, als met opgestoken hoofde, verwacht de openbaring der kinderen Gods — op hoop, dat ook het schepsel zelve zal vrijgemaakt worden van de dienstbaarheid der verderfenis, tot de vrijheid der heerlijkheid der kinderen Gods" (Rom. 8 vers 19—22).
De besnijdenis riep om het bloed des Lams. De Doop roept om de volle en eeuwige vrucht van den dood en de opstanding van Christus : tot de vrijheid van de kinderen Gods ; met de volkomen toepassing van de volkomen verzoening.
(Wordt voortgezet.)
ONDER DE ROOK VAN ART. 36
Op de Synode der Gereformeerde Kerken te Sneek is de vraag ter sprake gekomen : of het met de Gereformeerde beginselen van armenzorg overeen te brengen is, wanneer Diaconieën gebruik maken van fondsen uit historische goederen, die aan de weldadigheid onzer Vaderen te danken zijn ?
Het gaat dus hier min of meer over de verhouding van de kerkelijke armenzorg en het Algemeen Armbestuur, en ook over , de verhouding van de Kerk tot de Overheid, met de Overheidszorg.
Nu is 't merkwaardig te weten, welk Rapport door prof. dr. H. H. Kuyper daarover is uitgebracht. We komen dan onder de rook van Art. 36 Ned. Geloofsbelijdenis, waar immers gesproken wordt over de verhouding van de Overheid tot de religie en de Kerk.
Uit een kerkelijk blad nemen we een stuk over ; het is een saamvatting blijkbaar van dr. Kaajan, van Utrecht.
„Waar na de reformatie in 1834 en 1886 het diakenambt weer in eere hersteld werd, tot zoo rijke ontwikkeling kwam en de offervaardigheid voor dit heerlijke doel zoo hoog steeg, hebben onze Kerken" — aldus het artikel, dat we lazen — „zeker met groote bedachtzaamheid toe te zien, dat geen weg worde ingeslagen, waardoor deze offervaardigheid verminderen zou".
„Maar niet mag uit het oog worden verloren, dat mee ten gevolge van de economische malaise de last, die op onze Diaconieën rust, zeer zwaar is geworden en menige Diaconie is noodlijdend. In sommige Kerken is men er reeds toe moeten overgaan een deel der armen naar het Burgerlijk Armbestuur te verwijzen. De noodtoestand onzer Diaconieën is vrij algemeen. In Zeeland nu beschikken de Burgerlijke Armbesturen over rijke historische fondsen en zijn bereid op aanvrage daaruit ook aan onze Diaconieën steun te verleenen. Zeelands vraag was ons : of de Diaconieën iu haar noodtoestand ook uit deze fondsen, die aan de weldadigheid onzer Vaderen te danken zijn, steun mogen vragen".
„In een fijn gedocumenteerd betoog" — aldus het verslag — „heeft dr. H. H. Kuyper uitgesproken, dat op deze vraag noch op principieele, noch op historische gronden in ontkennenden zin geantwoord mag worden. Waarom zou een Diaconie een gift afwijzen, haar voor onze armen geschonken of haar rechten niet doen gelden, wanneer bij testamentaire beschikking een legaat aan de armen vermaakt is, al is de gever geen lid onzer Kerk ? Onze Gereformeerde Kerken hebben dan ook het aannemen van zulke gaven nooit voor ongeoorloofd verklaard, maar onder de „goede middelen" gerekend, waarvan ons Bevestigingsformulier zegt, dat de diakenen daarmede de armen hebben te verzorgen. Ook is de Overheid als Dienaresse Gods en Voedstervrouw der Kerk, naar onze Kerken in Art. 36 onzer Confessie belijden, geroepen de hand te houden aan den heiligen Kerkendienst, waartoe niet alleen de eeredienst, maar ook de armenzorg behoort en is zij verplicht in dit opzicht de Kerk te steunen, inzonderheid waar zij de beschikking heeft over de publieke armengoederen.
Wanneer dan ook de Diaconie door bijzondere omstandigheden niet in staat is genoegzaam in den nood der armen te voorzien, is het niet ongeoorloofd gebruik te maken van de hulp door de Overheid haar aangeboden. Deze weg is zelfs veel beter dan dat de Diaconie in plaats van zelve dien steun te vragen, haar armen naar het Burgerlijk Armbestuur zou verwijzen".
Van dit Rapport — waarbij wij, dit lezende, eerlijk gezegd, de oogen even hebben uitgewreven — zegt het Verslag, dat wij lazen :
„Dit belangrijke Rapport zal onder onze diakenen wel in studie genomen worden en hun wijze van handelen wel eenigszins beïnvloeden".
In „Noord-Hollandsch Kerkblad" wordt da3i de volgende beschouwing ten beste gegeven :
„Dr. Kuyper gaat dus in zijn Rapport verder dan de vraag bedoelde. Ook als de Overheid niet over publieke armengoederen beschikt, kan zij verplicht zijn een Kerk te steunen.
Dat laatste lijkt te zijn echter niet ongevaarlijk
Ook de argumentatie van den hooggeschatten rapporteur, dat de Overheid als Voedstervrouw der Kerk geroepen is den Kerkendienst, waartoe óók de eeredienst behoort, te steunen, doet de vraag oprijzen of het dan op dien grond niet geoorloofd zou zijn bij kerkbouw e.d. steun van de plaatselijke Overheid in te roepen, voorzoover de Kerk de kosten niet kan dragen.
Dit betreft m.i. andere gevallen, dan die op Wieringen en in garnizoensplaatsen, waar de Overheid plotseling een menigte menschen samenbrengt".
„Het is ons nog niet geheel duidelijk" — zoo besluit v. D. in N.-Hollandsch Kerkblad — „of we dien weg zonder bezwaar opgaan kunnen. De publieke armengoederen, aan de weldadigheid onzer kerkelijke Vaderen te danken, vallen hier buiten".
Wij zouden nu ook tegelijk willen vragen : waarom hebben de Gereformeerde Kerken altijd principieel bezwaar gehad om een gedeelte van de
predikantstractementen uit 's Rijks schatkist te ontvangen, waar het ook hier vooral gaat om historische, , kerkelijke goederen, die langs een allerwonderlijksten weg in handen van de Overheid zijn gekomen.
We zouden het wel aardig vinden, als we ook daarover nu een Rapport kregen, Waarin dan toch waarschijnlijk dezelfde woorden zouden voorkomen: „rijke historische fondsen" en : „de Overheid als Dienaresse Gods en Voedstervrouw der Kerk", die geroepen is „de hand te houden aan den heiligen Kerkendienst, waartoe ook de eeredienst behoort" ; vooral wanneer zij „de beschikking heeft over publieke fondsen".
We hebben een idee, dat er ook in deze gelijk in vele andere dingen — iets aan het veranderen is in de Gereformeerde Kerken.
NIEUWBAKKEN REGEERDERS
Dr. J. van der Spek schreef in Algemeen Weekblad een artikel : Over Regeeren. We lezen daar' (we pikken hier en daar wat zinnen uit) : Wie in onze hyper-democratische tijd hier en daar eens rondziet, moet zich verbazen over 't geen „regeeren" genoemd wordt. Die regeerders vormen een veel bonter groep dan in vroeger jaren het geval was. Regeeren is een moeilijke kunst, een zeldzaam bezit, een.weinig voorkomende bevoorrechting. Men kan inderdaad geboren lijken om te regeeren. Maar dat is toch uitzondering. Want om inderdaad met kracht en beleid te kunnen regeeren, daarvoor is in doorslag meer dan één generatie noodig. Want regeeren is voor een groot deel traditie, méér dan menigeen beseft. Het is dikwijls een familie-traditie. En 't is mee een vloek van dezen tijd, met zijn evenredige vertegenwoordiging, dat zoo vele, in dit opzicht echte homines novi, nieuwelingen, nieuwbakken regeerders opstaan, die het aan elke regeerkracht ontbreekt, en die "ook geen enkele traditie op dit gebied bezitten. Ze staan dikwijls kritisch tegenover elke traditie en rekenen zichzelf dikwijls graag tot de traditieloozen, en als nieuwe bezems, welke schoon heeten te vegen, willen ze fungeeren ; waarbij het gebrek aan regeertraditie zich aan henzelf ten zeerste wreekt. Dit blijkt ook dikwijls hieruit, dat deze tot regeeren geroepenen — vaak ook nog zonder eenigen historischen zin — tegenover hun ondergeschikten den juisten toon maar niet kunnen vinden, en in hun maatregelen revolutionair zijn, brekend met elk verleden, vóór alles bevreesd, conservatief te lijken.
Regeeren vraagt nu eenmaal stijl ; in eigen innerlijk leven en in eigen gedragingen, maar daarnaast ook in de levenshouding tegenover, en omgang met anderen. Er moet voor honderd procent betrouwbaarheid zijn, innerlijke onafhankelijkheid en absolute geestelijke vrijheid, en alle corruptie moet verre zijn en verre blijven. Geen bevoorrechting van eigen partijgenooten, welke partij dit ook zij.
Regeeren vraagt stijl, ook in z'n houding en gedrag tegenover anderen ; ridderlijkheid, waardigheid, hoffelijkheid. En het zijn vooral deze hoogere beschavingseischen, welke behoefte hebben aan en teruggaan op traditie. Juist deze hebben eenige generaties noodig om verworven en geleerd te kunnen worden. „En met name dan, wanneer zij zich intellectueel niet kunnen meten met hun hoogere of lagere ondergeschikten, wanneer hun savoire-vivre tekort schiet, hun talenkennis, dan wordt het een kwestie niet meer van gezag en natuurlijk overwicht — want dit hebben zij niet — maar van macht en, indien noodig, van geweld.
Het minderwaardigheidsgevoel heeft hen onder die omstandigheden, o zoo gemakkelijk te pakken. Weggeslikte, wrokkende minderwaardigheidsgevoelens zijn één der beste bodems voor jaloerschheidsgevoelens, voor achterdocht en een kunstmatig gekweekt en bestendigd gevoel van miskenning, van veronachtzaming, van gepasseerd worden. En dan is er al gauw een factor van „zoeken". Er is er dan maar één, die het weet !
Machtswellust is een van dichtbij loerende bedreigingen. Men gunt een ander niet een greintje verstand te hebben en men kan een zelfstandige meening niet dulden, wanneer die afwijkt van eigen oordeel. Dan ontneemt men dezen het woord, want een andere meening te hebben, wordt niet toegestaan. Men valt dan in ongenade. Iedereen, zeker elk ander met een eigen meening, wordt door hem tot de onmondigen gerekend ; of het zwijgen opgelegd, geïntimideerd.
Zij hebben bovendien neiging, om zich mei alles te bemoeien, en willen ook dan, wanneer dit niet toelaatbaar is, en het hun heelemaal niet competeert, het laatste woord bezitten, en hun wil anderen opleggen. Typisch is hun overmoed in deze".
„Regeeren is bereid .zijn tot zelfverloochening. Alleen wie heeft leeren gehoorzamen, kan bevelen ; alleen wie heeft leeren dienen, toegewijd, zonder morren en verzet, die kan heerschen. Alleen wie heeft leeren luisteren, heeft recht tot spreken".
„Goed regeeren zal zich kenmerken door hooge eerlijkheid, open ongeveinsdheid, klare oprechtheid en oi^enheid, door altruïstisch zich zelf ondergeschikt maken, zich zelf zoekend".
„Veelal ontbreekt hier nogal iets aan. Ge behoeft maar om u heen te zien, om dit te ervaren en te beleven, als een der oorzaken van het verval van echt autoriteitsbesef, van royaal onderling vertrouwen, van hartelijk meeleven".
RADIO-EVANGELISATIE
Wij nemen hier gaarne over wat we in „De Stuwdam" lazen onder het opschrift : „Een woord voor u".
„De Nederlandsche Christelijke Radio Vereeniging (N.C.R.V.) geeft op een tijdstip, waarop velen luisteren — 's middags om half één — tegenwoordig korte, kernachtige toespraken ; een ernstig woord, recht op den man af, onder den titel: Een woord voor U ! Meestal voorafgegaan door populaire muziek, om de luisterdichtheid maar zoo groot mogelijk te doen zijn.
Wij hebben nu enkele dier „Woorden voor U" beluisterd en het moet ons van het hart, dat de N.C.R.V. met de invoering van deze rubriek een gelukkige keuze heeft gedaan.
Heel veel luisteraars, die vreemd of vijandig tegenover het Evangelie staan, en niet licht geneigd zijn om een preek of een ziekenuur aan te hooren, zullen deze suggestieve toespraken, die tot bezinning en bekeering aansporen, niet zoo spoedig uit den weg gaan.
De N. C. R. V. is niet alleen een Radio- Vereeniging van en voor de Nederlandsche Orthodox-Protestanten, — zij is niet minder een uniek Evangelisatie-orgaan, waarvoor wij niet genoeg dankbaar kunnen zijn. Deze kantteekening moge een aansporing te meer zijn voor, de N.C.R.V., om op den thans ingeslagen weg voort te gaan. Pakkende, korte en kernachtige „boodschappen" tot de afgedwaalden en de godsdienstig-afwijzenden in den lande, kunnen, onder Gods zegen, wonderen verrichten".
Nu wij dit stukje met instemming overnemen, willen wij nog eens meedeelen, dat er geklaagd wordt — en helaas ! terecht — dat er betrekkelijk zoo weinig Hervormden lid zijn van de N.C.R.V. Dat mag zoo niet blijven. Dit werk moet ook door ons van harte worden gesteund. En omdat er geld noodig is voor dezen arbeid, mogen wij niet achterblijven.
Laat men zich daarom als lid opgeven bij de N.C.R.V. te Hilversum.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 november 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 november 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's