MEDITATIE
De oogst is voorbijgegaan, de zomer is ten einde; nog zijn wij niet verlost. Jeremia 8:20.
NOG NIET VERLOST De oogst is voorbijgegaan, de zomer is ten einde; nog zijn wij niet verlost. Jeremia 8:20.
NOG NIET VERLOST
Juda is in grooten nood. De profeet ziet het volk waarvan hij deel uitmaakt en dat hij lief heeft reeds weggevoerd. Hij hoort het gesnuif der Babyloniërs en ziet al het beven van zijn volk voor de macht der vijanden. Ach, hij is gebroken vanwege de breuk der dochter zijns volks. Hij gaat in het zwart, ontzetting heeft hem aangegrepen. En Jeremia weet wel waarom zijn volk zoo lijden moet en waarom er geen Heelmeester komt om hen te redden. Toch heeft hij gewacht naar licht, naar tijd van genezing, doch zie, 't is al duisternis en verschrikking. De oogst is weer voorbijgegaan, de zomer is al ten einde, maar nog daagde geene verlossing.
Bij onzen profeet, die in dubbele mate leed onder de ellende zijns volks, was een erkenning der goddelijke gerechtigheid, die de roede deed neerkomen op het zondig Juda. Wel is dan de droefheid groot als redding uitblijft doch moordende wrevel blijft achterwege. Al te vaak verrichten zielverwoestende opstandigheid en bittere murmureering haar moorddadig werk in tijd van nood. Iedereen wil graag uit ellende gered worden en men wïl nog wel luider roepen dan men reeds doet, wanneer dit maar verlossing brengen kan. Dikwerf beproeft de Allerhoogste ons, door Zijn hulp uit te stellen, of het in dien grooten nood wezenlijk om den Heere gaat, dan wel om ons zelf. Dit laatste is maar al te vaak het geval. Dan is er geen oefening tot godzaligheid in het lijden, geen verbrokenheid van geest tijdens den nood, doch veel meer een dwingen om verlost te worden van hetgeen hinderlijk is voor een leven naar eigen zin. Aan Gods Wil die ons in droefenis en tegenspoed op onze zielenood wijst en tot bekeering roept, stoort men zich geensizins. In zulke omstandigheden komt de mensch tot verkeerde voorstellingen omtrent den Heere God, durft hij ontevreden over Hem te klagen en zinkt hij dus steeds dieper weg in den poel des ongeloofs.
Hier treedt aan , het licht die inverdorven natuur van den mensch welke geen schuld bekent maar van zich afschuift. Dat de oorzaak der ellende in eigen zonde kon gelegen zijn, komt niet bij hem op. Aan eigen schuld wordt niet gedacht, eer zal de mensch den Heere onwil en onmacht toedichten. Een gruwelijk kwaad, waaruit duidelijk de natuurlijke vijandschap tegen God blijkt. In onzen tijd van steeds drukkender volksnooden en van klimmend oorlogsgevaar, waarin het recht van den sterkste triumfeert, wordt allerwege gevraagd, getart soms, waarom God nu geen recht doet en Zijn macht nu niet toont. Ook de kerk, als zichtbaar verschijnsel van het Koninkrijk Gods op aarde, wordt tot verantwoording geroepen en veroordeeld als machteloos en onnut ter redding van het zuchtend schepsel.
Het spreekt vanzelf dat op dergelijke klachten de Hemel ter redding niet opengaat. Het verwondere dat hij het ontsloten wordt ter vernietiging van den vijandigen sterveling, dat God , geen vuur uit den hemel doet vallen om de spotters te verteren. Neen, zoolang er geen vallen, geen schuldbelijdenis komt voor den rechtvaardigen Rechter, zoolang is er geen antwoord van boven op de klachten der menschen. 'God wil dat wij over onze eigen zonden klagen en niet over Zijn doen, dat Majesteit is. Leere de Geest u dit! Dan zult gij in plaats van te klagen dat God niet hoort, u zelf onwaardig achten, te onwaardig om ooit gehoord te worden. Evenwel krijgt gij dan antwoord, al is het een ander, dan gij wildet. Een antwoord waaruit blijkt, dat het boven allen en alles gaat om de eer van het door menschen en volkeren vertrapte recht des Heeren. Sion wordt verlost, doch door recht. Tenzij natiën en kerken, tenzij ook uw ziel dit goddelijk recht erkent, zij zullen geen dageraad ter verlossing zien. Het zal blijven : nog zijn wij niet verlost!
Opgeweld uit verslagenheid en kommer zal deze uitroep echter plaats maken voor het vroolijk Med der verlossing in Christus zoodra wij onze ongerechtigheden belijden en dus God eeren in Zijn heilige rechtvaardigheid. Tot kerken en volkeren komt de eisch : Alléén kent uw ongerechtigheid, dat gij tegen den Heere uw God gezondigd hebt! Gewis daagt dan het morgenlicht, der verlossing door de Zon des heils. Bekeering tot God is het eenige geneesmiddel voor de ernstige kwalen van den tijd. Bekeering in de belijdenis : Hoewel onze ongerechtigheden tegen ons getuigen, o Heere, doe het om Uws naams wil ! Hier op toont God dat er bij Hem vergeving en genezing is, dat Zijn naam is en blijft: Verlosser in tijd van benauwdheid!
Belooft Hij niet dat Hij zal uithelpen allen die in den dag der benauwdheid Hem aanroepen ? Hen zal Hij in Christus dit lied des lofs, dat de klacht vervaagt, op de lippen leggen :
Keer, mijne ziel! tot uwe ruste weder, Gij zijt verlost. God heeft u welgedaan.
Met den grooten wereldnood onzer dagen dienen we tot ons zelf in te keeren. Met onze angstspanning en zelfzuchtige vreeze komen we geenszins uit de moeite. Zijn diepsten grond vindt de nood der vol* ken en menschen in onze eigen zonden. Het moet een persoonlijke zaak worden. God kon naar recht de wereld doen ondergaan om onze persoonlijke zonden. Mocht de Geest hieraan ontdekken, daar zou minder worden gemurmureerd en meer worden gebeden.
Daar zou een volk zijn dat bij erkenning der goddelijke gerechtigheid bleef staan voor het aangezicht des Heeren om te pleiten op de barmhartigheid Gods voor eigen ziel. En dit volk, dus gesteld, zou niet kunnen nalaten in zijn smeeking te betrekken allen die lijden, waar ook, onder de gevolgen der zonden. De kwaal moet gekend om in waarheid bewogen te zijn onder het leed dat de menschheid trof. Och, kwame er meer droefheid naar God! Ging het eens waarlijk om Hem en niet om gemakkelijker levensomstandigheden. Ging het eens om Zijn eer en recht die door ons zoo geschonden werden! Ging het eens eerlijk om Christus om door Hem God te verheerlijken ! We zouden dan wel ootmoedig buigen voor het majestueuze: laat af en weet dat Ik God ben! Doch tevens zouden we ervaren dat aan hen die eerst het Koninkrijk Gods zoeken met Christus alle dingen worden geschonken. Met de verlossing der ziel is verlossing uit eiken nood in beginsel gegeven. Israël hope op den Heere want bij den Heere is goedertierenheid en bij Hem is veel verlossing.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 november 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 november 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's