FINANCIËN
Het laatste overzicht van wat de inkomsten betreft van dezen jaarkring, ligt weer voor ons. Zooals ge zelf wel zult hebben opgemerkt, staat als no. 53 van dit jaar aangegeven het no. van dit blad. Ons boekjaar wordt hiermede afgesloten. Door Gods goedheid zijn wij weer met alles wat hierin voorkwam, doorgeholpen. Door kwaad en goed gerucht, zoo kan naar waarheid worden getuigd. Veel, wat geen andere naam verdient dan kwaad gerucht, wordt er in onze dagen over de wereld losgelaten. Niet, dat wij de meening zijn toegedaan, dat er thans niet veel gruwelijkheden gebeuren, maar de lust om het kwade te vergrooten, het nog erger te maken, zit zonder twijfel bij den huldigen mensch voor. Geruchten worden losgelaten, echt kwade geruchten, die niet anders dan de grootste onrust wekken en een zenuwsloopende uitwerking met zich meevoeren.
't Is alsof men zich er in verlustigt in het kwaad, dat men zelf verzint en uitstrooit met welige hand. De Catechismus waarschuwt hier zoo krachtig tegen en noemt dit kwaad een eigen werk van Satan.
Wat het eigenaardige is van dit duivelsch werk, leert onze tijd het beste verstaan. Het wordt gretig aanvaard, 't Meest dwaze wordt grif verbreid. Zonder verwijl doorgegeven. Als ge een onderzoek zoudt willen instellen om de herkomst vast te stellen, zoo ziet ge al heel spoedig het nuttelooze van uw poging in. De eerste zegsman vindt ge niet.
Is dit een trek, waaruit ge kunt aflezen de natuurlijke gesteldheid van het menschenhart in het algemeen, n.l. dat hij het kwade gerucht veel eerder gelooft, dan wanneer hem iets gunstigs wordt medegedeeld. Hij neigt wèl het oor naar de kwade zijde, doch voor het goede blijkt hij maar al te vaak doof.
Of is het niet dikwerf zóó, dat wanneer eenige twijfel werd uitgesproken bij het hooren van eenig kwaad gerucht, nog een laatste poging werd gewaagd om toch de uitwerking ten kwade niet geheel prijs te moeten geven door het volgende op te merken : „er zal toch wel iets van waar zijn" ; „om zoo maar iets te verzinnen, is al te dwaas". Het spreekwoord zegt immers : „daar is geen koe bont, of daar is toch wel een vlekje aan".
Wanneer wij het zoo eens mogen samenvatten : de gehoorgang van den mensch, in hel algemeen genomen, staat wijd open voor het kwaad, en de natuurlijke gesteldheid van zijn hart is zóó, dat hier een welige voedingsbodem wordt gevonden. Vandaar past groote voorzichtigheid in dezen. De waarschuwing tegen dit kwaad zou ik 't beste kunnen weergeven met het Woord des Heeren : „de zonde ligt aan de deur". Deze ligt op de loer om naar binnen te sluipen.
't Is dan ook een gunst Gods, als hiertegen de wacht wordt betrokken. Deze wacht zal dan pas met zegen werken, als het biddende wordt gedaan. Welk een zegen wordt hierdoor verkregen. Levert wat Satans hand uitstrooit niets dan ellende, onrust en verstoring — wat 's Heeren hand uitreikt is vrede en overgave in Zijn hand.
Zoo sluite Zijn hand ook achter ons toe bij het afsluiten van dit boekjaar.
Uit den aard der zaak zijn de posten deze keer niet vele.
1. Daar zijn giften, die ieder jaar omtrent dezen tijd binnen komen. Zoo ook ontvingen wij uit O. B. van onzen vriend M. N. de jaarlijksche bijdrage, zijnde 4 gld ƒ 4.—
Voor deze trouwe zorg zijn wij hoogst erkentelijk.
2. Van eenzelfde trouw getuigt ook de telken jare terugkeerende bijdrage van J. V. te Z. Deze droeg mij dezer dagen wederom twee rijksdaalders af „ 5.—
Wij zeggen ook hem zeer hartelijk dank voor deze duidelijke blijken van meeleven.
3. De Penningmeester van de afd. Alphen aan den Rijn zond mij de contributies, zijnde „20.—
4. Die van de afd. Harderwijk en Veenendaal stonden als het ware te wachten om eveneens hun bedragen te deponeeren.
De vrienden te Harderwijk zonden mij door hun Penningmeester de som van „ 47.75
5. Terwijl de Penningmeester van de afd. Veenendaal mijn bizonderen dank inoogstte voor zijn betoonden ijver in dezen. Hij gireerde heden „66.—
Voor alle drie zendingen zeg ik zeer hartelijk dank.
6. Van de afdeeling Leiden zond de ijverige Penningmeester een bijdrage van 5 gld., waarvoor ik hem vriendelijk dank betuig „ 5.—
7. Door ds. Heijer van Vlaardingen gewerd mij een gift van mej. G. van..., , 1.—
Collega Heijer zal mijn dank wel aan de geefster willen overbrengen.
8. Mej. V. d. p. te H. zond mij de inhoud van haar busje, n.l. no. 18, zijnde 4 gld . 4.—
't Is al enkele jaren, dat zij deze zorg voor haar rekening heeft willen nemen. Wij zeggen haar hiervoor zeer vriendelijk dank.
9. Van de Administratie van De Waarheidsvriend te Maassluis kreeg ik bericht, dat zij van onzen vriend H. S. te K. wederom in den door hem gebruikelijken vorm, tegelijk met de abonnementsgelden, een gift van 6 gld. had ontvangen voor het Studiefonds. „ 6.—
Mag ik ook voor deze bijdrage, evenals voor alles wat ons onder de gunste Gods in deze tijden gewerd, mijn oprechten dank betuigen.
Opgeteld kwam ik tot een eindsom van
f 158.75
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 november 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 november 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's