KERKELIJKE RONDSCHOUW
DE KINDERDOOP VERBOND EN DOOP (26)
De doop, het water der behoudenis.
Wormser gaat dan over tot het bespreken van het gebed en de dankzegging, voorkomend in het Formulier voor den Kinderdoop.
Het gebed vangt aan met de woorden : „O, Machtige, eeuwige God ! Gij die naar Uw streng oordeel de ongeloovige en onboetvaardige wereld met den zondvloed gestraft hebt, en den geloovigen Noach, met hun achten, naar Uwe groote barmhartigheid behouden en bewaard: Gij die den verstokten Farao met al zijn volk in de Roode Zee verdronken hebt, en Uw volk Israël droogvoets daardoor geleid, door hetwelk de Doop beduid werd" enz.
En Wormser zegt dan : „Deze woorden, dia tegenwoordig bij sommigen zooveel bezwaar opleveren, bevatten weder een van die meesterlijke grepen, waardoor de vaderen, ook dan wanneer zij zich onthielden van betoog en ontwikkeling, betoonden hoe zeer het geheel der goddelijke waarheid hun hart en verstand doordrongen had.
Die woorden rusten op uitspraken van de Heilige Schrift. Noach en zijn gezin werden behouden ; — doch zij werden behouden niet alleen uit den zondvloed, maar ook door den zondvloed, wiens naderende komst aangekondigd en door Noach geloofd was.
Zóó ook zal de doop, wanneer die eenmaal tot zijn volle kracht en ontwikkeling komt, een tweeledige strekking hebben. Bij de volkomen toepassing van de volkomen verlossing, waardoor de doop zijn volle beteekenis erlangt en de geloovigen den vollen inhoud daarvan ontvangen, zal God tevens „met vlammend vuur wraak doen over degenen, die God niet kennen, en over degenen, die het Evangelie van onzen Heere Jezus Christus niet gehoorzaam zijn" (2 Thess. 1 vs. 8). Alsdan zal er gezegd worden tot de bergen en tot de steenrotsen : „Valt op ons, en verbergt ons van het aangezicht desgenen, die op den troon zit. en van den toorn des Lams. Want de groote dag Zijns toorns is gekomen, en wie kan bestaan ? " (Openb. 6 vs. 16, 17).
De doop, thans het zegel en onderpand van het genadeverbond, gegrond in den dood en de opstanding des Heeren, zal, wanneer hij tot zijn volkomen kracht en ontwikkeling komt, tegelijkertijd behouden en verderven. Behouden, die thans gedurende de lankmoedigheid Gods op Christus gehoopt ; verderven, die Hem versmaad en Zijn bloed onrein geacht hebben.
Immers het waren ook dezelfde wateren, die, terwijl zij al het schepsel versmoorden, dat zich op de aarde bevond, daarentegen de aik liefelijk droegen en Noach en de zijnen hebben behouden, „wanneer de lankmoedigheid Gods eenmaal verwachtte, in de dagen van Noach, als de ark toebereid werd, waarin weinige (dat is acht) zielen behouden werden door het water ; waarvan het tegenbeeld, de doop, ons nu ook behoudt, niet die een aflegging der vuiligheid des lichaams, maar die een vraag is van een goed geweten tot God, door de opstanding van Jezus Christus" (1 Petrus 3 : 20, 21)".
„Evenzoo is het", zoo vervolgt Wormser, „met het levende voorbeeld, in het gebed aangehaald. De Israëlieten worden behouden, niet alleen uit de wateren, maar ook door de wateren van de Roode Zee, die zij geloovig doortrokken. Dezelfde wateren, die den verstokten Farao met zijn volk versmoorden, behielden Israël. Ook hiervan is de doop, in veel hóóger beteekenis, het tegenbeeld : „Ik wil niet, broeders ! dat gij onwetende zijt, dat onze vaders allen onder de wolk waren, en allen door de zee doorgegaan zijn, en allen in Mozes gedoopt zijn, in de wolk en in de zee". (1 Cor. 10:1, 2).
De doop heeft dus tweeërlei kracht : hij behoudt de geloovigen, maar verderft de wederspannigen. Dit is bij zijn instelling dadelijk aangekondigd : „die geloofd zal hebben, en (dientengevolge) gedoopt zal zijn, zal zalig worden. Maar die niet zal geloofd hebben (en dientengevolge den doop geweigerd of verwaarloosd zal hebben) zal verdoemd worden". (Marc. 16 : 16).
Met het oog op het jongste gericht, dat over de gansche wereld komen zal, neemt men nu, terwijl de lankmoedigheid Gods wacht, door het geloof de toevlucht tot Christus en het genadeverbond, dat in Zijn bloed gegrondvest is ; en bergt men zich door den doop in den dood van Christus. Want, tegen den toorn Gods, die eenmaal over de gansche wereld uitgestort zal worden, zal geen verschuiling zijn anders dan in Christus, Die den toorn Gods tegen de zonde van het gansche menschelijke geslacht dragende, nederdaalde in het graf.
Zij, die dat toekomende gericht verwachten, gelijk Noach den zondvloed verwachtte, maken gebruik van Christus, gelijk Noach van de ark. Zij worden door den doop één plant met Hem in den dood, opdat zij het óok mogen zijn in Zijn opstanding; en zullen, wanneer Christus ten gerichte komt, Hem, hun Borg, eenmaal beladen met hun zonden, zien verschijnen zonder zonden, waarin hun vrijspraak gelegen is. En wanneer de gansche wereld gericht wordt door den toorn des Lams, zullen zij zonder verschrikken voor Zijn rechterstoel verschijnen, omdat zij reeds gericht zijn in Zijn eigen dood en opstanding, waarvan hen de doop het zege), en onderpand is".
(Wordt voortgezet).
KANSELSTIJL, en PREEKMETHODE
Moeten onze preeken een bloemlezing zijn uit de „tale Kanaans" ? Of moet onze kanseltaal zijn als van „de man van de straat" ? Een preek is nu eenmaal geen toespraak van een marktkoopman en de gemeente is geen „publiek", dat zich rondom het „spreekgestoelte" schaart om te luisteren en weg te loopen, als het verveelt of als de redevoering uit is.
Altijd moet er weer de nadruk op gelegd worden, dat we in Gods huis saamvergaderd zijn rondom den dienst des Woords, met den dienst der gebeden en der Sacramenten. De Heere komt tot Zijn volk en Zijn gemeente nadert voor Zijn aangezicht. God is in ons midden !
Nu moet „de man op de preekstoel", die daar „zoo hoog" staat, niet „over de hoofden heen" spreken. Hij moet „afdalen" tot degenen, die naar Gods huis zijn gegaan, om daar te worden opgebouwd in hun geloof, opgewekt tot gehoorzaamheid en getrouwheid, vermaand tot liefde en ijver, ook gewaarschuwd tegen en afgemaand van de zonden ; terwijl de prediking dienen moet tot zelfonderzoek en zelfbeproeving, tot berouw en bekeering, waarbij de liefde van Christus dringt om telkens te zeggen : laat u met God verzoenen, want waarom zoudt gij sterven, terwijl het de dag der genade, de dag der zaligheid is. Dat geeft óók aan, dat de preek „bediening des Woords" moet zijn, ontsluiting der Schrift, verkondiging van de Goddelijke waarheid, prediking van Wet en Evangelie. En dat sluit de platte volksuitdrukkingen van „den man van de straat", de ordinaire aardigheden van den marktkoopman, uit.
Beschaafd en gekuischt moet de kanseltaal zijn. Wat volstrekt niet hetzelfde is als éen aaneenrijging van teksten te geven. Want wel kan een gepast gebruik van meer of minder bekende teksten de aandacht trekken en de duidelijkste omschrijving geven van de zaken waarom het gaat. Maar een aaneenrijging van teksten verveelt en maakt niet zelden dat de preek als droog zand aan elkaar hangt. Het moet tekstverklaring en ontsluiting van de Schrift, prediking des Woords en verkondiging der Waarheid zijn, en dat is heel iets anders dan een aaneenrijging van teksten geven, wat meer in een handboek of concordantie thuis hoort, dan in een preek.
Natuurlijk moet de preek Schriftuurlijk zijn. Alle verkondiging van eigen wijsheid en overbrengen van eigen boodschap of boodschappen van anderen is contrabande op den kansel. De man, die daar staat, is „bedienaar des Goddelijken Woords" en moet geen propagandist zijn van deze of die partij, geen vertegenwoordiger van deze of die richting, geen apostel van Petrus of van Paulus, maar gezant van Christus, door wien de Heilige Geest komt met het Woord, om te prediken de wijsheid Gods naar de Schriften.
Nu begint ieder, wanneer hij zijn gedachten op schrift zet, onwillekeurig te styleeren en er komt iets anders op papier te staan dan dat men „van hart tot hart" spreekt. Als een moeder met haar kind spreekt of ze schrijft een brief, dan is het laatste als vanzelf anders dan het eerste. Hoewel „het schrijven" daarom niet vervelend behoeft te zijn door gemaakte termen en stijve zinnen. Maar "=— ieder weet dat wel, moeder „praat" makkelijker met haar kind, dan dat zij „schrijft".
Zoo kan de geschreven preek ook omslachtig zijn en min of meer stijf, en er kan, vooral wanneer de voordracht niet alles vergoedt, veel van al het werk, dat aan het uitschrijven van een preek vastzit, verloren gaan.
Maar aan het „praten van hart tot hart" kunnen ook ontzettend groote gevaren kleven, want men komt er zoo gemakkelijk toe — vooral wanneer men z'n woorden nog al makkelijk kwijt kan — om maar wat te zeggen, dat weinig ernstig overdacht en weinig degelijk van inhoud en weinig beschaafd van vorm is. De geschreven preek is niet zelden zóó, dat men eigenlijk al kan uitrekenen, wat er dan en dan volgen zal. Maar het „voor de vuist" spreken is niet zelden zoo, dat men op geen stukken na weet, waar men straks te land zal komen ; ook is het dan dikwijls zoo, dat het wel elke week een andere tekst, maar niet elke week een andere preek is.
De een heeft in dat opzicht natuurlijk méér gaven dan de ander. „Maar zelfs een orator als Cicero gaf in zijn verhandeling over de redevoering den raad „quam plurimum scribere", d.i. zooveel mogelijk schrijven. Wordt deze goede raad in den wind geslagen, dan ligt het gevaar van overstag te gaan óók voor de drempel van den kansel".
„Dr. Kollewijn deelt in zijn biografie van Bilderdijk mede, dat het geheim van zijn kunst daarin zat, dat de dichter de volkstaal op een litteraire wijze wist aan te wenden. En nu is het waar : een preek mag zeker geen stuk litteratuur worden. Toch is 't gewenscht, dat zij aan bepaalde litteraire normen blijft voldoen". En „Jan Publiek moet straks niet zitten te ginnegappen, omdat de waarheid maar weer zoo heerlijk laag over den grond tot hem kwam. Die leuke dominé toch !"
Beschaafd en gekuischt moet de kanseltaal zijn. Maar — nóg eens — dat is niet hetzelfde als stijf en vervelend. Want elke preekmethode is goed, behalve die stijf en vervelend is. Maar geen platheden en geen aardigheden !
Een preek gaat er altijd het beste in, wanneer het volk de groote werken Gods in de eigen taal hoort uitgezegd. En het meest begeerlijk is, als uit het Woord telkens oude en nieuwe schatten te voorschijn worden gehaald en aan de gemeente des Heeren worden voorgelegd, om God groot te maken en zelf een zegen te mogen meedragen ; om verlicht te worden naar het verstand, om gesticht te worden in den geest, om aangevuurd te worden in ijver, om als menschen Gods volmaaktelijk te worden toegerust tot alle goed werk. Hier is het verstand, dat wijsheid geeft (Openb. 17 vers 9) en dat drijft tot aanbidding, dat aanzet tot ijver in geloofsgehoorzaamheid en liefde.
„Het is hier moeilijk om te spreken van de Gereformeerde kanselstijl. Er zijn zooveel vogels in de kanselvolière. En hun pluimage is wel zeer verschillend. Bovendien zingt ook hier ieder vogeltje, zooals het gebekt is". Maar — dat wil nog niet zeggen, dat ieder geluid dat van den kansel komt daarom aesthetisch is, of geheiligd en gewajd, beschaafd en gekuischt. En dat moet toch, omdat het bediening des Woords is in het heiligdom, waar het volk vergaderd is.
„Het is een eisch der prediking, dat dissonanten en uitdrukkingen, die zoo plomp-verloren uit den toon vallen — uit den toon van het heilige wel te verstaan — voorkomen worden". De bede moet herhaald : „Zet, Heere, een wacht voor mijn lippen en bewaakt de deuren van mijn mond". Gewild populair te willen zijn, is een ergerlijke zonde bij den man Gods.
„Op den kansel geen platheden. Maar ook geen theologisch expressionisme, dat op zijn beurt weer even gekunsteld dreigt te worden als de sermoenen a la Van der Palm en Van Oosterzee uit de dagen der vaderlandsche romantiek".
Er komt een methode hier en daar, waarbij van een vloeiend betoog geen sprake is. „Korte zinnen, explosief als een ondergrondsche mijn. Geen woord te veel. Ieder woord, iedere zin moet een „geweldige waarheid" zijn. De toon is streng, kortaf als een commando. Het is dat genre er vooral om te doen om bepaalde sprekende dogmatische waarheden er bij de menschen in te hameren". Men wil, dat in de dienst des Woords „de mensch" wegvalt, met al z'n dwaze wijsheid, z'n zonden en subjectiviteit tegenover „de majesteit Gods". Maar of dat nu bereikt wordt met een „streng-zakelijke, haast militaire methode", betwijfelen we. De mensch, die door de voordeur uitgejaagd wordt, komt dan wel eens door de achterdeur weer haastig binnen, ook al zegt men telkens weer „niets dan Gods Woord".
„De doorsnee-Hollander is altijd min of meer bevreesd voor zijn eigen sentiment of gevoel. Eigenlijk is hij gemoedelijk, maar hij is bevreesd er aan toe te geven. Vandaar dat een dergelijke manier van preeken voor sommigen een ideaal kan toeschijnen. Maar tenslotte slaat de gemoedelijke Hollander voor zijn eigen gemoedsleven op de vlucht — en kan het geloofsleven zonder gemoedsleven ; en geeft waarachtig geloofsleven aan het gemoedsleven niet de juiste plaats en het juiste accent ? Het onder de tucht\ zetten van zijn gemoedsleven aan het Woord, beteekent toch zeker niet een uitschakelen van het gemoedsleven ? !
En zoo doet een dergelijke „objectieve" prediking niet altijd even „harmonisch" aan. „Sloeg de „gevoelige" prediking van de vorige eeuw over naar de ééne zijde, dit genre wordt beslopen door het gevaar over te slaan naar de andere zijde. Beide zijn uitersten".
„Bovendien : mikt men niet te hoog ? Stel u eens iemand in uw huiskamer voor, die zeer afgemeten de eene waarheid na de andere zit te verkondigen — hoelang houdt ge een dergelijke conversatie uit ?
De ondergrond van onze volksziel is altijd gemoedelijk. Maar men moet de menschen niet leeren zich voor hun gemoedsleven te geneeren. Dit is inderdaad nu juist niet geheel Gereformeerd ! Men moet de schare niet Zondag aan Zondag „vaste spijzen" voorzetten. De „kinderkens" zouden al spoedig met een stuk in de keel zitten.
Ieder moet het zijne hebben in de prediking ; de een vaste spijs, de ander melk".
Zoo kan ook „de mensch volmaaktelijk tot alle goed werk bekwamelijk toegerust worden".
[Dit artikel werd geschreven na het lezen van een artikel van ds. Teeuwen in de Geldersche Kerkbode, dat we vonden in „Uit de Pers" in De Bazuin.]
NOG EENS: KERK OF KERKEN?
In de dagen van de Doleantie — we wezen er de laatste tijden telkens op, en we zullen het blijven doen — reed men zoo graag op het stokpaardje, dat „Kerken" op de kop geschilderd had staan. Het was nooit „de Geref. Kerk", maar altijd en altijd : „de Gcref. Kerken". En men sprak dan van de autonomie van de plaatselijke Kerk, met eigen wet en regel en macht, alsof er geen algemeene Kerk bestond, maar alleen maar plaatselijke Kerken ; die zich dan in foederatief verband (ook zoo'n mooi woord uit de dagen van 1886) bij elkaar hadden aan te sluiten. Dat wordt nu gelukkig, ook in den kring van „de Geref. Kerken", heel anders. Men is totaal naar alle kanten vastgeloopen met die „autonomie van de plaatselijke Kerken", ideëel en materieel, wat het tuchtrecht betreft, alsook b.v. wat de emeriteering en pensionneering van de predikanten aangaat, de verzorging van predikantsweduwen en - weezen, enz. De algemeene Kerk komt weer meer op den voorgrond, waaruit de plaatselijke Kerken uitgroeien in organisch verband, zooals de takken aan den boom. Christus het Hoofd en wij elkanders leden, ook de plaatselijke Kerken als openbaring van die éénheid.
Dat wij hierop nog even terugkomen, vindt z'n oorzaak in een artikel in Geref. Theol. Tijdschrift (afl. 10, Oct '39). Daarin doet dr. J. van Lonkhuyzen nog weer eens een poging om de dingen uit de Doleantie-tijd vast te houden en te verdedigen, inzake het tuchtrecht. Maar prof. dr. J. Ridderbos staat hem te woord, wat wij met genoegen gadeslaan. Bij dr. Van Lonkhuyzen gaat het om het „exclusieve tuchtrecht van den Kerkeraad" krachtens de z.g.n. autonomie van den Kerkeraad. Die Kerkeraad zou daartoe het , , goddelijk recht" hebben. Maar prof. Ridderbos spreekt in dit verband van „het beslissingsrecht in appèl-zaken van de meerdere vergaderingen, gelijk blijkt uit de Dordtsche Kerkorde" — en dus het oude Kerkrecht ! Wat dus heel iets anders is dan het „exclusieve tuchtrecht van den Kerkeraad" (exclusief is : dat al het andere uitsluit). Want — zoo zegt prof. R. terecht — indien bij appèl niet de Kerkeraad, maar de meerdere vergadering het beslissingsrecht heeft, dan heeft de Kerkeraad niet het exclusieve of al het andere uitsluitende, niet het volle gezag. „Of de meerdere vergadering haar gezag rechtstreeks van Christus heeft, of niet, doet er niet toe, zoo het slechts een wettig gezag is : en dit wordt door ons allen met de D.K.O. erkend".
„De zaak zou slechts dan anders staan, indien de Kerkeraad het recht had, de beslissing van de meerdere vergadering naast zich neer te leggen. Maar dan had de laatste geen beslissingsrecht ; dus dit vervalt".
Nu zegt men wel, dat er dan toch een voorbehoud moet gemaakt worden ten opzichte van die meerdere vergaderingen, en wel deze : „tenzij iets bewezen worde te strijden met Gods Woord".
Maar — zoo zegt prof. R. terecht — dit geldt immers van alle kerkelijk gezag ! Ook van dat van den Kerkeraad ! En dus : waar is nu in deze het onderscheid ?
„Ik ben dan ook versterkt in de gedachte" — aldus prof. Ridderbos — „dat dr. Van Lonkhuyzen principieel op hetzelfde standpunt staat als ik en anderen, die hij bestrijdt ; maar dat hij daaruit niet de juiste conclusie trekt, doordat hij zich vastklampt aan termen en onderscheidingen, die in dit verband geen reëele beteekenis hebben".
„De term „foederatief" (aldus prof. R.) „drukt m.i. het karakter van het Kerkverband niet ten volle uit". (Hiervan nemen wij weer bijzonder nota ! Hier wordt o. i. weer recht gezet, wat dr. Kuyper met dat woord „foederatief verband" scheef getrokken heeft. Alsof „de plaatselijke Kerken" samen een „verbond" gingen sluiten, om „samen" te leven en „samen" te werken !).
Dr. Van Lonkhuyzen voelt voor dat „foederatief verband" en zegt : „dat dit verband formeel en institutair niet anders dan bij wederzijdsche stipulatiën en bij manier van overeenkomst gelegd kan worden". (Daar wordt dus die term „bij overeenkomst" aanvaard !) Prof. R. zegt : „daar ben ik het wel mee eens, mits men dit niet zóó versta, dat de rechten van dit Kerkverband per sé beperkt zijn tot wat uitdrukkelijk werd gestipuleerd". Want — zoo zegt prof. R. verder : ik leg er den nadruk op, dat het diepere verband er reeds lag ! En dit reeds aanwezige diepere, materieele, organische verband, wordt door het formeel en institutair aangaan van het Kerkverband tot openbaring gebracht. (Cursiveering van ons, Red. Whvr.).
Dit alles bevestigt ons in onze meening, dat het Geref. Kerkrecht uitgaat van „het reeds aanwezige diepere, materieele, organische verband, dat er reeds is (in de algemeene Kerk) en dat hetgeen er reeds is, formeel en institutair tot openbaring moet komen (de plaatselijke gemeenten en het samenleven, dat uit de natuur van de Kerk van Christus opkomt).
Dat is de nekslag voor allerlei independentistische beginselen, die er bij vele individualistische personen en colleges diep inzitten. Van de éénheid van de Kerk van Christus wil men weinig of niet weten. Men praat maar van de autonomie van de plaatselijke Kerk (zonder dat men dikwijls weet wat daarmee bedoeld wordt en wat daaraan vastzit) en men wil ook nog wel „naar believen" zich met anderen „verbinden" (foederatief), maar dat het diepere, organische verband van de Kerk van Christus er is en aan alles moet ten grondslag liggen, daarvan wil men niet weten. Men wil vóór alles en boven alles „vrij" blijven en zich alleen verbinden „op voorwaarden" en zoo lang het aangenaam is.
Opmerkelijk, dat óók in „de Verklaring" door de Synode van de Geref. Kerken rondgezonden aan de plaatselijke Kerken, een zinsnede voorkomt als*deze: „Het zou de Synode tot groote voldoening zijn als nog méér dan tot dusver met deze gezonde beginselen van het Gereformeerd Kerkrecht gerekend werd, opdat alle independentisme van ons geweerd blijve en de Synode het volle vertrouwen der Kerken geniete".
En dan deze zin : „Wat de rapporten betreft, wordt door de Synode voor elk geval afzonderlijk bepaald, of deze aan of op de eerstvolgende Synode ingediend, dan wel te voren aan de Kerken toegezonden moeten worden, opdat deze er behoorlijk kennis van nemen en haar inzicht en oordeel den arbeid der Synode ten goede kunnen komen. Aan de Synode zelve moet echter onverminderd het recht gelaten worden daarover te beslissen".
Hier wordt dus aan al dat vrijwillig-zich aansluiten in foederatief verband de kop ingedrukt en over al dat independentistisch gedoe het oordeel gestreken. Het wezenlijk, natuurlijk verband van de algemeene Kerk moet meer en meer tot z'n recht komen ook in en door het institutair kerkelijk samenleven. Vandaar ook die laatste zinsnede : „Aan de Synode zelve moet echter onverminderd het recht gelaten worden daarover te beslissen".
Omdat daar de Kerken gemeenschappelijk samen komen en samen beraadslagen en samen beslissen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 november 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 november 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's